De werkloze als klusjesman?

Het invoeren van dienstencheques lijkt een eng idee, maar onder bepaalde voorwaarden kan het volgens Hans Bosselaar soelaas bieden voor werklozen....

HET kabinet doet er alles aan om langdurig werklozen aan het werk te krijgen. En hoewel de missie gezien de financiële meevallers en de economische groei de wind mee heeft, geeft minister Melkert nu al toe dat een grote groep langdurig werklozen de komende jaren werkloos zal blijven.

Maar ook voor deze groep heeft de minister nu een oplossing: de dienstencheque. Voor een beperkt bedrag, in de vorm van een cheque, kunnen werklozen voor de (werkende) medemens de klusjes in en rond het huis opknappen.

Het heeft iets engs, de dienstencheque. De arbeidsmarkt wordt met name gevuld door blanke, goed opgeleide jongemannen (en een aantal dito vrouwen). Zij verdelen de baantjes en het beschikbare geld. En omdat zij hiervoor zó hard moeten werken dat ze geen tijd meer overhouden voor hun kinderen, het huishouden en het tuinonderhoud, mogen langdurig werklozen deze klusjes opknappen.

Met het invoeren van dienstencheques wordt, zo lijkt het, definitief het streven naar herverdeling van betaald en onbetaald werk vaarwel gezegd, en leggen we ons definitief neer bij de tweedeling in de samenleving.

Tot zover de negatieve kant van de dienstencheques, maar er zijn ook positieve kanten. Jarenlang hebben langdurig werklozen thuis zitten te wachten op betere tijden, in afwachting van werk, werk en nog eens werk.

Sommigen zagen in dat dit tot niets zou leiden. Zij gingen zelf op zoek naar een zinvolle invulling van hun tijd: klusjes voor de buren en familie, vrijwilligerswerk voor de voetbalclub, de vakbond, en andere werkzaamheden. Liefst tegen beperkte betaling.

Wanneer deze langdurig werklozen daadwerkelijk activiteiten vonden, konden zij bijna altijd rekenen op negatieve reacties. Vanuit de directe omgeving: 'Zie je wel, je kunt best werken.' Vanuit de sociale dienst: 'Korting op de uitkering, eventueel met sanctie.' Of vanuit de politiek: 'Ze kunnen wel, maar willen niet.'

Geen van deze commentatoren maakte zich zorgen over het ontbreken van sociale zekerheid, pensioenopbouw en andere verworvenheden, waarvoor het werkende deel van Nederland al in staking gaat als de inflatie niet wordt gecorrigeerd.

Maar goed, de positieve kant dus. Met de dienstencheque kan de langdurig werkloze eindelijk aan de slag, zonder bang te zijn voor een korting op de uitkering en met de mogelijkheid om het bestaansniveau iets op te krikken.

Echter, negatieve reacties uit de omgeving en repressie van de kant van de sociale dienst zijn dan nog niet uitgesloten. Dat hangt af van de vorm waarin de dienstencheque wordt gegoten, en wie er gebruik van mogen maken. De dienstencheque lijkt te kunnen rekenen op een maatschappelijk draagvlak, maar dan moet wel aan een aantal voorwaarden worden voldaan.

Ten eerste: het systeem van de dienstencheques moet alleen gelden voor de kansloze werklozen. Wanneer alle werklozen gebruik mogen maken van de dienstencheque, kan dit leiden tot calculerend gedrag van werklozen. Immers, ook de werkloze schoolverlater zal de dienstencheque kunnen gebruiken om zijn uitkering op te schroeven. In een aantal gevallen zullen werklozen niet meer gemotiveerd zijn om betaald werk te aanvaarden.

Wanneer uitsluitend kansloze werklozen het recht krijgen om voor dienstencheques te werken, wordt dit negatieve aspect uitgesloten, en zal de procedure sneller maatschappelijk worden geaccepteerd.

Het is overigens niet zo vreemd om een onderscheid te maken tussen kansrijke en kansarme werklozen. In het Centrale Bestuur voor de Arbeidsvoorziening is men zeer gewoon over kanslozen te praten. Alleen noemen zij deze in het jargon 'werkzoekenden in fase C of D'. Zij bedoelen daarmee de werkzoekenden die door de arbeidsmarkt niet meer worden geaccepteerd, bijvoorbeeld de oudere langdurig werklozen.

Een tweede voorwaarde moet zijn dat dienstencheques altijd moeten worden gecombineerd met een uitkering. Werk dat wordt betaald met een dienstencheque is geen volwaardig werk. Het is goedkoop legaal werk, om te voorkomen dat het zwart gebeurt. Hierdoor valt het niet onder de normale voorwaarden van betaalde arbeid: ontslagbescherming, pensioenopbouw en dergelijke.

Het zijn dus activiteiten die niet in plaats van, maar naast de uitkering worden verricht. Wanneer een poging wordt gedaan dit werk in reguliere banen te gieten, wordt het te duur en verdwijnt het werk weer in het zwarte circuit. Voor de kansloze werkloze, die meestal al jaren op het minimum verkeert, vormen de bijverdiensten op de uitkering de mogelijkheid om uit een situatie van armoede te komen.

Een maximum aan bijverdiensten zou de derde voorwaarde moeten zijn. Hoewel het hier uitsluitend gaat om de positieverbetering van de kansloze werklozen, zal de samenleving niet accepteren dat men ongelimiteerd bijverdient naast de uitkering. Uit recent onderzoek blijkt dat meer dan de helft van de bevolking het acceptabel vindt dat uitkeringsontvangenden bijverdienen als dit ligt tussen de tweehonderd en vijfhonderd gulden per maand.

De vierde voorwaarde moet zijn, dat deelname plaats vindt op basis van vrijwilligheid. Minister Melkert ziet in de dienstencheques vooral een methode om betaald werk te creëren. Maar de klusjes waarvoor de dienstencheques zullen worden gebruikt, zijn geen reële opties op betaald werk. Daarom zou het onterecht zijn het werken voor de dienstencheques verplicht te stellen. Het lijkt overigens ook overbodig: de dienstencheque biedt werklozen de mogelijkheid uit het maatschappelijke isolement te komen en wat bij te verdienen.

Als vijfde en laatste voorwaarde wil ik noemen dat het systeem van de dienstencheques niet moet worden geïnstitutionaliseerd. Als allerlei instanties zich op het systeem van dienstencheques gaan gooien, wordt het systeem gauw te duur. De dienstencheque zou moeten dienen om zwart werk wit te krijgen. Hiertoe dient het bedrag van de cheques laag genoeg te zijn om niet binnen het systeem weer de verleiding te creëren zwart te werken. Daar willen wij juist vanaf.

Bij institutionalisering bestaat de kans op afroming van het werklozenbestand. Uitvoerenden zullen, tuk op het halen van hun succesquota, onder de verleiding staan de kansrijken in plaats van de kanslozen te kiezen voor het project van de dienstcheques.

MINISTER Melkert ziet in het systeem van de dienstencheques een manier om van kanslozen weer kansrijken te maken. Maar sommigen kanslozen zijn werkelijk kansloos, en dat heeft niet alleen te maken met persoonsgebonden factoren. Wat doe je bijvoorbeeld met de honderdduizenden herkeurde WAO'ers? Op hen zit de arbeidsmarkt echt niet te wachten.

Ik ben van mening dat de dienstencheque moet worden ingevoerd voor de positieverbetering van de kansloze werklozen; enerzijds om hun inkomen op te krikken, anderzijds om hun sociale participatie te vergroten. Met moet de discussie over de dienstencheque niet verwarren met die over de herverdeling van van betaalde en onbetaalde arbeid.

Hans Bosselaar is onderzoeker bij het Instituut voor sociaal-wetenschappelijk beleidsonderzoek en advies te Tilburg, en auteur van 'Doorbraak van de buitenspelval. Nieuw beleid voor langdurig werklozen' (Uitg. Jan van Arkel, Utrecht).

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.