De wisselkiezer en de wortels van links

Bestaat in het post-Paars-tijdperk de tegenstelling links-rechts nog wel? Volgens politicoloog Hans Keman weet de kiezer precies waar links en rechts voor staan, maar beleven we de opkomst van de 'wisselkiezer'....

LINKS Nederland verkeert in een crisis. De politieke partijen die gewoonlijk in meer of mindere mate 'links' worden genoemd (SP, Groenlinks, PvdA, D66) haalden bij de verkiezingen van vier jaar geleden 75 zetels in de Tweede Kamer, precies de helft. Nu zijn daar 49 van over, nog geen derde. Alleen de SP wist winst te behalen.

Links lijkt vooral inhoudelijk in een identiteitscrisis beland. Een strenger immigratiebeleid, meer blauw op straat, niet principieel tegen oorlog, een begrotingsevenwicht, waren traditioneel rechtse thema's die de afgelopen jaren door veel linkse partijen zijn overgenomen.

Weet iemand nog wat het betekent 'links' te zijn? Wat zijn eigenlijk de typisch linkse antwoorden op vragen over integratie, criminaliteit, gezondheidszorg? Sterker nog: bestaat in het post-Paars-tijdperk de tegenstelling links-rechts nog wel? Lopen de breuklijnen in de Nederlandse samenleving wellicht langs thema's die niet meer langs de traditionele meetlat gelegd kunnen worden, zoals vaak wordt betoogd?

Volgens Hans Keman (53), hoogleraar politicologie aan de Vrije Universiteit in Amsterdam, voldoet de tegenstelling links-rechts, ook al lijkt het niet zo, nog prima. Keman onderzoekt al enkele jaren de verkiezingsprogramma's sinds 1945 van partijen uit 26 democratische landen. Uit de Nederlandse programma's van de afgelopen verkiezingen blijkt dat de partijen heel goed volgens het schema zijn in te delen.

Keman ontwierp een tiental items over de inrichting van de samenleving waarop de partijprogramma's punten konden scoren. De schaal liep van 100 (extreem links) tot -100 (extreem rechts). Het betreft kwesties als internationale samenwerking, behoud van de verzorgingsstaat, de bevordering van de multiculturele samenleving en de invloed van de overheid op economisch terrein. Allemaal punten waarop volgens Keman antwoorden bestaan die de meeste kiezers als links of rechts herkennen.

Bestudering van de partijprogramma's uit de periode tussen 1989 en 2002 wijst uit dat tijdens Paars vooral een verschuiving naar het centrum heeft plaatsgehad. In 1989 was het verschil tussen de meest linkse en de meest rechtse partij volgens Kemans analyse zo'n 35 punten. In 1998 was dat nog maar 20 punten: alle partijen waren naar het midden gekropen, hetzij om hun politieke macht te behouden, hetzij om zichzelf regerings-fähig te tonen, zoals GroenLinks.

Dat heeft ze opgebroken, aldus Keman. Bij de afgelopen verkiezingen was het verschil tussen links en rechts weer groter: 45 punten. De opengevallen ruimte werd ingevuld door met name de SP en de LPF. Ook de VVD schoof naar rechts. Keman: 'De LPF is volgens ons onderzoek een rechtse, populistische partij en helemaal geen partij die links en rechts voor de kiezer onherkenbaar door elkaar gooit.'

Erg extreem bleken SP en LPF verder niet te zijn. Het programma van de SP lijkt volgens Keman 'erg op dat van het Progressief Akkoord van 1972, tussen PvdA, PPR en D66. De standpunten van Fortuyn leken bijzonder veel op die in de VVD-programma's van 1977 en 1981.'

Keman wijst er wel op dat het onderscheid links-rechts niet verward moet worden met de tegenstelling tussen progressief en conservatief. Waar links en rechts slaan op visies op de rol van de overheid bij de inrichting van de samenleving, hebben progressief en conservatief volgens hem betrekking op de vrijheid van het individu en de persoonlijke overtuiging over morele kwesties. Discussiepunten tussen progressieven en conservatieven zijn bijvoorbeeld euthanasie, abortus en het homohuwelijk.

Over dergelijke thema's bestaat in Nederland weinig politieke onenigheid, blijkt uit het onderzoek van Keman. 'Mijn collega's in het buitenland waren hoogst verbaasd dat een openlijke homo als Fortuyn een rechtse partij kon leiden. Maar een homoseksuele leider is in de Nederlandse politiek gewoon geen issue.' Een rechtse partij is dus niet per definitie conservatief, stelt Keman, en een progressieve partij hoeft niet altijd links te zijn.

Zijn betoog lijkt erop neer te komen dat in Nederland eigenlijk weinig is veranderd. Maar dat klopt niet. Keman: 'Nederland maakt de opkomst mee van de wisselkiezer.'

Dat is een ander soort kiezer dan de zwevende kiezer, voegt hij toe. De zwevende kiezer weet tot in het stemhokje niet wat hij gaat kiezen. De wisselkiezer weet meestal wél wat hij wil en stemt dan op de partij die het dichtst bij zijn opvattingen staat. Alleen verschillen die opvattingen per verkiezingsronde.

Tot het midden van de jaren tachtig was zo'n 7,5 procent van de stemmers een wisselkiezer, zegt de onderzoeker. In de jaren negentig is dat bijna 20 procent geworden, met een uitschieter tijdens de laatste verkiezingen van 44 procent, een gevolg van het LPF-effect. En die wisselkiezer sprong niet alleen, zoals in het verleden, een klein beetje naar links of naar rechts, maar toonde zich geregeld een radicale overloper.

Betekent dat niet dat de kiezer toch in verwarring is over wat links is en wat rechts? Keman ontkent dat met klem: 'De kiezer weet precies waar links en rechts voor staan. Maar hij mag toch van mening veranderen?'

Het is de ontzuiling die de traditionele Nederlandse partijen nog altijd parten speelt, betoogt hij. 'De loyaliteit aan het rode, confessionele of liberale blok is verdwenen. Mensen kiezen op basis van hun huidige situatie, kijken naar hun directe omgeving.'

Keman geeft het voorbeeld van de Rotterdamse volksbuurt waar PvdA-stemmers massaal naar Fortuyn overstapten. 'Die mensen zeggen: ''Ik heb niks tegen links, maar ze hebben er niets van gemaakt, en die ander zegt dat hij mijn omstandigheden wel kan verbeteren.'' Zo iemand heeft toch geen keus?'

De linkse partijen moeten daarom vooral niet de conclusie trekken dat ze nog meer naar rechts moeten opschuiven, aldus Keman. 'Over een jaar is zo'n kiezer weer ontevreden over deze regering. Dan merkt hij de nadelen van meer asfalt en van een basisstelsel voor de ziektekosten. En dan zegt hij: ze moeten niet aan de verzorgingsstaat gaan zitten, en ze moeten mensen wel met respect behandelen.'

Het probleem van links is vooral een probleem van legitimatie, concludeert Keman. 'Links moet niet in abstracties praten, moet standpunten en beleid zichtbaar maken. De PvdA heeft bijzonder veel last van de arrogantie van de macht. Ze belooft veranderingen maar overtuigt niet in de aanpak.'

Paul de Beer (45), die vorig jaar promoveerde op het proefschrift Over werken in de postindustriële samenleving, is het niet eens met deze analyse. Volgens econoom De Beer, medewerker van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR), verkeert links al sinds het einde van de Koude Oorlog in een identiteitscrisis.

De Beer: 'De gebeurtenissen van 1989 en later hebben bij links de twijfel doen toeslaan. Men dacht dat die gevolgen zouden hebben voor de sociaal-democratie als ideologische stroming. Dat is vreemd, want sociaal-democraten hebben in het verleden tot de meest felle bestrijders van het communisme behoord. Ze hadden de instorting van het communisme ook als een overwinning kunnen vieren.'

Maatschappelijke veranderingen hebben volgens De Beer de verwarring bij links doen toenemen. 'Grote ideologieën zijn altijd bepaald geweest door sociaal-maatschappelijke verhoudingen - in klassieke marxistische termen de strijd tussen arbeid (links) en kapitaal (rechts). Maar sommige ontwikkelingen van de afgelopen tien jaar zijn moeilijk in dat kader te plaatsen.'

De Beer noemt de opkomst van het fundamentalisme en de manifestatie van de islam in de eigen samenleving. 'Om daarmee om te gaan, volstaat het traditionele sociaal-economische denkraam niet. Daar heeft links geen echt bevredigend antwoord op gevonden.'

Desondanks denkt hij dat het de grote fout van links, en vooral de PvdA, is geweest dat men te snel heeft geconcludeerd dat sociaal-economische verhoudingen geen rol meer spelen. 'Die zijn nog steeds belangrijk, al raken ze nu soms ondergesneeuwd door culturele tegenstellingen. Want waarom hebben wij problemen met de multiculturele samenleving? Toch in de eerste plaats omdat een groot deel van de etnische-minderheidsgroepen in Nederland sociaal-economisch op grote achterstand staat.'

Tegelijkertijd zijn op dit traditionele speelveld van links grote veranderingen opgetreden. Het is niet meer zo duidelijk, zegt De Beer, dat linkse partijen voor een bepaalde groepering staan, zoals vroeger de arbeiders, of het modelgezin met de man als kostwinner.

De scherpe scheidslijn tussen hoge en lage inkomens, tussen arbeid en kapitaal, is aan het vervagen. 'Dat zie je ook bij de vakbeweging, die zich afvraagt welke achterban ze nu precies moet mobiliseren. Mensen herkennen zich veel minder als onderdeel van een bepaalde sociaal-economische categorie.'

De aard van de problemen is echter niet wezenlijk veranderd, constateert hij. Mensen ontlenen hun welzijn nog steeds vooral aan hun sociaal-economische positie. 'Werk blijft ontzettend belangrijk. Dat zul je zien als de werkloosheid weer gaat oplopen.'

Alleen, de manier waarop Paars de aandacht richtte op 'werk, werk, werk' was niet herkenbaar als links. 'Het doel van werk is dat het armoede bestrijdt, mensen een welvarend bestaan biedt. Maar tegelijk met de groei van de werkgelegenheid zijn de laatste jaren ook de inkomensverschillen gegroeid. Kijk maar naar het armoedepercentage in Nederland. Dat is stabiel. De problemen die je met het scheppen van werk wilde bestrijden, heb je maar zeer ten dele opgelost.'

Je kunt stellen dat de PvdA niet meer duidelijk solidair was met de minst bedeelden. De Beer: 'Solidariteit is het belangrijkste onderscheidende element tussen links en rechts. Het bieden van gelijke kansen. Het gaat daarbij trouwens om solidariteit van alle burgers met elkaar, niet alleen met sociaal zwakkeren.'

En met immigranten. Vooral op dit punt is het solidariteitsbeginsel van links in de problemen gekomen, aldus De Beer. 'Dat is misschien het grootste dilemma voor de sociaal-democratie: dat de verzorgingsstaat alleen te behouden is als je de aanspraak erop beperkt houdt. De verzorgingsstaat sluit per definitie mensen uit. De solidariteit die je via de verzorgingsstaat in eigen land in stand wilt houden, gaat haast per definitie ten koste van de solidariteit met groepen uit andere landen.'

Maar hoe moet je die twee vormen van solidariteit combineren? Daar heeft links nog geen overtuigend antwoord op gevonden, aldus De Beer. 'Het enige wat zeker is, is dat je die nationale solidariteit niet kunt opofferen aan internationale solidariteit, als je een grote linkse beweging wilt blijven. Dus moet je de keuze maken dat je de aanspraak op onze welvaart van mensen buiten ons land moet beperken.'

De Beer concludeert dat links terug moet 'naar de wortels'. De oude beginselen bieden volgens hem ook in moderne, geïndividualiseerde samenleving prima aanknopingspunten: 'De beginselen zijn nog uitstekend toepasbaar, al zijn ze tegenwoordig soms moeilijker te vertalen naar ''moderne problemen'' zoals culturele of ethische kwesties. Je kunt niet volstaan met teruggrijpen naar de oude aanpak. Maar de oplossingen die je bedenkt voor nieuwe problemen, moeten passen binnen die oude beginselen.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden