De wereld in een Turks koffiekopje

JE KOMT uit Denemarken, je zit in Griekenland op een regenachtig terras en je bestelt Turkse koffie. In plaats van een slok te nemen, kijk je hoe de regen in het kopje valt, hoe het kopje begint over te lopen en hoe de inhoud langzaam aan helderder wordt....

De man in het kopje lijkt je aan te kijken en het valt je op dat de gevel van het Chinese paviljoen net zo gebarsten is als de binnenkant van het porseleinen kopje: 'met een glans die door het wingerdloof heen licht/ het wingerdloof dat ook gesleten is/ als in een kop'. Steeds duidelijker kijkt de man omhoog en plotseling bekruipt je het vermoeden dat je het zelf zou kunnen zijn, in een andere tijd, op een andere plaats, maar in dezelfde regen en met hetzelfde verlangen naar zonlicht. Nog meer verdunt de regen de koffie en terwijl je je blindstaart op de gebeurtenissen in het kopje, ziet de Chinees in jouw plaats 'de zon verschijnen door een groen blad/ dat in de kop is gevallen// de kop waarvan de inhoud/ nu volkomen helder is'.

Het is een uitgekiend spel met spiegels en perspectiefwisselingen dat de Deense dichter Henrik Nordbrandt speelt in wat als een van zijn beroemdste gedichten geldt, 'China beschouwd in een Griekse regenbui in café turque'.

Het gedicht opent zijn eerste bundel met vertalingen die in Nederland is verschenen, Droombruggen, en is tevens opgenomen in een recent verschenen verzamelbundel met twintigste-eeuwse Deense poëzie, Een maan door het koren.

Wie aan Denemarken denkt, denkt niet in de eerste plaats aan poëzie. Knalgele koolzaadvelden, vriendelijke mensen die pas van zich laten horen als de euro eraan komt, een aan saaiheid grenzende rust. De sprookjes van Andersen, de gewetenswroeging van Kierkegaard, veel meer dringt niet tot ons door uit de Deense literatuur. Laat staan poëzie.

Des te beter dat daar nu op uitvoerige wijze verandering in komt. Vertaler Gerard Rasch koos samen met Annelies van Hees, docente Deense literatuur aan de Universiteit van Amsterdam, twintig dichters uit die tezamen een representatief beeld moeten geven van honderd jaar Deense poëzie. Beiden vertaalden een helft, Van Hees schreef het merendeel van de inleidingen.

Wat opvalt aan deze selectie is een grote voorkeur voor gedichten met een romantische kijk op de eigen identiteit. Zo debuteerde Klaus Rifbjerg in 1956 met de bundel Onderzoek naar mezelf en Ole Sarvig noemde een van zijn bundels Het ik-huis. Ook de eerste Deense modernist, Johannes V. Jensen, bezondigde zich, ondanks de hem in 1944 toegekende Nobelprijs, aan regels als: 'Deze duivelse botsing van psychische klanken/ maakt de transcendentale pijnvibraties vrij/ die mijn diepste ik uitmaken.'

Een ander in het oog springend kenmerk is de veelheid van gedichten die over het dichten zelf gaan, de zogenoemde 'metapoëzie'. Interessant voor academici en collega-dichters, maar in de meeste gevallen komt een dergelijke thematiek de zeggingskracht niet ten goede. 'Ik schrijf als de wind/ die schrijft met het rustige schrift/ van de wolken', schrijft Inger Christensen, een uitspraak die ze vervolgens in tien varianten herhaalt. Pia Tafdrup schrijft op haar beurt 'Om de steen op te tillen' of 'Om een verzegelde poort te openen', al geeft ze toe dat de ware drijfveer meestal minder verheven is: 'Achter alle woorden/ achter al het schrijven/ de begeerte/ naar/ de begeerte.'

Interessanter zijn dichters als Per H*jholt en S*ren Ulrik Thomsen. Ook zij schrijven regels die de toets der zelfkritiek niet zouden mogen doorstaan, maar toch laten zij een eigen geluid horen. H*jholt schreef een intrigerende reeks met in de hoofdrol een beklagenswaardige piramide, Thomsen weet als een van de weinigen een zekere humor in zijn poëzie aan te wenden: 'Ik heb zo genoeg van rockmuziek;/ het is een mes dat een spoor over je schedel trekt/ parallel aan de migraine die er recht onder zit.'

De Poolse dichters die Gerard Rasch eerder vertaalde, Wislawa Szymborska en Zbigniew Herbert bijvoorbeeld, hebben een toon die zo eigen is dat elk Szymborska- of Herbert-gedicht, in vertaling, direct als een Szymborska- of Herbert-gedicht te herkennen is. Onder de twintig Deense dichters lijkt zich vooralsnog geen stem te bevinden die zich op soortgelijke wijze onderscheidt. Of toch misschien Henrik Nordbrandt?

Het fraai uitgegeven Droombruggen is een keuze uit dertig jaar poëzie. Nordbrandt woonde lang in Turkije, Griekenland en Italië. Gedichten als 'Baklava', 'Mediterende kameel' en 'Aan een eucalyptus' bieden dan ook de verrassende blik van een noorderling die zich verbaast over een mediterraan landschap en over het feit dat hij zich juist daar, meer dan tussen de koolzaadvelden, thuisvoelt. Nordbrandt schreef zelfs een Turks kookboek.

In zijn poëzie weet hij reizen en afscheid nemen op een even kleurrijke als pijnlijke manier in beeld te brengen. Een van de mooiste voorbeelden staat in het gedicht 'Waarheen we ook reizen': 'En in welke steden we ook verblijven/ altijd kwelt ons de ongrijpbare nabijheid/ van de huizen - te laat is het om er terug te komen/ van de tuinen - te laat is het om er een maannacht door te brengen/ en van de vrouwen - te laat is het om hen te beminnen.'

Nordbrandt combineert hier zijn liefde voor de hem omringende, exotische wereld met een pessimistisch gevoel over de onmogelijkheid een wezenlijk en blijvend contact te leggen. Met een land, met een huis, met een geliefde, met zichzelf. Hij sluit het gedicht af met de veelzeggende regels: 'En in welke rivieren we ons ook spiegelen/ we zien onszelf pas nadat we ons hebben omgedraaid.' Het vele reizen, hoe interessant dat ook mag zijn, is in wezen niets anders dan een vlucht voor de leegte.

Wat Nordbrandt van zijn collega-dichters onderscheidt is niet een ontbreken van sentiment, maar een vermogen om dat sentiment tegenwicht te geven. Hoezeer alles ook tegen kan zitten, voor Nordbrandt is er altijd nog een wereld om te verkennen en om je over te verbazen. Een wereld die oneindig groot is, maar die zich, als je geluk hebt, laat vangen in zoiets kleins als een Turks koffiekopje.

En alleen die zintuiglijke ervaringen maken op een gegeven moment het leven nog de moeite waard. Anders gezegd, alleen zij bieden de mens afleiding van dat waar niemand aan ontsnapt: 'En zo komt het dat ik nu alleen/ woon, in een roze kamer, in een blauw landschap/ en even erg verlang/ naar wat achter de nevelige bergen is/ als naar wat zich voor zichzelf verbergt/ in mij/ tussen de woorden van je brief./ Blijven is weten./ Reizen is lijden./ Het eerste wil ik niet./ Het laatste breng ik niet meer op.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden