De week van de fall-out van het Amerikaanse Iran-rapport

Sommige gebeurtenissen resoneren zozeer dat ze de volgende dag ook nog het nieuws beheersen. Die dag wordt dan automatisch bestempeld als de day after....

Zelfs de bloedige aanslagen in Algiers, het uitputtende klimaatoverleg op Bali en het opzichtige rollenspel in het Kremlin konden niet wegnemen dat de afgelopen week toch voornamelijk de week after was: de week nadat de National Intelligence Estimate het Iran-beleid van de regering-Bush bewust dan wel onbewust op losse schroeven zette. Mogelijk zelfs meer dan dat, want in de Arabische hoofdsteden waar de bezorgdheid over de toenemende Iraanse (lees: sjiitische) invloed het grootst is, vraagt men zich na de publicatie van de NIE vertwijfeld af of de Verenigde Staten nog wel het nodige strategische tegenwicht kunnen en willen bieden. Die vertwijfeling zou ertoe kunnen leiden dat landen als Egypte en Saoedi-Arabië zich gaan oriënteren op andere veiligheidsarrangementen (lees: een eigen kernwapen), met alle negatieve gevolgen van dien, niet in de laatste plaats voor het toch al uiterst kwetsbare Israëlisch-Palestijnse vredesoverleg.

Wat in de Amerikaanse reacties op de NIE het meeste opvalt, is niet de ontgoocheling in neoconservatieve kring, maar de onthutsing die juist gematigde – of zo men wil: uit de realistische school afkomstige – waarnemers aan de dag leggen. Waarnemers als New York Times-columnist Thomas Friedman (zie de Volkskrant van vrijdag), Henry Kissinger (een van de zeer weinige Amerikanen die nog altijd op gezette tijden bij Vladimir Poetin over de vloer komen) en Dennis Ross, de ex-diplomaat die zowel voor president Bush sr. als voor president Clinton intensieve pendeldiplomatie bedreef in het Midden-Oosten.

In een artikel in The New Republic zegt Ross graag te willen geloven dat Iran het wapengedeelte van zijn nucleaire programma in 2003 heeft stilgelegd. Maar de betekenis daarvan is gering. Waar het voor een land dat een kernwapenmogendheid wil worden in de eerste plaats op aan komt, is dat het voldoende splijtstof weet te fabriceren of anderszins te verkrijgen. Dat is de zwaarste hindernis die moet worden genomen. In dit verband verwijst Ross naar een uitspraak die ex-president Hashemi Rafsanjani – doorgaans opgevoerd als vaandeldrager der gematigden in Teheran – twee jaar geleden deed tegenover enkele Amerikaanse bezoekers: ‘Zolang we uranium kunnen verrijken en de splijtstof-cyclus onder de knie krijgen, hebben we geen andere dingen nodig. Onze buren zullen de juiste conclusies trekken.’

Kissinger betoogt (in de Washington Post) grotendeels hetzelfde. Een kernwapenprogramma bestaat uit drie componenten: de productie van voldoende splijtstof, de ontwikkeling van (lange afstands)raketten en de vervaardiging van kernkoppen. De NIE meent nu ‘met een grote mate van zekerheid’ te weten dat het laatstgenoemde onderdeel in 2003 is gestaakt. Maar de productie van splijtstof is sinds 2006 opgevoerd, evenals de fabricage van raketten. Daardoor ligt het Iraanse nucleaire project min of meer op het schema dat de Amerikaanse inlichtingendiensten in 2005 aangaven, aldus Kissinger.

Zo bezien is er eigenlijk weinig nieuws onder de zon. Maar doordat het nieuwe rapport het accent legt op de stopzetting van het specifieke wapenprogramma (dat gemakkelijk kan worden hervat), wordt de indruk gewekt dat een Iraans kernwapen geheel van de baan is. Een valse indruk, maar reden genoeg voor Rusland en China om de boot af te houden als het gaat om aanscherping van de economische sancties – ondanks het feit dat de VN-Veiligheidsraad juist de verrijking van uranium, en niet de aanmaak van kernkoppen, als toetssteen voor het gedrag van Iran heeft genomen.

Kissinger vindt dat de inlichtingendiensten zich met dit beladen rapport ten onrechte de rol van waakhond in het politieke debat aanmeten. Ik zou veeleer zeggen: hier krijgt de regering-Bush een koekje van eigen deeg nadat met name vicepresident Cheney in de aanloop naar de Irak-oorlog de CIA onder zware druk had gezet om toch vooral de ‘juiste’ gegevens aan te leveren.

Hoe dit ook zij, de schade voor Washington is aanzienlijk. De Amerikaanse geloofwaardigheid, in het bijzonder het vertrouwen in het vermogen om een consistent, accuraat beeld van een clear and present danger te schetsen, is opnieuw aangetast. De Europeanen, die nota bene op Franse voorspraak aanstalten maakten om een hardere lijn te volgen tegenover Teheran, staan in de kou. De Arabieren, die sowieso weinig begrijpen van de Amerikaanse gewoonte om beschikbare informatie openbaar te maken, weten niet waar ze aan toe zijn.

En dan is er Israël, dat het doen en laten van de buren met eigen ogen en oren volgt. Iran is zijn invloedrijkste tegenspeler geworden, hetgeen over een brede linie zijn weerslag heeft. En omdat in het Midden-Oosten bijna niets op zichzelf staat, geldt dat dus ook voor de onderhandelingen met de Palestijnen. Willen die vrucht afwerpen, dan zullen er door Israël ingrijpende concessies moeten worden gedaan. Maar het daarvoor benodigde binnenlandse draagvlak zal er zeker niet komen als er ook nog eens sprake is van een als existentieel ervaren Iraanse dreiging, waartegen onvoldoende rugdekking bestaat.

Wellicht valt die dreiging in werkelijkheid mee en wordt de soep niet zo heet gegeten als ze door Teheran bij herhaling wordt opgediend. Maar Israël heeft nu eenmaal minder dan de VS en Europa de luxe om de proef op de som te nemen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden