De week van China’s nieuwe triomfen en oude reflexen

De Olympische medailleregen moet nog beginnen, maar China heeft al een saillante prijs opgestreken. Zonder sportieve inspanning, maar door voort te gaan met wat het al tijden met groot succes doet: groeien....

De prijs kan worden bijgezet in een kast die al rijkelijk is gevuld. Waar bevindt zich het grootste winkelcentrum ter wereld? Juist, in China. De grootste fabriek? Idem dito. De grootste beursgenoteerde onderneming? Draagt een Chinese naam.

Er zijn ook een paar prijzen bij die wat minder blinken. Zo is China hard op weg de grootste vervuiler ter wereld te worden. Met India als goede tweede. Samen zullen de twee landen tussen nu en 2012 een kleine achthonderd nieuwe, met steenkool gestookte energiecentrales bouwen. De gezamenlijke CO2-uitstoot van die centrales is vijf keer groter dan de totale besparingen die de Kyoto-akkoorden voorschrijven.

Elke beschouwing over de opkomst van China staat bol van de superlatieven. ‘Op het hoogtepunt van de industriële revolutie werd Engeland ‘de werkplaats van de wereld’ genoemd. Deze titel komt nu toe aan China’, schrijft Fareed Zakaria in The Post-American World. De econoom Jeffrey Sachs gaat nog een stapje verder: ‘China is het succesvolste ontwikkelingsverhaal in de wereldgeschiedenis.’

Het lijdt geen twijfel dat de Chinese leiders de Olympische Spelen in Peking zien als een bezegeling van ‘s lands status van nieuwe economische én politieke grootmacht. Toen het Internationaal Olympisch Comité zeven jaar geleden koos voor China, jubelde de hoogste Chinese vertegenwoordiger: ‘De toekenning van het recht om de Spelen te organiseren betekent het verkrijgen van het respect en het vertrouwen van de internationale gemeenschap.’

Alles wijst erop dat dit sentiment ook onder de Chinese bevolking opgeld doet. Nu het communisme nog slechts een flinterdunne ideologische façade is, vormt het nationalisme een belangrijke samenbindende kracht (waaraan de partijleiding dan ook regelmatig appelleert). Voor de VPRO-radio gaf schrijfster Lulu Wang gisteren een staaltje geëxalteerd patriottisme ten beste door de verklaren dat dankzij deze Spelen de Chinezen zich voor het eerst sinds de Opiumoorlogen – let wel: die speelden zich 150 jaar geleden af – vrij en volwaardig voelen.

Als het bewind het verbreiden van eigendunk en nationale trots als voornaamste oogmerk van de Olympische Spelen zag, kunnen ze nu al als een redelijk succes worden aangemerkt (op voorwaarde dat het evenement soepel verloopt). Maar als de Chinese leiders hadden gehoopt dat de Spelen ook hun internationale aanzien zouden opkrikken, zijn ze althans in de aanloop ernaar bedrogen uitgekomen.

Mutatis mutandis geldt dat ook voor degenen die destijds betoogden dat het toekennen van de Spelen aan China zo’n heilzame uitwerking zou hebben op het politieke klimaat van het land. Door de opeenstapeling van incidenten, van de weinig glorieuze fakkeltocht tot het gedoe rond de luchtkwaliteit in Peking, is de gehoopte pr-bonus uitgebleven.

Naast het Chinese elan heeft de wereld ook de ongenaakbaarheid van het bewind te zien gekregen. Ter wille van de Spelen zijn halve wijken tegen de vlakte gegaan en bewoners zonder pardon op straat gezet. Wie ertegen protesteerde, belandde niet zelden in de gevangenis. Misschien dat in onze contreien een enkele stadsbestuurder er ook wel eens van droomt dat de dingen zo makkelijk gaan, maar over het algemeen kennen wij de gewone burger toch meer rechten toe.

Vergeleken met tien, vijftien jaar geleden wordt er in China minder hard opgetreden tegen dissidente uitingen. Maar bij het naderen van de Spelen hebben voorvechters van persvrijheid en meer democratie het toch weer zwaarder te verduren gekregen. De mensenrechtensituatie in China is niet verbeterd, maar juist verslechterd, berichtte Amnesty International recentelijk, een vaststelling die door veel waarnemers wordt beaamd.

Zelfs de – voor de hand liggende – verwachting dat China zich op het wereldtoneel soepeler zou opstellen en toeschietelijker zou tonen om bevriende dictators onder druk te zetten, is slechts ten dele uitgekomen. In het geval van Noord-Korea heeft China een behulpzame rol in de coulissen gespeeld, maar in Birma heeft Peking de generaals volledig gedekt, zoals ook de Soedanese president Omar al-Bashir zich mag verheugen in onverminderde Chinese steun. Bij de rellen in Tibet lijken de Chinese ordetroepen beheerster te zijn opgetreden dan in het verleden, maar wat er werkelijk is gebeurd, onttrekt zich aan onafhankelijke waarneming, omdat de weerspannige regio in ouderwetse quarantaine is geplaatst.

Wat ons in het Westen misschien wel het meest verbaast, is het gebrek aan flexibiliteit dat de Chinese autoriteiten ook op de vierkante meter aan de dag leggen. Waarom kan het internet gedurende de Spelen niet onbeperkt toegankelijk zijn en moeten bepaalde sites toch weer worden geblokkeerd? Waarom moet de politie grootscheeps uitrukken zodra vier demonstranten ergens een spandoek uitrollen?

Die verbazing miskent evenwel het feit dat de Chinese leiders nog altijd zijn behept met een totalitaire mindset, die maakt dat alles wat zich onttrekt aan staatscontrole, in beginsel bedreigend is. Dat zadelt booming China op met spanningen die het Olympisch festijn even kunnen doen vergeten, maar die volop zullen terugkeren.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden