De wetenschap vereist een eigen kamer

Een eigen plek is op elke buitenlandse universiteit de norm, maar bij ons wordt de wetenschapper de straat op gejaagd.

Aanstaande maandag keren tienduizenden studenten terug naar de collegebanken. Maar hun docenten zullen waarschijnlijk niet meer op hun eigen werkkamer te vinden zijn. Het 'nieuwe werken' - waarbij het kantoorkamertje moet worden verruild voor met steeds meer mensen gedeelde ruimtes, flexplekken, en het faciliteren van thuiswerken - heeft ook op de universiteit zijn intrede gedaan.

Uit een klein vergelijkend onderzoek blijkt dat bij 7 van de 8 Nederlandse universiteiten door sociale wetenschappers met een vaste aanstelling kamers worden gedeeld, al varieert de intensiteit van het delen tussen de 25 procent en de 90 procent. Vier van de zeven respondenten verwachten dat in de nabije toekomst meer kamers zullen worden gedeeld, of op flexplekken zal worden gewerkt.

Deze werkvorm is echter bij uitstek ongeschikt voor wetenschappelijk werk. Om onderzoek te kunnen doen moet je analytisch redeneren en schrijven, waarvoor een hoge mate van concentratie noodzakelijk is. Gesprekken met collega's, promovendi en studenten, waaronder soms inhoudelijk ingewikkelde en soms slechtnieuwsgesprekken, behoeven privacy. De gevestigde hoogleraar lost dit op door zo veel mogelijk thuis te werken, met negatieve gevolgen voor het contact met studenten en collega's, maar niet per se voor zijn onderzoek. Het is veel lastiger voor de beginnende docent en onderzoeker, die minder verdient, kleiner behuisd is, maar juist meer onder druk staat om te publiceren. Het eigen kamertje, hoe klein ook, is van groot belang voor deze groep.

De Nederlandse praktijk staat haaks op de internationale wetenschappelijk omgeving. Vrijwel overal buiten Nederland (in 25 van de 26 onderzochte universiteiten) heeft de vaste staf, van docent tot en met hoogleraar, een eigen kamer. Niet alleen op topuniversiteiten, maar ook op universiteiten die ongeveer gelijk aan de Nederlandse universiteiten op internationale kwaliteitslijsten staan, blijkt het hebben van een eigen kamer de norm te zijn.

De buitenlandse respondenten beschouwen bovendien de eigen kamer als een basisconditie voor wetenschappelijk werk. Het moeten delen van kamers zou volgens een afdelingshoofd van New York University tot 'rebellie en vertrek naar elders' leiden.

De grote vraag is waarom Nederland, dat zichzelf als kennisland profileert, als enig land in de survey niet de eigen kamer als norm hanteert. De bevolkingsdichtheid en daarmee samenhangende hoge vierkantemeterprijs van onroerend goed in Nederland biedt geen afdoende verklaring, aangezien ons sample een aantal locaties (o.a. Kyoto, Londen, New York, Singapore) omvat waar deze kosten nog hoger zijn. De economische crisis biedt ook geen verklaring: vrijwel overal ter wereld kampt het hoger onderwijs met bezuinigingen, in sommige landen veel meer dan in Nederland.

De survey doet vermoeden dat de besturen van Nederlandse universiteiten bij het nemen van huisvestingsbeslissingen alleen elkaar, en niet de internationale omgeving waarin ze beweren te opereren, als referentiekader beschouwen. Nederlandse universiteiten brengen door het delen van kamers tot structurele norm te verheffen hun internationale concurrentiepositie in gevaar. Uit het vergelijkend onderzoek blijkt dat deze praktijk problemen oplevert - niet alleen voor het werkklimaat, maar tenslotte ook voor het aantrekken en vasthouden van de beste wetenschappers.

Als de Nederlandse universiteiten zich voortaan alleen met elkaar willen meten, en de kloof tussen de Nederlandse en de internationale praktijk niet van belang vinden, is er niets aan de hand. Maar als zij de toekomst van Nederland als 'kennisland' serieus willen nemen, moet de trend richting kamerdelen en flexwerken worden omgebogen. De beweging richting het 'nieuwe werken' in de Nederlandse universiteiten staat de ambitie die zij tegelijk ook hebben, om verder te stijgen op de internationale ranglijsten, in de weg. Ze steken op dit punt nu al negatief af bij de degelijke maar niet excellente universiteiten waarmee zij volgens de huidige rankings vergelijkbaar zijn. Goede wetenschappers kijken over de grenzen en blijven niet als de elders gebruikelijke eigen werkkamer ze hier wordt ontzegd. De Nederlandse universiteiten zullen zo hun positie zien dalen, met weer verdere gevolgen voor het aantrekken van staf en uiteindelijk ook studenten.

Brian Burgoon en Marlies Glasius zijn hoogleraren politicologie aan de Universiteit van Amsterdam.

Daniel Thomas is hoogleraar internationale betrekkingen aan de Universiteit Leiden.

Willemijn Verkoren is directeur van het Centrum voor Internationale Conflict Analyse en Management (CICAM) aan de Radboud Universiteit Nijmegen.

Wolfgang Wagner is hoogleraar internationale veiligheid aan de Vrije Universiteit Amsterdam.

Dubravka Zarkov is hoofddocent Gender, Conflict en Ontwikkeling aan het Institute of Social Studies in Den Haag.

undefined

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden