De week van de dood van de terreurprins

door Paul Brill..

De persconferentie van het Amerikaanse leger in Irak gaf een vertrouwd beeld te zien. Generaal-majoor William Caldwell vertelde met militaire nauwgezetheid hoe twee gevechtstoestellen woensdagavond hadden ingezoomd op het huis ten noorden van Bagdad waar terroristenleider Abu Musab al-Zarqawi was gelokaliseerd. Op het beeldscherm naast hem werd aanschouwelijk gemaakt hoe de beslissende actie was verlopen, gezien vanuit de vliegtuigen die de laser-geleide bommen afvuurden. In het midden van het scherm lichtte het doelwit op. Dan een lichtflits, gevolgd door een wolk van rook. Even later weer een lichtflits plus rookwolk, veroorzaakt door de tweede bom. Exit Al-Zarqawi.

Onwillekeurig moest ik denken aan de cartoon die een Amerikaanse krant tijdens de luchtaanvallen op Bagdad in de Golfoorlog (1990-’91) publiceerde. De smart bomb deed toen opgeld. Op de cartoon zwiert zo’n slimme bom door de straten van Bagdad, neemt beleefd zijn hoed af en vraagt aan een paar voorbijgangers waar het ministerie van Olie ook alweer is gehuisvest.

Helaas bleek de werkelijkheid na afloop toch weerbarstiger te zijn geweest dan de Amerikanen in hun technologische verrukking hadden gedacht. Veel slimme bommen hadden hun doel gemist of behoorlijk wat collateral damage aangericht. De puinhopen die zijn overgebleven van het huis waar Al-Zarqawi verbleef, laten ook zien dat de afgevuurde 500-ponders veeleer effectief waren door hun explosieve kracht dan door hun chirurgische precisie.

Een Amerikaanse columnist die naar Caldwells persconferentie keek, noteerde wat hem het meest opviel: dat er op alle videobeelden geen spoor van een menselijk wezen was te zien. ‘Het had ook wel de sloop van een verlaten pakhuis in Tulsa kunnen zijn.’

Hier openbaart zich de keerzijde van Amerika’s technologische overwicht. Te velde beschikken de Amerikaanse strijdkrachten over te weinig inzicht in de situatie om dat overwicht vaker en doeltreffender te gelde te maken. Ze kunnen veel, maar weten weinig. Amerikaanse (en Iraakse) troepen hebben meer dan twee jaar jacht gemaakt op Al-Zarqawi. Maar telkens wanneer ze dachten hem in het vizier te hebben, wist hij zich uit de voeten te maken.

Waarom hebben ze hem nu wel kunnen lokaliseren? Uit een reconstructie van The New York Times blijkt dat ze ten langen leste een informant uit zijn directe entourage hebben gevonden. Die bracht hen op het spoor van zijn meest vertrouwde raadsman, sjeik Abd al-Rahman. Door hem elektronisch te schaduwen en zijn gangen te combineren met andere informatie, kwamen ze er ten slotte achter waar en wanneer ze moesten toeslaan.

Inlichtingenwerk is dus van cruciale betekenis gebleken. Maar het heeft lang geduurd voordat het zijn beslag kreeg. Het lijkt erop dat pas een effectieve ingang is gevonden nadat ook in Al Qa’ida-kringen onvrede was gerezen over het feit dat de soenniet Al-Zarqawi shi’ieten en andere ‘ketterse’ moslims met dezelfde ijver en ongenaakbaarheid over de kling joeg als buitenlandse ‘ongelovigen’. Niet zozeer de door de Amerikanen uitgeloofde premie van 25 miljoen dollar, maar zijn eigen onbegrensde fanatisme is de terreurprins van Tweestromenland fataal geworden.

Maar het zaad van de etnische en religieuze tweedracht is inmiddels zo breed uitgestrooid, dat Al-Zarqawi niet meer nodig is om Irak voorlopig in de greep van het geweld te houden. Na zijn uitschakeling is daarop van vele kanten gewezen, ook vanuit het Witte Huis, dat in het verleden nogal eens de neiging had een dergelijk wapenfeit als de definitieve stap richting vrede en democratie te bestempelen.

De cijfers liegen niet. Er vallen in Irak al geruime tijd meer slachtoffers door sektarisch geweld dan door terroristische aanslagen. Van de 1400 doden die in mei naar het centrale mortuarium van Bagdad werden gebracht (let wel: dat komt neer op een gemiddelde van 45 per dag), was een meerderheid omgekomen door toedoen van een of andere militie, die niet strijdt tegen de regering of de buitenlandse troepen, maar tegen een andere bevolkingsgroep of clan.

Doordat het geweld zo’n veelsoortige inslag heeft en zoveel lagen kent, valt er geen simpele formule te bedenken waardoor in een paar stevige stappen de toestand van het land aanzienlijk kan worden verbeterd. Toch blijft menigeen de illusie koesteren dat dit wel kan. Aan de ene kant zijn er degenen die menen dat met een krachtiger militaire inspanning de levensader van de opstand in met name de soennitische driehoek alsnog kan worden doorgesneden. Maar voor zo’n inspanning is aan Amerikaanse noch aan Iraakse zijde het materiële en politieke draagvlak aanwezig.

Ertegenover staan de pleitbezorgers van een al dan niet gefaseerde terugtrekking, die de Irakezen wel zou dwingen om een modus vivendi met elkaar te vinden. Maar dat is in de huidige situatie een wel zeer luchthartige vorm van wensdenken geworden. Bovendien dreigt bij gebrek aan een controlerende macht het gevaar dat de wanorde overslaat naar naburige landen met een gemengde populatie.

Het is weinig bevredigend en al helemaal niet heroïsch, maar er zit niets anders op dan doormodderen: het politieke proces versterken, bouwen aan de staatsinstellingen, stapje voor stapje de veiligheid vergroten. Het zal nog veel slachtoffers vergen en het zal met name het Amerikaanse geduld zwaar op de proef stellen. Maar het is de onvermijdelijke prijs voor een ondoordachte democratiseringsmissie in een land zonder democratische traditie.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden