De week van de worsteling van Europa met zichzelf

Het is onwaarschijnlijk dat Franse vakbondsleiders trouwe lezers van The Economist zijn. Maar mocht dat wel het geval zijn, dan staat hun deze week een verrassing te wachten....

Paul Brill

Franse vakbondsleiders zullen allicht geneigd zijn om in dit tableau van de ‘spreekbuis van het Angelsaksische kapitalisme’ de zoveelste aanwijzing te zien dat hun president hard op weg is de economische concepten van het perfide Albion (en van het nog onzaliger Amerika) te importeren. Maar daarmee zouden ze het verhaal van The Economist geen recht doen.

Want Sarkozy vertegenwoordigt hier niet louter zichzelf, hij staat voor Le modèle français, zoals Merkel het Modell Deutschland personifieert en Brown The Anglo-Saxon model. En het saillante is dat de (anonieme) commentaarschrijver van The Economist met zo veel woorden erkent dat Frankrijk, met zijn grote publieke sector en dirigistische traditie, en Duitsland, met zijn corporatistische inslag en budgettaire prudentie, vooralsnog beter bestand zijn gebleken tegen de economische crisis dan Groot-Brittannië. De verzorgingsstaat, meer in het bijzonder de grotere bescherming tegen ontslag, heeft niet alleen gefungeerd als een schokbreker voor kwetsbare geledingen van de maatschappij, maar ook als een ‘automatische stabilisator’ van het consumptieniveau, waardoor er minder draconische stimuleringsmaatregelen hoefden te worden genomen dan in de Angelsaksische landen.

Heeft het economische model van continentaal Europa daarmee zijn superioriteit bewezen? Laten we ons voorlopig tot één hoeraatje beperken. Want er zitten een paar addertjes onder het gras.

Om te beginnen staan sommige grote Europese landen, die in grote lijnen hetzelfde model hanteren, er praktisch even slecht voor als de Britten en de Amerikanen. Italië – het enige G7-land waar de productiviteit in de afgelopen tien jaar is gedaald – kampt met veel te hoge arbeidskosten en een loodzware staatsschuld, die oploopt naar 120 procent van het bruto nationaal product. Spanje heeft te stellen met een recordwerkloosheid: 17,4 procent, twee keer zo hoog als het Europese gemiddelde.

Er is ook wel wat af te dingen op de weerbaarheid van een land als Frankrijk. Sarkozy wil er heden ten dage liever niet aan worden herinnerd, want met het modèle français valt nu goede sier te maken (al zullen de vakbonden wel eeuwig argwanend en ontevreden blijven). Maar in de verkiezingscampagne van twee jaar geleden heeft hij wel degelijk een lans gebroken voor de introductie van, zeg maar, meer Angelsaksische elementen in de Franse economie. Minder overheidsregulering, meer flexibiliteit in de arbeidsverhoudingen. En met goede reden, want dezelfde mechanismen die het land nu behoeden voor een abrupte terugval, hinderen het concurrentievermogen en vormen in betere tijden een krachtige rem op de groei. Met een werkloosheidscijfer van 8,6 procent hoeft Frankrijk zich momenteel niet te schamen, maar het probleem is dat het aantal werklozen vaak net zo hoog is als de wereldeconomie in veel betere conditie verkeert. Toen Sarkozy in 2007 de verkiezingen won, was het werkloosheidspercentage al een kwart eeuw lang niet lager dan 8,5 geweest.

Het laatste addertje is misschien wel het giftigste. Opvallend afwezig in de pikorde is namelijk José Manuel Barroso, de voorzitter van de Europese Commissie. De vaandeldrager van de Europese samenwerking speelt bij dit soort exercities geen rol.

Nu is dat op zich niet zo vreemd en hoeven we er geen tranen over te vergieten. Historische patronen laten zich niet gemakkelijk uitwissen. Vanaf het begin van de kredietcrisis is duidelijk dat bij dit soort calamiteiten de nationale staat nog altijd als eerste wordt aangesproken. En dat die zich ook – in verschillende gradaties – vóélt aangesproken. Vandaar dat we vooral veel intergouvernementeel overleg zien en dat ‘Brussel’ in de hele crisis weinig meer dan een bijrol speelt.

Maar de politieke retoriek is een andere – die staat bol van de verwijzingen naar het grensoverschrijdende karakter van de problemen en van de noodzaak met één Europese stem te spreken in de wereld. Dezelfde Economist die nu op speelse wijze een sterkte-zwakteanalyse maakt van de economische modellen in Europa, had twee weken geleden een hilarisch – maar ook tamelijk genant – verhaal over het Europese onvermogen om een enigszins overzichtelijk beleid te voeren ten opzichte van China. Met name de grote landen proberen allemaal de favoriete gespreksgenoot (en handelspartner) van Peking te worden. Sommige EU-lidstaten hechten eraan bepaalde politieke beginselen uit te dragen, andere zwijgen daar liever over.

Met als gevolg dat het in Peking weliswaar een komen en gaan is van Europese delegaties (in 2007 waren het er niet minder dan 450), maar dat Europa per saldo weinig gewicht in de schaal legt. Om het maar eens in ouderwets maoïstisch jargon te zeggen: Europa is een papieren tijger.

Daarvoor zijn goede excuses aan te voeren. Maar niemand moet vreemd opkijken als de Europese kiezers volgende maand laten merken dat ze de kloof tussen pretentie en werkelijkheid toch iets te groot vinden.

Reageren? vk.nl/opinie

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden