De week van Gordon en de schimmen van Felipe en Helmut

Ook in de journalistiek is timing van eminent belang. Op dit punt blijkt het weekblad Newsweek een goede hand te hebben....

Paul Brill

Overigens heeft het onderwerp sociaal-democratie in de week van de Europese verkiezingen natuurlijk ook de nodige actualiteitswaarde. Op het moment dat ik dit schrijf, hebben in veel lidstaten van de Europese Unie de kiezers nog niet gesproken. Maar duidelijk is wel dat de traditionele sociaal-democratische en socialistische partijen er, op een enkele uitzondering na, slecht voor staan.

Dat is eigenlijk al vele jaren het geval, maar je zou mogen verwachten dat links in een tijd van economische crisis, waarbij het kapitalisme in zijn ongebreidelde vorm vergaand in diskrediet is geraakt en overheidsinterventie weer als een probaat middel wordt beschouwd, de wind in de zeilen zou krijgen. Niets daarvan. Weliswaar wint radicaal links enig terrein (zij het ook niet overal), maar de gevestigde linkse partijen zitten hevig in de verdrukking.

Van de 27 regeringsleiders in de EU zijn er slechts zeven van linkse huize. In de vier grote Europese landen regeert één sociaal-democraat, namelijk Brown – en het water is hem tot de lippen gestegen. De Franse socialisten zijn hopeloos verdeeld, links in Italië is zelfs te krachteloos om munt te slaan uit de strapatsen van Silvio Berlusconi en de Duitse sociaal-democraten hebben de grootste moeite overeind te blijven in de grote coalitie met de christen-democraten van Angela Merkel.

In Newsweek beschrijft de Britse Labour-parlementariër en oud-minister Denis MacShane een recente conferentie van vooraanstaande socialistische politici in Athene, waar de sprekers ouderwets van leer trokken tegen het neoconservatisme en het neoliberalisme alsof de tijd sinds november 2008 heeft stilgestaan en alsof scherpe aanvallen op George Bush de kiezers er thans nog toe kunnen brengen om hun stem te geven aan linkse partijen. Waarbij ook voorbij wordt gegaan aan het feit dat keynesiaanse recepten ter genezing van de zieke economie, die vroeger bij uitstek door sociaal-democraten werden aanbevolen, inmiddels behoren tot het standaard-instrumentarium van niet-linkse politici, Barack Obama voorop – terwijl juist de Duitse SPD-minister van Financiën Peer Steinbrück op de rem staat en waarschuwt tegen ‘bot keynesianisme’.

In Athene slaagden de verzamelde linkse leiders er niet in een gedurfd, aansprekend beleidsalternatief te formuleren, waaraan de hele Europese sociaal-democratie zich zou kunnen warmen. MacShane wijt dit aan twee dingen: een verkeerd zelfbeeld en een halfhartige houding tegenover de globalisering en het vrije ondernemerschap. Ik vertaal het in mijn eigen woorden: veel sociaal-democraten zijn behept met een ouderwetse perceptie van hun partij en van de arbeidersklasse die ze menen te vertegenwoordigen.

In werkelijkheid zijn sociaal-democratische partijen kaderorganisaties van merendeels academisch gevormde, professionele politici geworden. Voor zover hun achterban nog uit georganiseerde werknemers bestaat, zijn ze veeleer in de publieke sector te vinden dan in het particuliere bedrijfsleven. Hun belangen sporen vaak niet met die van andere werknemers en van de ‘nieuwkomers’ op de arbeidsmarkt die gebaat zijn bij meer flexibiliteit. In dat spanningsveld opereert de sociaal-democratie weifelend. Ze slaagt er niet in een evenwichtige koers uit te stippelen tussen de harde rotswand van de globalisering en de zachte berm van de verzorgingsstaat, zoals ze ook grote moeite heeft de begrippen multiculturalisme en nationale identiteit met elkaar te verenigen.

Maar de lotgevallen van Brown laten zien dat er ook nog iets anders in het geding is. Tot op grote hoogte is de Britse premier eigenlijk een voorbeeldige moderne sociaal-democraat. In economische vraagstukken heeft hij een grote deskundigheid ontwikkeld. Hij is zich bewust van de uitdagingen waarvoor de Britse economie wordt gesteld door de globalisering. Tegelijk was hij een van de eerste westerse leiders die de reikwijdte van de kredietcrisis onderkenden en die zich inzetten voor overheidsingrijpen en versterking van het internationale toezicht op het kapitaalverkeer.

Maar hij mist ten ene male het charisma en oratorisch talent van Tony Blair. Op niet-economisch terrein opereert hij onzeker. Als hij de huidige politieke crisis overleeft, komt dat louter doordat veel partijcoryfeeën vrezen voor hun eigen hachje.

Het geeft aan dat de sociaal-democratie niet alleen ideologisch in de knel zit, maar ook te kampen heeft met een tekort aan breed gewaardeerde kopstukken die boven hun partij uitsteken. Vooral in de grotere landen. De politieke leiders met het meeste gezag komen van rechts: Merkel en Nicolas Sarkozy. José Luis Zapatero is bij lange na geen Felipe Gonzalez, de PS van François Mitterrand zit opgescheept met kijvende dames, de SPD van Willy Brandt en Helmut Schmidt met een paar betonblokken. Eigenlijk is er maar één leider aan wie sociaal-democraten heuse inspiratie kunnen ontlenen – maar die huist in Washington en wil liever niet links worden genoemd.

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden