De waterstofbom als broodrooster

De 94-jarige fysicus Edward Teller staat bekend als de vader van de waterstofbom. Zijn recent verschenen memoires getuigen van groot onbegrip voor de velen die hem nog altijd haten....

OP 8 DECEMBER 1987 houdt Ronald Reagan in het Witte Huis een receptie ter ere van Michael Gorbatsjov en diens vrouw Raïsa. Onder de gasten is ook Edward Teller, de bejaarde wapenadviseur van de president, in de jaren vijftig al geestelijk vader van de Amerikaanse waterstofbom en nu weer fanatiek pleitbezorger en mede-ontwerper van Reagans SDI-raketschild, Star Wars in de volksmond.

Als Teller in de gastenrij uiteindelijk oog in oog staat met de Russische president en Reagan hem voorstelt, weigert Gorbatsjov de Amerikaanse geleerde de hand te schudden. Reagan probeert het nog eens. 'Dit is de beroemde dr. Teller.' Gorbatsjov blijft ijzig. 'Teller? Er zijn zoveel Tellers.' Gekwetst druipt Teller af. 'Er zijn meer Tellers dan u denkt', heeft hij nog net kunnen uitbrengen.

'Ik had', schrijft de nu 94-jarige fysicus in zijn onlangs verschenen, scherpzinnige en gedetailleerde memoires, 'er niet bijzonder naar uitgezien hem de hand te mogen schudden. Ik was er echter toe bereid omdat het geen pas geeft bij een sociale gelegenheid uiting te geven aan weerzin over elkaars politieke standpunten.'

Later realiseert hij zich bezorgd dat hij in de consternatie vergeten is Nancy Reagan te begroeten en vraagt zich af of hij haar niet een briefje moet schrijven.

Het is Edward Teller, een van de meest omstreden fysici uit de moderne geschiedenis, de man die model stond voor Dr. Strangelove uit Stanley Kubriks gelijknamelige film, ten voeten uit: de bedreven bommenbouwer die maar niet begrijpen kan waarom anderen hem hartgrondig haten. Hebben niet juist zijn afschrikwekkende superwapens wereldvrede afgedwongen? En alleen door te bestaan, niet door ze te gebruiken?

Kernwapens, blijkt uit alles in Memoirs, zijn voor Teller geen perverse moordwapens, maar het nuttig uitvloeisel van intrigerende natuurkundige wetten. Gereedschap, niet meer en niet minder. Als het in het landsbelang zou zijn geweest om broodroosters te perfectioneren, zou hij zich daar met al zijn geestelijke capaciteiten en briljante kennis van de fysica op hebben gestort.

Edward Teller wordt in 1908 geboren in Boedapest, als kind van joodse ouders. Hij is een nerveus jongetje dat zich over alles schuldig voelt en zichzelf leert rekenen om 's nachts in bed de angst voor het duister te bezweren. 'De betrouwbaarheid van getallen gaf me voor het eerst een veilig gevoel', noteert hij.

Teller blijkt een exact talent, gaat ondanks oorlog en revoluties in zijn land natuurkunde studeren en vertrekt rond 1925 naar Duitsland, dan het centrum van de moderne fysica. Met het opkomen van Hitlers horde besluit hij naar de Verenigde Staten uit te wijken, in het voetspoor van zijn Hongaarse schoolvrienden en inmiddels collegafysici Leo Szílard en Eugene Wigner.

Het is dan 1935. Vier jaar later ontdekken Duitse geleerden het principe van de kernsplijting. Szílard realiseert zich als een van de eersten dat met voldoende uranium verwoestende kettingreacties mogelijk zijn. Hij vreest dat Hitler een atoombom zal willen bouwen en schrijft de Amerikaanse president Roosevelt een brief om hem op de ernst van de situatie te wijzen. Uit tactische overwegingen laat hij celebrity Albert Einstein de brief tekenen. Teller chauffeert Szílard naar Long Island om de handtekening te halen. 'Leo kon veel onmogelijke dingen', schrijft hij, 'maar autorijden was erbij ingeschoten.'

Vanaf 1940 werkt een selecte groep fysici, onder wie Hans Bethe en Enrico Fermi, aan een Amerikaanse bom. Ook de jonge Hongaar Teller sluit zich aan bij de groep, die zich uiteindelijk onder leiding van de befaamde theoreticus Robert Oppenheimer en generaal Leslie Groves afzondert in Los Alamos, in de woestijn van New Mexico.

Maar Teller heeft een eigen agenda. Nog voor de eerste Amerikaanse splijtingsbom zelfs maar op de tekentafels staat, denkt hij al na over een volgende stap. Het is nota bene Fermi die hem in 1941 aan het denken zet. Zou een kernexplosie, vroeg die aan Teller in Chicago, misschien zelfs genoeg energie kunnen leveren om kernfusie op gang te brengen: het versmelten van waterstof- of deuteriumkernen in de omgeving?

Aanvankelijk denkt Teller van niet. Maar als hij in 1942 in Los Alamos arriveert, heeft hij het over niet anders meer. Volgens Hans Bethe, hoofd theorie van de onderneming, weigert Teller tijd vrij te maken voor de gewone atoombom. Het begin van kwaad bloed is gezet. Teller voelt zich gefrustreerd in zijn grootse visioen van thermonucleaire superwapens. Veel van zijn collega's begrijpen zijn obsessie niet met het meest verwoestende fysische proces denkbaar. Is een atoombom niet al huiveringwekkend genoeg?

Bovendien zijn er wetenschappelijke bedenkingen. Stopt een fusiereactie in de open atmosfeer nog wel, of ontsteekt die wellicht de hele dampkring van de aarde? Tellers rekenwerk geeft aan dat dat wel meevalt. 'Je blaast ongeveer een miljard ton atmosfeer de ruimte in, meer niet', noteert hij zestig jaar later. Na de bommen op Hiroshima en Nagasaki, op 6 en 9 augustus 1945, hebben zelfs de Amerikaanse militairen het gevoel dat een gewone kernbom wel erg genoeg is. Teller trekt zich mokkend terug in Chicago.

Begin 1950 wordt hij teruggeroepen. Een paar maanden eerder hebben de Russen in Kazachstan hun eerste atoombom getest, een bij elkaar gespioneerde kopie van de eerste Amerikaanse bom. Truman wil een grotere stok om mee te dreigen: Tellers waterstofbom.

Maar veel kernbomgeleerden, onder wie nadrukkelijk Oppenheimer, blijven twijfelen. Over de fysische haalbaarheid, en over de noodzaak van een superwapen. Al bij een van hun eerste ontmoetingen heeft Oppenheimer Teller gezegd dat er een moment kan komen dat de fysici militaire projecten konden weigeren. 'Op dat moment verdween alle warmte tussen ons definitief', schrijft Teller.

Proeven met kleine prototypes vanaf 1951 in Nevada geven weinig hoop op succes, maar leiden Teller en de wiskundige Stan Ulam uiteindelijk naar een werkend mechanisme.

Op 1 november 1952 vaagt de eerste Amerikaanse waterstofbom het eilandje Eniwetok in de Stille Zuidzee van de kaart. Op 12 augustus 1953 volgt de Russische bom. Tellers naam is gemaakt. Hij krijgt de gelegenheid een eigen wapenlab in Californië op te zetten. Dat Lawrence Livermore Laboratory zal de decennia erna uitgroeien tot de ware wapenwerkplaats van de Koude Oorlog. Daarnaast wordt er nagedacht over meer civiel gebruik van kernwapens, om havenbekkens te creëren of rivieren te verleggen. Irrationele angst voor straling, aldus Teller, maakte dat dat op niets uitliep.

Weekbladen als Newsweek zetten Teller op het omslag, er verschijnen boeken waarin de Hongaar de vader van de waterstofbom wordt genoemd. Tot zijn ongenoegen, omdat hij niet nog meer collega's voor het hoofd wil stoten.

In dezelfde stroom aandacht steekt ook een ander onderwerp de kop op: de Amerikaanse oppositie tegen het waterstofbomproject. Geruchten over communistische sympathieën van met name Oppenheimer beginnen de ronde te doen, terwijl de paranoïa van de Koude Oorlog stijgt.

In 1954 wordt Teller opgeroepen om te getuigen over Oppenheimer, als een veiligheidscommissie moet beoordelen of de vroegere leider van Los Alamos vanwege zijn linkse ideeëngoed niet te riskant is voor wapenresearch. Teller vertelt de commissie na enig aandringen dat hij 'vitale belangen van dit land liever in de handen van iemand zou zien die ik beter begrijp en dus meer vertrouw'. Oppenheimer wordt daarop aan de kant gezet.

Een hele generatie fysici heeft Teller de openlijke karaktermoord op Oppenheimer nooit vergeven. Velen hadden het vermoeden dat zijn uitspraken de zoete wraak waren voor Oppenheimers felle oppositie tegen het waterstofbom-project. In Memoirs ontkent Teller, zoals hij altijd gedaan heeft, en beklaagt zich bitter over de banvloek waarop de episode hem in de fysische gemeenschap kwam te staan.

Maar met een nieuw argument. Vlak voor de verhoren, schrijft Teller nu, werd hem ingefluisterd dat Oppenheimer had geprobeerd zich vrij te pleiten door een van zijn beste vrienden van spionage te beschuldigen. 'Ik was verbaasd en in de war. Oppenheimer was geen idioot, maar wat voor man hij wel was, ontging me opeens. En dat terwijl ik juist naar Washington was gekomen om Oppenheimer te steunen.' Onhandigheid, geen kwade wil, speelde hem parten.

Dat, schreef de bekende kernwapenhistoricus Richard Rhodes al woedend in de New York Times, is een pertinente leugen. Rhodes: 'Om zijn versie overeind te houden, negeert hij FBI-documenten, verklaringen en zelfs brieven van zijn hand. Anders dan bij de meesten van ons schijnt Tellers geheugen beter te worden met het klimmen der jaren. Toen de mensen over wie hij nu spreekt, nog leefden om hem van repliek te dienen, leek hij zich niets te herinneren.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden