De week van de Israëlische kiezers, hun angst en ambivalentie

Iemand die iets wit noemt terwijl bijna alle andere toeschouwers de kleur zwart zien, is a) niet goed wijs, b) een manische dwarsligger, of c) een zeldzaam begenadigde waarnemer....

In de internationale commentaren op de Israëlische verkiezingsuitslag luidde het vrijwel unanieme oordeel: Israël heeft een ruk naar rechts gemaakt. Een opmerkelijk dissident geluid kwam van Shmuel Rosner, een Israëlische columnist die geregeld in Amerikaanse bladen publiceert (ditmaal in The New Republic).

Ruk naar rechts? Het lijkt wel zo, maar het is optisch bedrog, betoogde Rosner. Deze verkiezingen hebben geen duidelijke winnaar opgeleverd, alleen een aperte verliezer, namelijk de ideologie.

Uitgesproken, militante linkse en rechtse partijen nemen een marginale positie in. In feite bevinden de meeste kiezers zich in het midden – en het enige, zij het zeer netelige probleem is dat ze maar niet kunnen besluiten welke partij de meest geëigende representant is van hun middenpositie, aldus Rosner.

Om deze stelling te onderbouwen schotelt hij een wel zeer creatieve indeling van het Israëlische politieke landschap voor. In zijn optiek loopt het centrum feitelijk van halverwege de Likud via Kadima tot en met de Arbeidspartij en omvat het zelfs een klein deel van het electoraat dat thans onderdak heeft gevonden bij het rechts-nationalistische Yisrael Beitenu van Avigdor Lieberman. Zo bezien is het centrum goed voor 60 à 65 zetels in de Knesset. De ware middenpartij is natuurlijk Kadima, die allicht een hogere score had gehaald als ze niet was geplaagd door de deconfiture van premier Ehud Olmert. Daardoor keerden veel kiezers die in 2006 de Likud hadden verruild voor Kadima, deze partij weer de rug toe en kon ze haar zeteltal alleen behouden door de komst van kiezers die anders hun stem op de Arbeidspartij of zelfs het links daarvan staande Meretz zouden hebben uitgebracht.

Wat niet deugt aan Rosners voorstelling van zaken, is dat op deze manier in feite bijna alle democratische verkiezingen kunnen worden gereduceerd tot golfbeweginkjes binnen het brede midden. Het politieke spectrum verschuift als het ware mee met de verkiezingsuitslag. Tzipi Livni en Benjamin Netanyahu zijn dan het janusgezicht van precies dezelfde politieke lijn – een zienswijze die past bij het afgemeten ideologische denkraam dat Rosner nu juist als een marginale curiositeit beschouwt. Er wordt geen recht gedaan aan het feit dat een kleine koersverlegging het verschil kan uitmaken tussen perspectief en uitzichtloosheid, tussen een spiraal naar boven en eentje naar beneden (om met Joop den Uyl te spreken).

Toch is Rosners analyse niet helemaal onzinnig. Twee dingen relativeren de ‘ruk naar rechts’. Het eerste is dat er in Israël, anders dan in de Angelsaksische wereld of in Frankrijk, eigenlijk geen breed gedragen, filosofisch gegrondvest en in intellectuele debatten ontwikkeld conservatisme bestaat. Er is een rechts-religieuze stroming, maar die neemt inderdaad een marginale positie in.

De conservatieve inslag van Likud wordt vooral bepaald door een hardere opstelling in het conflict met de Palestijnen en een grotere mate van wantrouwen jegens de Arabische wereld. Iets wat voortvloeit uit een oud schisma in de zionistische beweging, namelijk tussen de socialistisch getinte hoofdstroom van David Ben-Gurion en de revisionistische (militantere) tak van Zeev Jabotinsky. Van een frontale botsing tussen wezenlijk verschillende maatschappijvisies, zoals zich met name in de Verenigde Staten heeft voorgedaan met het ideologisch gekleurde presidentschap van George W. Bush als apotheose, is in Israël eigenlijk geen sprake.

Tweede punt in het voordeel van Rosner: de laatste jaren blijkt uit opiniepeilingen steeds weer dat een meerderheid van de Israëlische bevolking een territoriaal vergelijk met de Palestijnen, inclusief de stichting van een Palestijnse staat, steunt. Tot die meerderheid behoren dus ook Likud-stemmers. Weliswaar zullen die al snel tegenstribbelen als er specifieke concessies moeten worden gedaan of als er risico’s opdoemen voor de nationale veiligheid, maar dat laat onverlet dat er in beginsel voldoende draagvlak bestaat voor een vredesregeling op basis van de tweestatenoplossing.

Barack Obama, die vanaf het begin te kennen gaf dat hij zich actief wil inzetten voor een vergelijk tussen Israël en de Palestijnen, hoeft dus niet met de handen in het haar te gaan zitten na deze verkiezingen. Natuurlijk zijn de hindernissen enorm en de problemen legio, maar dat zou slechts gradueel minder het geval zijn geweest bij een betere score voor centrum-links.

Wat Obama moet zien te doorbreken, is niet alleen de afweerhouding in Jeruzalem, maar ook een – door de Israëlische verkiezingen nog versterkte – neiging aan Arabische zijde om de bal geheel toe te spelen aan Washington en zelf lijdzaam achterover te leunen. Met die instelling zal de impasse zeker voortduren.

Want de Amerikaanse invloed op Israël heeft zijn grenzen. Washington kan masseren, druk uitoefenen en (steviger) opponeren tegen Israëlische daden, zoals de bouw van nieuwe nederzettingen die het vredesoverleg frustreren. Maar op hun beurt zullen de Palestijnen zich een geloofwaardige gesprekspartner moeten tonen, niet alleen richting Washington, maar vooral ook in de ogen van het Israëlische publiek. Daar zal het aan blijven schorten zolang de bittere Palestijnse verdeeldheid voortduurt en Hamas fungeert als breekijzer in de handen van Damascus en Teheran.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.