De wesp in de werkkamer

Nergens krijgt de wereld zo'n persoonlijk gezicht als in het dagboek. Vandaag begint op de Voorkant een nieuwe rubriek met dagboekfragmenten, van alle tijden en uit alle windstreken....

door Erik van den Berg

'Donderdag 7 februari 1974. Laat opgestaan, papa moest me drie keer roepen. Brood met appelstroop, Feeling Groovy op de radio. Het is nu kwart voor tien, Engels bij Dekker. We lezen Macbeth. Vorige week in Rotterdam met z'n allen naar de Polanski-film geweest, errug goed.' Het zijn geen mededelingen waarvan je opkijkt, maar mijn oude schoolschrift staat er vol mee: avonturen uit het leven van een middelbare scholier, die ze belangrijk genoeg vond om er pagina na pagina in vlekkerig vulpenschrift mee te vullen: 'Half elf. Ik eet nu een dropje, gekregen van John Peemen.'

Onbenullig? Ongetwijfeld. Maar in een dagboek hebben dropjes nu eenmaal hun plaats. Ze horen bij de ingrediënten die het genre zijn smaak geven, tezamen met gemopper over het weer, boodschappenlijsten, ommetjes en al het kleins dat de dagboekschrijver het noteren waard acht.

Maar met alleen huis-tuin-en-keukengekeuvel zijn we er niet. Juist de mengeling van groot en klein, van achtertuin en wereldpolitiek maakt het privé-dagboek tot wat het in zijn ideale gedaante is: een geheime toegang tot het onopgesmukte, 'echte' leven, zo subjectief als het maar kan en juist daardoor met een niet te overtreffen sensatie van waarachtigheid.

Samuel Pepys beschrijft in zijn beroemde Diary hoe in september 1666 Londen door brand wordt verwoest. Na adembenemende bladzijden vol paniek en geblakerde resten noteert hij opeens: 'Ik heb een andere vrouw voor Betty aangezien en haar, in de stellige overtuiging dat zij het was, een klap op haar achterste gegeven.' Er zijn dikke boeken geschreven over 'the great fire of London', maar niemand laat je de verbijstering en de angst zo duidelijk voelen als Pepys, misschien wel juist door dat plotseling uit vuur en rook opdoemende achterwerk.

En lees wat de Dordtse literator Kees Buddingh' op 24 september 1970 in zijn werkkamer beleeft: 'Als je beneden de deuren openzet, heb je meteen wespen binnen. Hier - drie meter hoger - staan de deuren al een paar uur open en nog geen wesp gezien. Zouden ze, nu het later in het seizoen wordt, niet meer zo ver van de grond komen?' Het antwoord volgt na een regel wit: nog geen minuut later zoemt een wesp bij de schrijver binnen. 'Weer een minuut later: ik heb hem alweer naar buiten geholpen' (Verveling bestaat niet, De Bezige Bij 1972).

Triviaal? Misschien. Maar het is de vraag of de verdwaalde wesp valt los te zien van de 'ernstige' onderwerpen waar Buddingh' in die jaren óók over schrijft: Idi Amin bijvoorbeeld, of de Drie van Breda. W.F. Hermans zou Buddingh's hang naar ditjes en datjes een paar jaar later ongenadig hard aanvallen (onder de kop 'Bijzonder aardig, prima prima' in NRC Handelsblad; een stuk dat bijdroeg aan de depressie die Buddingh' lange tijd van het schrijven hield). Maar neem het volgende dagboekfragment: 'Een van mijn favoriete tijdstippen van de dag: eind winter, begin voorjaar, als het nog licht is en de lantarens toch al branden' (Wat je zegt ben je zelf, 1970). Niet om meteen bij vol te schieten misschien: maar onmiskenbaar een variant op het klassieke vanitas-motief; in doordeweekse vermomming en daardoor wel zo aardig.

Het dagboek is het factotum van de letteren. Alles kan, geen gebeurtenis of gedachte is het genre te groot of te min. Buddingh's wesp past er evengoed in als Anne Franks Achterhuis, Che Guevara's guerrilla evengoed als de erotische misère van Hans Warren ('al ruim een week zweert het, niet alleen aan de slijmvliezen van mijn penis, maar ook in mijn endeldarm') of de religieuze tucht van Ignatius van Loyola.

Die vermenging van het persoonlijke en het universele, liefst in één ademtocht, is volgens de Duitse literatuurhistoricus Gustav René Hocke de kostbaarste eigenschap van het genre. Hocke is geïnteresseerd in het onliteraire van dagboeken, het haastige en particuliere dat de ruwe waarheid achter de gepolijste geschiedschrijving laat zien. De zuiverste dagboekvorm is voor hem die waarin de schrijver (liefst in het geniep) alleen voor zichzelf schrijft en zichzelf dus, nemen we aan, niet mooier voordoet dan hij is.

Een voorbeeld is de o zo ijdele en schraperige, maar springlevende Pepys, die zijn dagboek in geheimschrift noteert en zijn avontuurtjes met de keukenmeid uit extra voorzorg verstopt achter een dubbele code van Latijn en Frans. De eerste uitgave van 'the best bedside book in the English language' (volgens de Encyclopaedia Britannica) verscheen pas ruim honderd jaar na Pepys' dood, in 1825.

Die late publicatie mag Pepys onverdacht maken, maar in algemene zin: hoe zeker kunnen we zijn dat de dagboekschrijver ons niet met een vroom gezicht verhaaltjes op de mouw speldt? Hoe ijdel of oprecht was bijvoorbeeld Nederlands gevierdste dagboekschrijver, Hans Warren, in zijn zucht naar genadeloosheid en ontmaskering - 'jegens anderen maar vooral ook tegenover mijzelf'?

Kort voor Warrens dood legde Kester Freriks hem in NRC Handelsblad die vraag voor, naar aanleiding van zijn vijftiendelige Geheim Dagboek - een reeks bekentenissen waarvoor de uitdrukking 'openhartig' tekort schiet. Ging u anders schrijven, vroeg Freriks, sinds u wist dat u de dagboeken openbaar zou maken? Nee, echt niet, antwoordde Warren: 'Ik vind niets zo erg als vervalste dagboeken, waarin de auteur zich met veren en lauweren opschikt om goede sier te maken of zichzelf te verbergen.'

Hocke houdt het erop dat élke gedachte aan publicatie de schrijver corrumpeert. Hij citeert André Gide: 'Het idee dat mijn dagboek, zelfs maar een deel ervan, uitgegeven kan worden, heeft zijn essentie misvormd.' We zijn dan op pagina 19 van Hockes levenswerk en hebben er nog een dikke 1100 te gaan. Europäische Tagebücher aus Vier Jahrhunderte is een Duitser dan Duits boek - een persiflage haast op het definitieve standaardwerk waarin de ene voetnoot de andere baart. De inleiding beslaat 543 pagina's en is onderverdeeld in gietijzeren hoofdstukken met angstaanjagende titels als 'Ursprünge und Entwicklungen der Selbsterkenntnis' en 'Diaristik in Gewaltsamen Ordnungssystemen'.

Het Britse taalgebied kent een even bloeiende, maar minder dreunende dagboektraditie. Het verbaast daarom niet dat de Britse Hocke, Simon Brett, genoeg heeft aan een kwinkelerende inleiding van zes pagina's. Alleen al door zijn nuchtere verantwoording ('the best one can hope for, is to present an entertaining selection') herinnert Bretts The Faber Book of Diaries aan het oude grapje over Europese cultuurverschillen. Hoe heet het standaardwerk over de kameel? In Frankrijk is het een in fluweel gebonden bandje: Le chameau et ses amours, de Britten koesteren hun Camels and camel hunting en de Duitsers verpletteren iedereen met Das Absolute Kamel, von der Steinzeit bis zur Gegenwart, in Fünfzehn Bände, mit Farbtafeln und Index.

En toch. Hoe 'entertaining' Bretts bloemlezing ook is (Evelyn Waugh, 7 januari 1954: 'Intens koud. Wollen ondergoed aangetrokken.'), hij haalt het niet bij Hocke, die grommend in de eerste versnelling een eindeloze klim begint, om ten langen leste een magistraal uitzicht op zijn onderwerp te bieden. Het dagboek, betoogt de auteur in zijn slotexposé, is het Europese literaire genre bij uitstek, veel meer dan de roman of het essay dat zijn.

Uit goedgekozen citaten, van aristocratische krullendraaiers tot onbekende zwoegers, spint Hocke een eeuwen omspannend web van spirituele, gekwelde, diepzinnige of gewoon babbelzieke egodocumenten, waarbij uit het onaffe en fragmentarische van de dagboekstijl een panorama van de Europese cultuur verrijst.

Hocke publiceerde zijn pil in 1963; zijn pleidooi voor een her- en opwaardering van het genre lijkt niet voor niets geweest. Alleen al het succes van de serie Privé-domein (247 titels in 35 jaar) illustreert dat dagboeken niet alleen nog steeds geschreven worden, maar ook dat lezers ze gretig blijven lezen.

In de Verenigde Staten is het dagboekschrijven zelfs uitgegroeid tot een complete industrie, met bijbehorende productiecijfers. Wie het omvangrijkste dagboek op zijn naam bracht, is geen geheim: Robert Shields uit Dayton, Washington, legde in drie decennia zowat elke minuut van zijn leven vast. Sinds 1972 typte hij 40 miljoen woorden bij elkaar. Zijn favoriete onderwerpen: wat hij eet, zijn bloeddruk en wat hij leest in de krant.

Talrijke websites en how-to-boeken helpen de aspirant-dagboekauteur op weg naar zelfinzicht en succes. Omineuze titels als The Art of Finding Yourself, A Journalkeeping Workbook for Self-Intimacy en Self-Awareness and Self-Help Through Journalling roepen wel de vraag op in welke termen Hocke déze bloei had beschreven.

Het dagboek floreert, dat is zeker. Hoeveel landgenoten dagelijks op hun zolderkamer de ervaringen van de dag van zich af zitten te pennen is niet bekend, noch hoeveel van die ego-documenten op de een of andere manier een publiek bereiken. Het Nationaal (voorheen Rijks-) Archief in Den Haag beheert wel een flink aantal registraties van egodocumenten, maar een afzonderlijk dagboekencentrum kent Nederland niet. Voor het echte overkoepelende werk moeten we in Frankrijk zijn.

Te Ambérieu-en-Bugey, een stadje in de buurt van Lyon, beheert de Association pour l'autobiographie (APA) een gestaag uitdijend archief van Franse particuliere dagboeken. Ze worden gelezen, gerubriceerd op onderwerp (van amour tot vie rurale), toegankelijk gemaakt en in bloemlezingen op de markt gebracht. Een activiteit die correspondeert met de enorme schrijflust waarmee de Fransen hun dagboeken bijhouden. Volgens een peiling van het ministerie van Cultuur hielden in 1999 minstens drie miljoen Fransen een journal intime bij.

Onafzienbaar, die woordenzee. Vanzelf dringt zich de tekst op waarmee Cesare Pavese op 18 augustus 1950 zijn dagboek beëindigt. 'Geen woorden. Een gebaar. Ik schrijf niet meer.'

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden