De weg naar vrede liep via Damascus

De Syrische president Hafez al-Assad, vader van Bashar, was de belangrijkste onderhandelaar van het Midden-Oosten. Ten tijde van zijn plotselinge dood leek vrede met Israël binnen handbereik.

Bouthaina Shabaan: Damascus Diary - An Inside Account of Hafez al-Assad's Peace Diplomacy, 1990-2000

Lynne Rienner; 245 pagina's; circa euro 50.


Op 10 juni 2000 overleed de Syrische president Hafez al-Assad op 69-jarige leeftijd aan een hartstilstand. Het gebeurde tijdens een telefoongesprek met een van zijn protegés, de Libanese president Emile Lahoud. Volgens Assads vrouw, die in de kamer ernaast was, waren zijn laatste woorden: 'We zijn het verplicht aan toekomstige generaties.' Lahoud legde later uit dat Assad had gesproken over de noodzaak van vrede in het Midden-Oosten. Hij wilde een einde aan de oorlogen en het bloedvergieten waaraan de regio zo lang was blootgesteld. Het klonk wat opmerkelijk uit de mond van een leider die het terroriseren, manipuleren en tegen elkaar uitspelen van tegenstanders tot kunst had verheven.


Of toch niet? Feit is dat iedere wereldleider op het moment van Assads overlijden overtuigd was dat de weg naar vrede in het Midden-Oosten via Damascus liep. Egypte had weliswaar in 1978 al een vredesakkoord getekend met Israël, en Jordanië had datzelfde gedaan in 1994. Zelfs de Palestijnen hadden hun ceremonie op het Witte Huis gehad: het ondertekenen van de Oslo-akkoorden in 1993.


Assad had deze verdragen echter stuk voor stuk afgewezen als verraad. Hij vond dat de Arabieren Israël gezamenlijk tegemoet hadden moeten treden - onder Syrische leiding - en niet in hun eentje. De Palestijnse leider Yasser Arafat kreeg van Assad te horen dat hij slecht had onderhandeld. 'Voor elk onderwerp in dit akkoord heb je een nieuw akkoord nodig', schamperde hij. Hij kreeg gelijk.


Assad wilde overigens wel degelijk vrede met Israël, maar alleen op zijn voorwaarden. Hij gaf niets cadeau. Dennis Ross, de Amerikaanse Midden-Oostengezant, schreef in zijn memoires: 'Assad zag discussie als een sport. Onderhandelen was een uitputtingsslag, en hij hield het altijd langer vol. Hij had nooit haast. Hij kon goed leven zonder akkoord, zeker als dat niet voldeed aan zijn eisen van waardigheid en eer.'


Bovendien onderhandelde Assad met het mes op tafel. Het mes, dat waren groepen als Hezbollah die op de Amerikaanse lijst van terreurorganisaties prijkten maar een warm onthaal kregen in Damascus. Als het langs diplomatieke weg niet vlotte, begon Hezbollah katjoesja-raketten af te schieten op Israël.


Op geniale wijze manoeuvreerde Assad zich altijd weer in het middelpunt van de Midden-Oostendiplomatie, vaak door eerst een crisis te forceren en zich dan te presenteren als redder. In Damascus was het een va-et-vient van ministers en staatshoofden. Zelfs Bill Clinton kwam in 1994 op bezoek. In die tijd verkoos men Assad niet te zien als de meedogenloze dictator die in 1982 in de stad Hama een opstand had laten neerslaan ten koste van dertigduizend doden - een blauwdruk voor de wijze waarop zijn zoon Bashar dertig jaar later te werk zou gaan - maar als een nuttige 'sterke man' met wie je zaken kon doen. Assad paste perfect in het beeld dat tot de Arabische Lente in het Westen opgeld zou doen: dat stabiliteit in het Midden-Oosten alleen kon worden afgedwongen met bajonetten.


Als hij zou kunnen zien hoe Syrië er anno 2013 voorstaat, zou Assad zich omdraaien in zijn graf. Dat zijn standbeelden worden omgetrokken en bewerkt met schoenzolen, zou hem het minst deren. Maar dat Assads Syrië, het kloppend hart van het Arabisch nationalisme, zijn zetel in de Arabische Liga heeft moeten afstaan aan een zootje ongeschoren rebellen, dat zou onverteerbaar zijn. Of het verlies van Libanon, dat zijn zoon Bashar erfde als een Syrisch protectoraat maar verkwanselde door politiek geblunder. Het ergste is wellicht dat het Syrische leger dag en nacht moet vechten om Damascus International Airport open te houden, waar ooit leiders als Nixon, Kissinger en Clinton arriveerden om Syrië het politieke gewicht te geven dat het volgens Assad toekwam.


Nu Syrië een lange periode van instabiliteit te wachten staat, kun je je afvragen: heeft de wereld met Hafez al-Assad de laatste kans op vrede in het Midden-Oosten gemist? Ja, meent Bouthaina Shaaban in Damascus Diary. Tot zijn dood was zij Assads tolk en adviseur bij zijn gesprekken met Amerikaanse gezanten, ministers en presidenten. Inzet: vrede met Israël. Ze was erbij in Madrid in 1991 tijdens de vredesconferentie waar Syriërs en Israëli's elkaar voor het eerst openlijk ontmoetten. Ze hoorde hoe Assad en Clinton tijdens hun onderonsjes graag over hun moeder spraken. En ze keek toe hoe Assad de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken Warren Christopher met satanisch genoegen het bloed onder de nagels vandaan haalde door hem een dag in zijn hotel te laten wachten.


Dat het nooit tot vrede met Israël kwam, lag volgens Shabaan niet aan Assad. 'Hij zei vaak: ik wil een vredesakkoord dat toekomstige generaties lang na mijn dood nog kunnen verdedigen.' Maar het viel haar ook op dat die urenlange onderhandelingen vrijwel nooit over de essentie maar altijd over de randvoorwaarden gingen. 'De meeste tijd en energie werden opgeslokt door de plaats van de meeting, de datum, de beste manier om contact te houden, en dan weer de datum van de volgende meeting. Inhoudelijke kwesties vermeed men, omdat de standpunten zo gecompliceerd waren en zo ver uiteenlagen. Ik heb nooit zo'n systematische en opzettelijke tijdverspilling op een dergelijk hoog niveau gezien.'


Bouthaina Shabaan is een vrouw met twee gezichten. Aan de ene kant is zij het moedige 18-jarige meisje uit een straatarm Syrisch gezin dat in de zomer van 1971 aanklopt op de deur van de Militaire Academie in Homs met de woorden: 'Ik wil president Hafez al-Assad spreken.' Haar doel: toegelaten worden tot de universiteit. Onder de indruk van haar intelligentie besluit Assad haar te helpen bij haar loopbaan.


Twintig jaar later is Shabaan niet meer weg te denken uit de elite in Damascus. Zij is dan het charmante, Engelssprekende gezicht van het regime geworden, de lieveling van westerse diplomaten en journalisten die graag koketteren met een contact binnen de ondoordringbare Syrische top, ook al is de informatie die Shabaan hun toewerpt uiterst selectief.


Achter de keurige moeder en hoogleraar Engelse literatuur gaat echter ook een ander gezicht schuil, dat van een vurige aanhangster van het regime. Haar adoratie van Assad die zij als een Syrische Nelson Mandela beschouwt en die tot haar komt in een droom, is haast Noord-Koreaans. Nu werkt Shabaan als topadviseur van Assads opvolger Bashar. Vanwege het meedogenloze optreden van het Syrische leger hebben de VS haar op de sanctielijst gezet.


In buurland Libanon wordt Shabaan in verband gebracht met de zaak Michel Samaha. Deze voormalige minister werd op 9 augustus 2012 na terugkomst uit Damascus gearresteerd. In de kofferbak van zijn auto werden explosieven gevonden die bedoeld waren om aanslagen te plegen op tegenstanders van Bashar in Libanon.


Dit alles laat onverlet dat Damascus Diary een belangrijk boek is. Dit is de eerste keer dat de vredesbesprekingen tussen Syrië, Israël en de VS in de jaren negentig worden beschreven vanuit Syrisch perspectief. Alles wat we tot nu toe daarover wisten, is geschreven door Amerikaanse en Israëlische onderhandelaars als Dennis Ross, Martin Indyk en Itamar Rabinovich.


Wat Shabaans verslag geloofwaardig maakt, is dat ze citeert uit de oorspronkelijke brieven en notulen die bewaard worden in de Syrische archieven. Haar vloeiende schrijfstijl en persoonlijke observaties doen de rest. We horen Assad tegen de Amerikaanse minister Madeleine Al-bright zeggen: 'Voor minder doe ik het niet. Als ik dat zou doen, zal die persoon die ons zojuist koffie serveerde me vermoorden.'


Shabaan maakt duidelijk dat Assad bijna een vredesakkoord met Israël had gesloten. Veel kwam op het conto van president Clinton: 'Hij ontwikkelde een uitstekende werkrelatie met president Assad die gebaseerd was op vertrouwen en respect en wellicht sterker was dan met wie van Clintons voorgangers ook.' Clinton had in 1994 de Israëlische premier Rabin zo ver gekregen dat hij de gehele Golan die Israël in 1967 veroverd had op Syrië, wilde opgeven in ruil voor vrede. Assad eiste echter dat de Israëlische terugtrekking totaal zou zijn, ofwel tot de grens van 1923 en niet die van 1967. Het verschil is 66 hectare, een detail voor wie naar vrede in het Midden-Oosten snakt, maar een halszaak voor een muggenzifter als Assad. Kort daarop werd Rabin vermoord en was de kans verkeken.


Die 66 hectare bleken ook het breekpunt in maart 2000, toen Assad zijn laatste ontmoeting had met Clinton. Clinton vroeg hem akkoord te gaan met een aantal minimale grenscorrecties die Syrische toegang tot het Meer van Tiberias zouden beperken. Assad ontplofte: 'Waar hebben ze het over? Dat deel van het meer is altijd van ons geweest. Ik zwom erin, samen met mijn collega's, voor de oorlog. Hoe kunnen we dat opgeven?'


Shabaan zag hoe Assad iedereen aankeek en zei: 'Als we het nu niet kunnen terugkrijgen, dan laten we het over aan toekomstige generaties. Maar opgeven, dat nooit.' En weer tekende Assad niet. Drie maanden later overleed hij en daarmee verdween de laatste serieuze kans op vrede met Israël. Shabaan laat subtiel in het midden of zij een andere beslissing had genomen.


Onder diplomaten had Assad de bijnaam 'de ijzeren blaas'. Dit hield verband met de urenlange geschiedenislessen waarop hij zijn gesprekspartners trakteerde, van Saladins verovering van Jeruzalem in 1187 tot het martelaarschap van de Syrische volksheld Yusuf al-'Azma in de strijd tegen de Fransen in 1920. De liters limonade die minder ervaren toehoorders daarbij verveeld naar binnen goten om wakker te blijven, braken na verloop van tijd lelijk op. Van Assads zijde was dat niet louter tactiek. Hij vond dat iedereen moest weten dat het huidige Syrië, zonder Libanon en met zijn willekeurig getrokken koloniale grenzen, slechts een karikatuur was van het werkelijke Syrië dat zich uitstrekte van de Sinai in het zuiden tot het Turkse Taurusgebergte in het noorden.


Assad vertolkte daarmee het Volksempfinden in het Midden-Oosten waar men de conflicten in Syrië, Israël, Irak en Libanon doorgaans terugvoert op de Eerste Wereldoorlog. Feit is dat de Britse verovering van een handvol slaperige Ottomaanse provincies en hun opdeling in kunstmatige staten, een broeinest van oorlog, geweld en terrorisme hebben opgeleverd dat de wereld tot op de dag van vandaag tot wanhoop drijft.


In The Battle for Syria 1918-1920 beschrijft historicus John Grainger hoe de bewoners van Syrië blij waren verlost te zijn van de Turkse overheersers: 'Ze waren echter allerminst gelukkig met het vooruitzicht te worden bestuurd door Fransen, Britten of Arabieren. Bovendien waren de meeste groepen verwikkeld in vetes met anderen, meestal hun buren.'


De Britten hadden allerlei tegenstrijdige beloftes gedaan. Syrië zou volgens het geheim gebleven Sykes-Picotverdrag toevallen aan Frankrijk. De Britten hadden het gebied echter ook beloofd aan sjarief Hussein van Mekka, die het wilde opnemen in zijn gedroomde Arabische koninkrijk. Frankrijk en Hussein wilden de Syriërs zien zoals het hun politiek het beste uitkwam. Hussein zag vooral 'Arabieren', terwijl Frankrijk alleen etnische en religieuze gemeenschappen zag die je tegen elkaar kon uitspelen. Honderd jaar later is er niet veel veranderd. Bashar speelt gewetenloos de sektarische kaart om zijn alawitische minderheidsregime te redden, terwijl Europa en de VS de Syrische rebellen vooral willen beschouwen als een homogene groep oprechte democraten.


Had een andere uitkomst van de Eerste Wereldoorlog de Syriërs hun vreselijke lot kunnen besparen? Grainger denkt van wel: 'Het is gemakkelijk het spelletje 'wat-als' te spelen, maar het lijkt alsof de beste kans op een normale vreedzame ontwikkeling voor Syrië had gelegen in de oprichting van een constitutionele monarchie vanaf 1918 die in elk geval Syrië, Irak en Jordanië zou hebben verenigd.'


Ik geloof er niets van. Ook in een dergelijke staat hadden soennieten, sjiieten en Koerden elkaar naar het leven gestaan. Ook dan zouden jihadstrijders zich hebben opgeblazen omdat God nu eenmaal niet van koningen houdt, en was er nog steeds een Palestijnse kwestie geweest. En leiders die om 66 hectare een historische kans op vrede hadden laten schieten.


John D. Grainger: The Battle for Syria 1918-1920

Boydell Press; 261 pagina's; ca euro 28.


VADER ASSAD

Hafez al-Assad (1930-2000) behoorde tot de invloedrijke alawieten, een minderheid onder de Syrische moslims. Op zijn 16de sloot hij zich aan bij de Ba'ath-partij (Socialistische Partij van de Arabische Herrijzenis). In 1963 kwam de Ba'ath door een staatsgreep aan de macht. Assad werd bevelhebber van de luchtmacht. In 1971 werd hij president. Het leger sloeg in 1982 een opstand in de stad Hama neer. Duizenden burgers, veelal van de onderdrukte soennitische meerderheid en ook leden van de Moslimbroederschap, werden vermoord. Assad steunde Iran in de oorlog tegen het Irak van Saddam Hussein en sloot zich tijdens de Golfoorlog in 1991 aan bij de coalitie met de Amerikanen. Hij werd in 2000 opgevolgd door zijn zoon Bashar al-Assad.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden