De wedergeboorte van John Kenneth Galbraith (96)

Over: komen de sociale ideeën van Galbraith terug in de mode?..

Wim Bossema

Werkt de progressieve Amerikaanse econoom John Kenneth Galbraith (96) aan een comeback? In ieder geval werken enkele van zijn bewonderaars daaraan, onder wie zijn biograaf, Richard Parker, en zijn zoon James Galbraith .

Parker schreef een levensverhaal van achthonderd bladzijden: John Kenneth Galbraith: His Life, His Politics, His Economics. Dat monumentale werk, dat onlangs verscheen, is de aanleiding voor recensies en beschouwingen in toonaangevende tijdschriften en dan gaat het al gauw over de hedendaagse relevantie van de beschrevene. Dat Galbraith er nog is, geeft de discussie een extra levendig tintje.

De oude geleerde zelf merkte in een radio-interview op dat hij het een mooie biografie vond en dat hij het zelf niet beter had gekund (het is dan ook een geautoriseerde biografie). Galbraith is alive and kicking. Met graagte geeft hij de afgelopen jaren interviews op radiozenders, in kranten, tijdschriften en op internetsites. Zijn jongste boek, The Economics of Innocent Fraud, kwam nog maar ruim twee jaar geleden uit. In kringen van jonge critici van de mondialisering is hij herontdekt, zo is hij een held van de bekendste van hen, Naomi Klein.

Maar onder economen liggen de zaken anders. Daar is hij passé. Wie leest Galbraiths klassiekers (The Great Crash, The Affluent Society, The New Industrial State) nog, al zijn het op zich onovertroffen boeken voor economiestudenten, vraagt J. Bradford De-Long, hoogleraar economie op Berkeley, zich af in Foreign Affairs . Zijn eigen antwoord: economen boven de zeventig hebben hem gelezen en vinden hem belangrijk; die van vijftig tot zeventig hebben hem gelezen en weten dat de bejaarden hem belangrijk vinden maar begrijpen niet waarom; die rond de dertig hebben hem helemaal niet meer gelezen. Zo valt het doek.

Er was een periode dat de in wezen sociaal-democratische ideeën van Galbraith weerklank vonden in de VS, na de grote krach en tijdens de Tweede Wereldoorlog, toen de middenklasse bang was voor plotselinge armoede, maar die tijd is definitief voorbij, meent Bradford DeLong. De Amerikaanse cultuur is diep individualistisch

en Europese sociaaldemocratische gedachten zullen er nooit wortel schieten. Galbraith heeft dat zijn hele leven toch geprobeerd, maar hij is Sisyphus gebleken.

Precies het tegenovergestelde denkt de econoom Jeffrey Madrick, blijkt uit zijn recensie in The New York Review of Books. De biografie komt op het juiste moment: net nu in kringen van 'orthodoxe' economen veel van de conventional wisdom (gangbare wijsheden, de beroemdste term die Galbraith heeft bedacht) ter discussie wordt gesteld. Kritiek die Galbraith al veel eerder had laten horen, schrijft Madrick, maar ook hij denkt dat er weinig economen onder de zestig zijn die diens boeken nog meer dan vluchtig lezen.

Waar ging het oude debat over, dat Galbraith in de jaren zeventig verloor van de pure vrije-marktdenker, zijn vriend en rivaal Milton Friedman? Galbraith (geboren in 1908 in Canada) was een voorvechter van de New Deal (van de jaren dertig) -gebaseerd op de gedachte van de Britse econoom Keynes dat overheidsinvesteringen de stagnerende economie weer op gang konden helpen. Na de Tweede Wereldoorlog speelde Galbraith een vooraanstaande adviseursrol bij de wederopbouw van de verslagen landen Japan en Duitsland. Hij was begin jaren zestig ambassadeur in India en een vertrouweling van president Kennedy, een geestverwant. (Galbraith adviseerde tegen een oorlog in Vietnam en Parker schrijft in zijn biografie dat Kennedy van plan was dat advies te volgen).

Galbraith brak met het klassieke economen-idee dat schaarste de economie stuwt: de brede welstand van de burgers in de moderne welvaartsstaat vroeg om nieuwe theorieën. Niet zozeer de vraag als wel het aanbod van de industrie van consumptieartikelen is cruciaal, en daarmee adverteren. Ook in de economie speelt macht van de grote bedrijven een belangrijke rol. Daarom moet de overheid die macht reguleren met haar politieke macht.

De recessie van de jaren zeventig deed de

pendule doorslaan naar de voorvechters van het pure marktmechanisme, onder aanvoering van Friedman, die menen dat overheidsbemoeienis de werking van de markt in de soep laat lopen. Toen Ronald Reagan in de jaren tachtig president werd, was het pleit ook politiek beslecht. De overheid moest zo ver mogelijk worden teruggesnoeid, de markt moest alle ruimte krijgen ook in sociale sectoren. Galbraith (die een halve eeuw aan de Harvard universiteit was verbonden) bleef roepen, maar nu in de woestijn.

Parker betoogt in zijn biografie dat veel ellende had kunnen worden voorkomen als de Amerikaanse regeringen wél naar Galbraith hadden geluisterd. Voorbeeld: het IMF en de Wereldbank legden ontwikkelingslanden in de jaren tachtig desastreuze aanpassingsprogramma's op in de lijn van het denken van Friedman en Reagan en kwamen daar in de jaren negentig grotendeels van terug. Parker voert al meer dan een jaar (met de voltooiing van zijn grote werk in zicht) campagne voor eerherstel van Galbraiths inzichten:

door overal artikelen te schrijven (zie: johnkennethg albraith. com), interviews te geven en congressen te organiseren.

Zo was er een debat in april op het Brookings Instituut in Washington over Parkers boek en Galbraiths actualiteit (het transcript staat op www. brookings. edu). Daar brak zoon James Galbraith, econoom aan de universiteit van Texas, een lans voor zijn vaders gedachtegoed.

Maar er waren ook critici, onder wie de econoom Henry Aaron van het Brookings. Galbraith schreef goed, onderhoudend, geestig, maar hij onderbouwde zijn stellingen zwak. De economische wetenschap baseert zich tegenwoordig op wiskunde, en dat is goed, zei Aaron. Biograaf Parker heeft gelijk dat zich onder economen een herbezinning voltrekt, maar al lijkt sommige kritiek op die van Galbraith, de nieuwe economen onderbouwen die met wiskundige modellen en naar hén zal worden geluisterd, niet naar de oude vos.

Dat is dan erg jammer, zei Parker; dat het academische economenwereldje zo dichtzit. Kom naar de echte wereld, in het voetspoor van de altijd geëngageerde Galbraith. Elk jaar sterven tussen de 8 en 12 miljoen mannen, vrouwen en kinderen aan ondervoeding en ziekten die te voorkomen waren geweest. We kunnen niet op de magie van de markt en de mondialisering wachten om daar wat aan te doen, zei Parker.

Sputter na zo'n stelling maar eens tegen.

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden