De week van de valkuilen in de Duitse Oostpolitiek

Schuift Duitsland weer langzaam op naar de voorkant van het Europese toneel? Is het bezig de hoofdrol te heroveren die vorig jaar met zo veel bravoure was gekaapt door het Frankrijk van Nicolas Sarkozy?...

Duitse commentatoren spreken er hoogstens sotto voce over – Duitsland en machtswil vormen in de Duitse publieke opinie nog steeds een onbehaaglijk stemmende combinatie. Maar buitenlandse waarnemers voelen zich minder geremd. Het door bondskanselier Angela Merkel georganiseerde topberaad in Berlijn wordt gezien als een duidelijk signaal dat Duitsland genoeg heeft van het Europese gezwabber (en gekibbel) in de pogingen greep te krijgen op een economische crisis die zich almaar lijkt te verdiepen.

Voor de toenemende Duitse bezorgdheid bestaat een dwingende aanleiding: de vrije val waarin de economieën van Oost-Europa zijn beland, een val die nog een stuk dramatischer is dan de recessie waaronder West-Europa heeft te lijden. Tot op grote hoogte hebben de Oost-Europeanen de problemen aan zichzelf te wijten: een lichtzinnig streven om binnen de kortste keren de levensstandaard van het Westen te bereiken, veel te weinig budgettaire discipline, miljarden aan buitenlandse investeringen die opgingen aan niet-productieve bestedingen.

Maar het heeft voor het ‘oude Europa’ weinig zin om tegen de nieuwe lidstaten van de Europese Unie ‘eigen schuld, dikke bult’ te roepen. De financiers van de Oost-Europese zeepbel zijn vooral banken uit Oostenrijk, Duitsland, Zweden en Italië. Die hebben nu acute zorgen, want de schuldenaars kunnen niet meer aan hun betalingsverplichtingen voldoen. Oostenrijk, waar de banken de grootste bedragen in Oost-Europa hebben gestoken, heeft de EU gevraagd een noodfonds voor Oost-Europa ter waarde van 150 miljard euro te creëren. Voorlopig moeten de getroffen landen – waarvan er sommige niet eens lid zijn van de EU – het doen met een hulppakket van 24 miljard euro, met de complimenten van de Europese Ontwikkelingsbank, de Europese Investeringsbank en de Wereldbank.

Om meerdere redenen is de Oost-Europese nood een last die in het bijzonder op de schouders van Duitsland drukt. Allereerst is er het soortelijk gewicht van de Duitse economie. Want met alle energie en politieke vernuft van Sarkozy kan Parijs toch niet op tegen de betaalkracht van Duitsland, qua omvang de op drie na grootste economie ter wereld. Een economie die overigens in sterke mate wordt aangedreven door export – ook een reden waarom Berlijn een aantrekkelijke afzetmarkt als Oost-Europa beter niet kan laten verpieteren.

Maar er is ook een politiek-strategische dimensie. Duitsland heeft zich bij uitstek sterk gemaakt voor de oostwaartse uitbreiding van de EU. Dat gebeurde vanuit een visie op de plaats die het graag inneemt. Met de integratie van de voormalige cordon sanitaire van de Sovjet-Unie vormt Duitsland immers niet langer een ‘grensstaat’, zoals in de Koude Oorlog, maar ligt het waarlijk in het hart van Europa. Maar dan moet dat nieuwe deel van Europa wel redelijk stabiel (en liefst ook pro-Duits) zijn, anders vervallen de voordelen. En dat is de grote angst bij de crisis van de Oost-Europese economieën: dat daardoor het speelveld wordt vergroot voor nationalistische en andere militante krachten, die de hele regio uit haar evenwicht kunnen brengen.

Dit gevaar is extra groot doordat de verhouding tussen Duitsland en Oost-Europa de laatste jaren toch al veel te wensen overlaat. Want op zijn beurt had en heeft Oost-Europa niet alleen economische, maar ook politiek-strategische motieven voor aansluiting bij de EU (en de NAVO). Europa levert beschutting tegen de macht die de Oost-Europeanen de meeste vrees inboezemt: de macht die zetelt in Moskou.

Om die reden zagen de meeste Oost-Europese regeringen met lede ogen toe hoe Duitsland onder Gerhard Schröder, de vorige bondskanselier, de banden met Rusland steeds meer aanhaalde. Schröder gaf hoog op van zijn vriendschap met Vladimir Poetin, die hij een ‘pure democraat’ noemde. De Duits-Russische relatie was in zijn ogen een ‘strategisch partnerschap’. Voor Russische mensenrechtengroepen toonde hij geen interesse. Als klap op de vuurpijl sloot hij een overeenkomst over de aanleg van een gaspijpleiding door de Baltische Zee, die regelrecht indruiste tegen de belangen van EU-partner Polen.

Sinds het aantreden van Merkel is de relatie met Rusland duidelijk zakelijker geworden. Ze permitteert zich een kritischer toon en besteedt meer aandacht aan de oostelijke buren. Maar behoedzaamheid blijft troef. De Duitse politiek kent een aanzienlijke stroming – met vertakkingen in alle partijen – die aan een hechte band met Moskou minstens evenveel waarde toekent als aan de Atlantische samenwerking. Er zijn bovendien grote commerciële belangen in het geding.

Toch lijkt het erop dat Schröders russofilie echt passé is. In een interessante bijdrage aan het jongste nummer van Foreign Affairs ontwaart Constanze Stelzenmüller een kentering in Duitse politieke kringen, die vooral het gevolg zou zijn van het Russische optreden in de Kaukasus. Er zou – vooral onder jongere politici – een groeiend besef zijn dat de belangen en waarden van Duitsland en Rusland meer uiteenlopen dan de notie van het ‘strategisch partnerschap’ veronderstelt.

Dit laat onverlet dat Berlijn een speciale relatie met Moskou zal blijven nastreven – en daar heeft heel Europa baat bij. Maar nog wenselijker is dat dit niet langer gebeurt over de hoofden van de Oost-Europese buren.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.