De weesjongen van Woerden

Het leven van Evert Willemsz., weesjongen uit Woerden, is niet zo geruchtmakend verlopen dat het stof zou kunnen leveren voor een boek van meer dan negenhonderd bladzijden....

A. TH. VAN DEURSEN

ERASMUS IS Nederland's beroemdste bastaard, en Jan van Speijk onze bekendste weesjongen. Wie Van Speijk was, weet lang niet iedereen, maar hij is spreekwoordelijk gebleven en leeft dus voort. Dat nooit, zei Van Speijk, dan liever de lucht in. Dat ene zinnetje heeft zijn roem steviger gevestigd dan de tweedelige biografie die Jacobus Koning aan hem gewijd heeft. Ik denk niet dat de weesjongen Evert Willemsz. uit Woerden zijn Amsterdamse rivaal van de eerste plaats in het klassement kan verdringen. Maar zijn biografie heeft hij wel, en dit ene boek is dubbel zo dik als de twee van Koning bij elkaar.

Waar heeft Evert Willemsz. al die aandacht aan verdiend? Zijn levensverhaal begint heel gewoon. Hij groeide op in een weeshuis, doorliep de school en moest vervolgens een vak leren. Hij zou kleermaker worden. Maar in de zomer van 1622 ging het helemaal mis met Evert. Hij werd ineens doofstom, korte tijd ook blind en gedeeltelijk verlamd. De kwalen verdwenen even snel als ze gekomen waren, maar de vatbaarheid bleef. Enkele maanden later keerden al de aandoeningen terug. Evert zelf wist ook waarom. De doofstomme kon het niet vertellen, maar wel opschrijven: zijn eerste genezing had te weinig publiciteit gekregen. Men had dit wonder aan de hele wereld moeten verkondigen.

Die boodschap is aangekomen. Evert's tweede genezing voltrok zich in het openbaar, en de hele geschiedenis werd in een pamflet beschreven, compleet met alle boodschappen die Evert door bemiddeling van een engel had ontvangen. Evert zelf vond er de meeste baat bij. Hij kreeg verlof de Latijnse school te bezoeken, met het oog op een toekomstig predikantschap. Hij studeerde enkele jaren in Leiden en werd in 1633 uitgezonden naar de koloniën.

Evert Willemsz., herschapen in dominee Everhardus Bogardus, voer af naar Amerika om de gemeente van Nieuw Amsterdam te dienen. Hij heeft het niet in alle stilheid gedaan. Tussen hem en de directeur van Nieuw Nederland rezen zulke hevige spanningen dat beide in 1647 scheep gingen naar Amsterdam om daar uit te leggen wat ze van elkaar dachten. Op die retourvaart verging het schip. Bogardus en zijn opponent kwamen beiden om het leven.

Een dood in de golven, net als de luitenant ter zee Jan van Speijk. Maar maakt dat hem negenhonderd bladzijden biografie waard? Dat zal niemand geloven, ook Frijhoff niet. Evert Willemsz. is niet een vergeten erflater van onze beschaving. Het gaat ook niet om Evert, of liever: het gaat niet om Evert alleen. Een biografie, zeker, maar dan een biografie in context, zoals Frijhoff het noemt.

Wat moeten we daar nu onder verstaan? Een ouder boek dat aan deze definitie lijkt te voldoen, is dat van J. Wille, De literator R.M. van Goens en zijn kring. Het telt ruim zeshonderd bladzijden en komt niet veel verder dan de jeugd van Van Goens. Als Wille zijn held over straat ziet lopen, licht hij het doopceel van elke voorbijganger. Zijn boek is dan ook een goudmijn voor ieder die iets wil weten over het academisch milieu van de late achttiende eeuw. Frijhoff's biografie heeft daarmee enige gelijkenis. Evert bracht zijn jonge jaren in het weeshuis door. Hoe zag dat er van binnen uit? Precies weten we het natuurlijk niet, maar er is toevallig een boedelinventaris uit 1693, die op interessante wijze doet blijken. . . - dat zijn dan weer zes bladzijden tekst.

Toch is die liefde voor het detail een uitwendig kenmerk. Het is een gedeeltelijke, maar niet meer dan een bijkomstige verklaring van de enorme omvang. Dit boek is geen ouderwetse, met feiten overladen encyclopedische biografie. Het is een zeer moderne proeve van cultuurhistorisch onderzoek. Onze vraag is geweest, zegt Frijhoff aan het slot van zijn verhaal, hoe Evert Willemsz. is omgegaan met de culturele tradities van zijn tijd. Die vormen dan ook het eigenlijke onderwerp. Frijhoff gaat telkens uit van het algemene en laat dan zien hoe dat zijn concrete neerslag heeft in het leven van die ene individuele mens die Evert Willemsz. heette.

Een voorbeeld uit vele: Evert's jeugdervaringen zijn in twee pamfletten vastgelegd. De teksten zijn door anderen gecomponeerd, maar geven letterlijk weer wat Evert zelf tijdens zijn ziekte op losse papiertjes heeft geschreven. Ze dragen dus een autobiografisch karakter. Voor Frijhoff is het niet genoeg dat te constateren. Hij vertelt ook, en stelt zelfs voorop, dat de opkomst van de autobiografie samenhangt met de constructie van een persoonlijk identiteitsbegrip.

Zo wordt dit kleine speciale geval geplaatst tegen de achtergrond van het generale, en van daaruit geïnterpreteerd. Dat gebeurt niet eenmaal terloops, het wordt in het hele boek consequent volgehouden. De vraag is aldoor: hoe dachten en handelden zeventiende-eeuwers? Die algemene kennis geeft ons dan de sleutel in handen voor het verstaan van Evert's persoonlijkheid.

Frijhoff heeft ons daarmee een nieuw soort boek gegeven. Wat hij probeert is wel reeds op kleinere schaal gedaan, om bepaalde aspecten van de zeventiende-eeuwse mentaliteit te belichten. Maar deze totale aanpak is uniek. Frijhoff kan dat, omdat hij over een zeldzame belezenheid beschikt. Hij kent iedere feestbundel, elk obscuur artikeltje in de regionale tijdschriften, elke pas verschenen verzameling congresvoordrachten. Alles wat de geschiedwetenschap in Nederland en daarbuiten wijzer geworden is op het brede terrein van de moderne mentaliteitsgeschiedenis, is hem bekend.

Grondige kennis van de literatuur gaat niet altijd samen met hartstocht voor archiefonderzoek. Wie zijn koffie het liefste drinkt uit de automaten van een openbare archiefbewaarplaats, heeft zelden lust zich na thuiskomst te ontspannen met het laatste artikel over liminaliteit. Frijhoff echter weet het één met het ander te verenigen. Hij is een fanatiek archiefspeurder, die door elk gaatje naar binnen glipt, en tegelijk een onvermoeibaar lezer, die het 'bijhouden van literatuur' niet als zure plicht, maar als bezielende passie ervaart.

Die combinatie moet wel leiden tot boeken van gigantisch volume, en daarvan legt Evert Willemsz. welsprekend getuigenis af. Dat is een min of meer automatisch gevolg van de gekozen werkwijze. De onmiskenbare kwaliteit is dat echter niet. Die komt alleen tot stand als de auteur een man is die de combinatie ook werkelijk aankan.

DAT MAAKT Wegen van Evert Willemsz. tot een bijzonder boek, niet tot gemakkelijke lectuur. Frijhoff schrijft wel over, maar niet voor gewone mensen. Hij spreekt niet de taal van de dagelijkse ervaring. Het gebezigde vocabulaire doet ons geen moment vergeten dat we bezig zijn met wetenschappelijke analyse. Religie, zegt Frijhoff bijvoorbeeld, 'maakt identificaties operationeel. Ze is het narratieve kader waarin Evert zichzelf kan vertellen, en zich als een volwaardige persoonlijkheid kan denken, construeren en presenteren.'

Ik zou een geestelijk gesprek in andere termen beschrijven, maar kan de gedachtengang volgen. Dan lees ik echter twee bladzijden verder dat de boodschap van een teken 'ligt ingebed in een semantisch patroon, dat aan de beperkingen van tijd, ruimte en groep beantwoordt. Op het snijpunt van die drie coördinaten staat de kerk'.

Zo'n formulering herinnert mij niet alleen aan mijn zwakke aanleg voor stereometrie. Ze geeft mij ook het gevoel dat ik in een groepstaal wordt toegesproken, die door gewenning op den duur verstaanbaar wordt, maar consequent weigert zich naar de onnozele lezer toe te buigen. Wegen van Evert Willemsz. is een moeilijker boek dan De kaas en de wormen van Carlo Ginzburg, of The Return of Martin Guerre van Natalie Zemon Davis.

Zulke vergelijkingen maken we onwillekeurig, en dat is op zichzelf al een hulde aan de auteur. Het is een aardige opgave voor werkcolleges deze drie werken eens naast elkaar te leggen. Ze gaan alle drie over gewone mensen. Ginzburg kon zich ook niet begeven in een hoger sociaal milieu, want hij is op zoek naar een autonome volkscultuur. Ook Martin Guerre moest wel een gewone man zijn: object van onderzoek is hier de specifieke groepscultuur waartoe hij behoort.

Voor Frijhoff bestond geen noodzaak zijn held te kiezen onder de eenvoudigen. Zijn recept, toetsen wat iemand van zijn leven maakt vanuit de culturele tradities die hem zijn meegegeven, is in principe algemeen toepasbaar. Had het dus ook Constantijn Huygens of Johan de Witt kunnen zijn? Dat zijn mensen van wie we veel weten, en het duizelt je bij de gedachte aan de vermoedelijke omvang van hun biografieën naar de methode-Frijhoff, maar ze zijn dan ook meer aandacht waard dan Evert Willemsz. alias Everhardus Bogardus. Is Frijhoff's heimelijke motief misschien de voldoening dit curieuze leven ontward te hebben?

Dat brengt ons bij de persoon van Evert Willlemsz. en de manier waarop de historicus met hem dient om te gaan. Zelf heb ik vroeger aan Evert wel geen negenhonderd, maar toch één bladzijde gewijd, en hem zonder pardon gebrandmerkt als een notoire simulant. Frijhoff is heel wat voorzichtiger. 'Wie Evert niet op voorhand tot een bedrieger verklaart - een houding die geen historicus zich kan permitteren - is hem een nauwkeurige analyse van zijn ervaring schuldig, om de patronen van zingeving te ontdekken, waarmee ze onderhuids verweven is'.

Ja, bij voorbaat moord en brand roepen, mag nooit. Maar je kunt wel zo'n verhaal met enige scepsis benaderen.

DE CONCLUSIE kan dan luiden dat er bedrog in het spel is geweest. Dat geloofde ik toen ik dertig jaar geleden deze pamfletten las, en ik geloof het nog. Wat denkt Frijhoff ervan? Dat is niet zo eenvoudig te zeggen. Zijn antwoord is beter doordacht dan het mijne, maar het is niet duidelijker. Hij zou een enquêteur tot wanhoop brengen, als die op zijn formulier geen andere varianten kende dan ja, neen, en geen mening.

Soms lijkt het ja te zijn. 'Schreef Evert wellicht onder goddelijke inspiratie? Of zelfs door goddelijke dwang? In een veranderde bewustzijnstoestand, in geestesvervoering? Van Mozes via de profeten tot de evangelist Johannes zijn de bijbelse voorbeelden daarvan legio.' Evert's tijdgenoot, de theologisch geschoolde courantier Claes van Wassenaer geloofde hem niet, maar dat is geen wonder. Juist als gereformeerd theoloog was hij 'niet meer in staat de mystieke dimensie van simpele lekeheiligheid te herkennen'.

Op andere bladzijden schemert weer iets van een neen door. Evert wilde graag naar de Latijnse school, maar dat ideaal was voor een doorsnee weesjongen onbereikbaar, als hij zich niet op een buitengewone aanleg kon beroemen. Daarvoor was Evert niet go genoeg. Maar hij wist precies wat hij wilde, en nam dus een list te baat. Of begrijp ik dat verkeerd, en school de truc niet in het voorwenden van een bijzondere openbaring, maar in het profijt dat Evert daarvan trok?

Zo blijf je aarzelen tussen ja en neen, tot je beseft wat Frijhoff echt van ons wil: hij vindt dat we deze vraag niet moeten stellen. Belangrijk is niet wat er gebeurd is, maar wat Evert zelf dacht dat hem overkwam. 'Niet de objectieve, maar de subjectieve werkelijkheid doet ertoe.' Nu, ook dan kost het mij moeite te aanvaarden dat Evert ons verslag gedaan heeft van wat hij inderdaad meende te beleven. Er zijn meer zeventiende-eeuwers geweest die wonderlijke ervaringen hebben doorgemaakt. Wat Evert van de anderen onderscheidt, is dat hij er duidelijk beter van geworden is. Ik geloof niet dat bijzondere openbaringen ons met die intentie gegeven worden.

Toch wil ik Frijhoff's opvatting niet veroordelen. Zijn benadering heeft het grote voordeel dat ze ons toestaat diep door te dringen in de zeventiende-eeuwse mentaliteit. Ze leidt tot veel interessantere vragen dan de botte scepsis van Claes van Wassenaer en van mij. Wegen van Evert Willemsz. is geen encyclopedische biografie in de ouderwetse zin. In een modernere zin heeft het boek echter wel encyclopedische allure. Wie de culturele antropologie te hulp wil roepen bij het historisch onderzoek, vindt hier voor bijna elk deelonderwerp een exemplarische proeve van behandeling. Ook wie de schouders ophaalt over de visioenen van de weesjongen, zal de blijvende betekenis van het aldus beschreven levensverhaal erkennen.

Frijhoff toont zich daarin op zijn best. De eerste helft van het boek is spannend en gedurfd. De verandering in Everhardus Bogardus heeft Evert geen goed gedaan. Hij had, zo zou ik uit Frijhoff's eigen boek afleiden, met zijn ambitie te hoog gegrepen. De studie in Leiden heeft hij niet afgemaakt. Frijhoff spreekt vergoelijkend van 'de cultuurschok met de cerebrale theologie', die de gevoelige jongen te veel werd, maar noemt hem elders toch ook een gesjeesd student. Vindingrijk en ambitieus was Evert echter nog altijd. Hij trok dus als ziekentrooster naar Afrika, en maakte vervolgens het opstapje naar het hogere ambt. Zo was de ziener van Woerden dan toch dominee geworden.

Ook in zijn roeping neemt Frijhoff hem ernstiger dan ik zou doen. Waarschijnlijk spreekt daarbij ook een verschil in visie mee. Frijhoff bekijkt het verschijnsel religie vanuit de wetenschap. Zeventiende-eeuwse gelovigen zijn eigenaardige mensen van wie we niet veel weten en die we moeten proberen te doorgronden met behulp van de culturele antropologie. Zelf ervaar ik zeventiende-eeuwse calvinisten als mede-gelovigen van gelijke beweging als wij, maar toch anders als gevolg van het verschil in tijd. Die zienswijze houdt risico in. Ze kan ons tot anachronisme verleiden, als we de overeenkomsten gaan overschatten. Voor wie de zaken zo benadert als Frijhoff, ligt het juist omgekeerd. Zijn risico ligt in de overschatting van het bijzondere, het singuliere van de zeventiende eeuw.

Zo spreekt bijvoorbeeld de jonge Evert God aan als zijn Vader. Sinds de dag dat Jezus zijn discipelen het Onze Vader leerde, hebben miljoenen mensen dat gedaan. Achter Evert's woorden zou ik dan ook nooit gevoelens zoeken die specifiek zijn voor hem alleen. Maar Frijhoff maakt er veel werk van: voor de weesjongen was God het emotionele beeld van zijn eigen vader. Dat is meer dan de bronnen ons in ronde woorden zeggen. Ze vertellen het alleen als sociale wetenschap de teksten van Evert voor ons ontraadselt. Dat lukt niet zonder een flinke dosis speculatie. Meestal geeft Frijhoff's betoog dat ook aan. Zinnetjes als 'hij moet goed hebben aangevoeld. . .' of 'hij had begrepen. . .' waarschuwen ons dat troebele wijn wordt uitgeschonken. Daarom blijft de hele gedachtengang controleerbaar. We weten steeds hoeveel eigen oordeel de auteur aan zijn bron toevoegt.

De betrouwbaarheid van dat oordeel hangt van twee dingen af: het gebruik van de methode en de kennis van de materie. Methodisch hoeft niemand Frijhoff iets te leren. Met de materie heb ik nu en dan moeite. 'Voor de vrome bestond het nieuws uit zonden en rampen', schrijft Frijhoff. Het lijkt mij een halve waarheid. De andere helft zijn zegeningen en wonderen. Heeft Van de Velde niet zijn Wonderen des Allerhoogsten geschreven, en Valerius niet zijn Gedenkklank? De vromen wisten het uit boeken, en ze zagen het bevestigd in hun eigen leven. Daarom denk ik ook dat Evert Willemsz. niet vroom geweest is. Hij was te ongeduldig om op zegen te wachten, en heeft toen zelf zijn wonder maar gemaakt.

Als Frijhoff ons de weesjongen van Woerden dan ook presenteert als de geestelijke zoon van de gereformeerde kerk, en zelfs meer in het bijzonder van de hervormingsbeweging die we de Nadere Reformatie noemen, dan geloof ik dat hij zich vergist. De Nadere Reformatie heeft Evert ook niet erkend. Die traditie heeft een eigen corpus van teksten gevormd, waarin Evert's profetieën niet zijn opgenomen. Frijhoff's boek geeft ook geen enkel voorbeeld dat Evert later nog van zijn wonder bleef getuigen. Ik denk dat hij er zich voor geneerde.

Frijhoff heeft mij dus niet bekeerd. Hij heeft met dit opmerkelijke boek wel een krachttoer volbracht die enig is in zijn soort. Het zal, naar ik aanneem, spoedig vertaald worden. Buitenlanders moeten het dan niet lezen als een studie over de Nadere Reformatie. Wel als een exemplarische proefstuk van wat met deze methode kan worden gedaan.

A.Th. van Deursen

Willem Frijhoff: Wegen van Evert Willemsz. - Een Hollands weeskind op zoek naar zichzelf, 1607-1647.

SUN; ¿ 89,50.

ISBN 90 6168 402 1.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden