De week van het verdriet van het ‘nieuwe Europa’

door Paul Brill..

Over een vooraanstaand minister in de Franse Derde Republiek schreef een latere historicus de gedenkwaardige woorden: ‘Het bleef onduidelijk of de man tot niets dan wel tot alles in staat was.’

Een soortgelijke kwalificatie zou kunnen worden gebruikt voor het hedendaagse Oost-Europa – en dan nemen we dit onheldere geografische begrip zo ruim mogelijk: het hele niet-Russische deel van het Sovjet-rijk waar tot eind jaren tachtig communisten de scepter zwaaiden, dus van Polen tot Bulgarije.

Je zou kunnen zeggen: het is onduidelijk of in Oost-Europa alles mogelijk is of juist niets. Zijn de Oost-Europeanen kampioen hervormen of maken ze er een potje van? Verkeert de regio in een toestand van regressie of worden juist gestage vorderingen gemaakt op weg naar een betere toekomst?

Op het eerste gezicht is het een behoorlijke bende in Oost-Europa. De politiek was er de laatste jaren toch al onderhevig aan enorme fluctuaties: ex-communisten konden bij de ene verkiezingen worden weggevaagd door liberale of nationalistische partijen, om bij de volgende weer triomfantelijk als winnaar uit de bus te komen. Maar de wanorde op het politieke toneel lijkt wel bijzonder groot.

In Polen wankelt de regering nadat de dominante conservatieve partij Recht en Gerechtigheid van de tweelingbroers Lech en Jaroslaw Kaczynski in een paar maanden tijd twee coalitiepartners heeft versleten. Het land is bovendien verdeeld over de uitgesproken onliberale agenda van de Kaczynski’s in immateriële kwesties, zoals homo-rechten, en over de nationalistische toon die in de buitenlandse politiek wordt aangeslagen, met name richting de grote buren Duitsland en Rusland.

Drie maanden na de parlementsverkiezingen lijkt Tsjechië af te stevenen op een nieuwe stembusslag, omdat het niet is gelukt een stabiele meerderheidsregering te formeren. In Slowakije hebben de kiezers zich, na een periode van ingrijpende liberalisering en modernisering, afgewend van de hervormers en hun heil gezocht bij een weerspannig gezelschap van nationalisten en populisten.

De politieke onrust is het hevigst in Hongarije, waar ook de straat zich roert. Al verscheidene malen hebben politie en demonstranten slag geleverd nadat twee weken geleden een geluidsband in omloop kwam waarop te horen was dat premier Ferenc Gyurcsany tijdens een socialistische partijvergadering bekende de Hongaren anderhalf jaar lang onwaarheden te hebben verteld over de economische toestand, die stelselmatig rooskleuriger werd voorgesteld dan ze in werkelijkheid is.

Tenslotte zijn er Roemenië en Bulgarije. Beide landen mochten deze week het genoegen smaken dat ze door de Europese Commissie voldoende waardig zijn bevonden voor het lidmaatschap van de Europese Unie per 1 januari 2007. Een beperkt genoegen, want iedereen weet dat eigenlijk niet aan alle voorwaarden is voldaan en dat een langer verblijf in de wachtkamer dan ook alleszins redelijk was geweest. Maar Brussel vreesde interne onmin van Oost-Europese zijde en een anti-westerse backlash in met name Bulgarije. Daarom werd gekozen voor een noodverband: het Balkan-duo mag wel toetreden tot de EU, maar komt onder gedeeltelijke curatele te staan, zodat kan worden nagegaan of de resterende hervormingen, met name op justitieel vlak en inzake de voedselveiligheid, daadwerkelijk hun beslag krijgen.

Een slimme manoeuvre, die echter ook zijn nadeel heeft. Want hierdoor worden Roemenië en Bulgarije voorlopig toch een beetje tweederangs lidstaten. En zelfs als in de prakrijk de voordelen van het lidmaatschap veruit de overhand hebben, kan dit officieuze merkteken de nationalistische sentimenten in beide landen stevig aanblazen.

Tot zover de donkere kleuren. Nu de lichte. Want wie de economische cijfers (niet afkomstig van Gyurcsany) beziet, kan moeilijk beweren dat Oost-Europa diep in de shit zit. De economische groei is gemiddeld 2 tot 3 procent hoger dan in West-Europa. In vergelijking met 1989 is de levensstandaard met bijna 40 procent toegenomen. Ondanks alle turbulenties in hun landen stralen Oost-Europeanen die zich op het Europese toneel bewegen, vaak een opmerkelijk elan en optimisme uit.

Volkskrant-correspondent Jan Hunin wees er deze week op dat het misnoegen dat de laatste tijd vooral op de hoofden van voormalige communistische politici neerdaalt, kan worden gezien als een verlate afrekening met ruim veertig jaar opgelegd communisme. Dat daarbij tevens het hervormingsbeleid wordt afgeschoten, is dan in zekere zin een kwestie van collateral damage.

Daarbij kan het geen kwaad te bedenken dat weerstand tegen pijnlijke hervormingen bepaald geen exclusief Oost-Europees verschijnsel is. EU-zwaargewichten als Duitsland en Frankrijk hebben er nog steeds de grootste moeite mee, al hebben hun politieke leiders nog zo plechtig verklaard dat ze van de Unie de modernste en veerkrachtigste economische zone ter wereld willen maken. En als we het over gesjoemel met economische gegevens hebben: Italië, een van Europa’s founding fathers, wordt er tot op de dag van vandaag van verdacht wat al te creatief om te gaan met zijn begrotingscijfers.

Daarmee is niet gezegd dat de problemen in het voormalige Oostblok van luttele betekenis zijn. Een stabieler politiek klimaat is dringend gewenst. Maar laten we in het ‘oude Europa’ kalm blijven en nog niet gaan roepen dat we allemaal zieke mannen met ‘hervormingsmoeheid’ aan boord hebben.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden