De week van de schaduw van James Bond in Teheran

Zouden de ayatollahs te veel naar James Bond kijken? En zouden ze van de weeromstuit zijn gaan denken dat M (Judi Dench!) de ware aanstichter is van hun huidige perikelen?...

Paul Brill

Een van de meest bizarre aspecten van de wijze waarop het Iraanse bewind de protesten tegen het geknoei met de verkiezingsuitslag heeft proberen te bagatelliseren en verdacht te maken, zijn de tirades tegen de vermeende Britse intriges. In vergelijking met wat Londen in de schoenen werd geschoven, kwamen zelfs Israël en de CIA – twee gecertificeerde haatobjecten – er genadig af.

In zijn vrijdaggebed wees Ali Khamenei, de hoogste geestelijk leider, de Britse regering aan als de ‘kwaadaardigste’ van allen die het op de islamitische heilstaat hebben gemunt. Manuchehr Mottaki, de minister van Buitenlandse Zaken, wist te melden dat Groot-Brittannië vliegtuigen vol spionnen naar Iran had gestuurd.

Hoe die in hemelsnaam het land waren binnengekomen, vertelde hij er niet bij. Maar in de ogen van de ayatollahs staan de Britten kennelijk voor niets. Een paar jaar geleden werd door ayatollah Ahmad Jannati, vooraanstaand lid van de Raad van Hoeders, met grote stelligheid beweerd dat de bomaanslagen in de Londense metro van juli 2005 waren geregisseerd vanuit Downing Street 10. In deze denktrant is het totaal niet vreemd dat premier Gordon Brown, die in eigen land met grote moeite overeind blijft en inmiddels niet meer dan 16 procent van de kiezers aanspreekt, wel over bijzondere krachten – en duivelse sluipwegen – beschikt om in Iran 2 miljoen demonstranten op de been te brengen.

Dit is een duidelijk geval van ‘autocratische waanzin’, zoals New York Times-columnist David Brooks de mentaliteit van het Iraanse bewind deze week betitelde. Een term die is ontleend aan het werk van Hannah Arendt. Naarmate autocratische regimes langer in het zadel zitten, raakt hun kijk op de werkelijkheid steeds meer vertroebeld. Ze kunnen zich niet voorstellen dat mensen verandering willen. Ze maken zichzelf wijs dat dit alleen maar door ophitsing kan komen. Complottheorieën tieren welig.

In het geval van Iran komt er nog een portie godsdienstwaanzin bij. Laten we niet vergeten dat dit het regime is dat in de oorlog met Irak vele duizenden kinderen het slagveld op stuurde om de door de tegenstander gelegde landmijnen tot ontploffing te brengen, een missie waarvoor ze stante pede beloond zouden worden met een ereplaats bij de Allerhoogste.

Verscheidene hoge geestelijken staan een letterlijke interpretatie van de Koran voor. Een van hen is ayatollah Mohammad Taghi Mesbah-Yazdi, die geldt als de spirituele leidsman van president Mahmoud Ahmadinejad. Hij behoort tot een groep geestelijken die de huidige regering nog te weinig islamitisch vinden en die bijvoorbeeld het begrip volkssoevereiniteit principieel afwijzen. Aan verkiezingen hechten ze geen waarde, en Mesbah-Yazdi zou dan ook een fatwa hebben uitgevaardigd die electorale fraude omwille van een hoger doel toestaat.

Toch zou het verkeerd zijn om hieruit de conclusie te trekken dat er louter halve garen aan het roer staan in Teheran, die in hoge mate onberekenbaar zijn. Wat een positiebepaling tegenover het bewind in Iran zo lastig maakt, is dat het inderdaad onderhevig is aan fanatieke impulsen, maar dat er onmiskenbaar ook rationele (machts)calculaties worden gemaakt. Zoals er ondanks alle dwang en controle toch ook een zekere, moeilijk te doorgronden ruimte is voor debat en meningsverschillen.

De grote vraag is nu of die ruimte na de revolte tegen de dubieuze verkiezingsuitslag nog steeds groot genoeg is om het zaad van de twijfel aan het theocratische gedachtegoed uit te strooien. Met hardhandig optreden en veel intimidatie zijn de protesten de kop ingedrukt. Dankzij de benoeming van vele getrouwen op sleutelposten hoeft Ahmadinejad zich voorlopig geen zorgen te maken over de loyaliteit van het veiligheidsapparaat.

Maar sinds de verkiezingen van 12 juni en vooral sinds de enorme protestbetoging van 15 juni is er wezenlijk iets veranderd in Iran. Ongeacht of Mir Hossein Mousavi wel of niet de werkelijke winnaar is van de verkiezingen, is komen vast te staan dat er een breed draagvlak is voor meer vrijheid en democratie – breder dan zowel de machthebbers zelf als veel buitenlandse waarnemers dachten.

Door de gebeurtenissen heeft het aanzien van het bewind flinke schade opgelopen. Er rijst meer dan ooit een ernstig geloofwaardigheidsprobleem wanneer het zich opwerpt als toeverlaat van alle onderdrukte moslims. In het bijzonder heeft Khamenei aan gezag ingeboet. Door zo ondubbelzinnig de kant van Ahmadinejad te kiezen kan hij niet langer poseren als een geestelijk leider die boven de partijen staat. Hij heeft zich vereenzelvigd met verkiezingsbedrog, vriendjespolitiek en repressie.

Tegelijk is duidelijk geworden dat er tot in de top van het bewind verdeeldheid heerst. De kampen zijn niet makkelijk te definiëren, maar is toch wel sprake van een aanzienlijke groep ‘hervormers’ die de koers op z’n minst willen bijstellen. Ahmadinejads milities mogen dan de straten van Teheran hebben gezuiverd van betogers, maar het lijkt er niet op dat ze alle dissidente geluiden kunnen doen verstommen.

De buitenwereld moet daarop maar zijn hoop vestigen, want er valt weinig externe invloed uit te oefenen op de situatie in Iran. Maar de aantasting van de reputatie van iemand als Ahmadinejad is al reden genoeg om het glas te heffen. Een martini bijvoorbeeld – shaken, not stirred.

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden