De ware status van de aborigine

De aborigines, de oorspronkelijke bewoners van Australië, zullen tijdens de Olympische Spelen de komst van de internationale waarnemers aangrijpen om aandacht te vragen voor hun zaak: de achterstelling ten opzichte van de blanke bevolking....

TWEE WEKEN geleden kwam het straatje in het wereldnieuws. De Eveleigh Street in Redfern, Sydney, een wijk van aborigines, werd schoongeveegd. Het vertoon leek op de acties van de politie in Los Angeles in 1984, toen ook kort voor de Olympische Zomerspelen de stad tijdelijk werd verlost van zwervers.

Redfern, op een paar honderd meter van de dure kantoorwijken van Sydney Downtown, is een verzameling vervallen gebouwen, autowrakken, kaalgetrapte plantsoenen en schurftige honden. De bewoners, op hun hangplekken op straathoeken, kijken iedere bezoeker wantrouwend aan. Uitstappen, zelfs op klaarlichte dag, is een daad waar moed voor nodig is.

De meest vertrouwenwekkende plek is de Elouera-sportschool van Tony Chuck Mundine, een van de 'zwarte diamanten' van de Australische sport. Oud-bokser Mundine, in 1974 in een WK-gevecht verslagen door de befaamde Argentijn Carlos Monzon, is een held van zijn volk, de aborigines, de oorspronkelijke bewoners van het land.

De school van Mundine heeft die middag weinig veiligs te bieden. De deur is op slot. Hier wordt vandaag niet getraind. Van een trendy fitness-centrum, zoals metropolen die zo vaak bieden, heeft Elouera niet veel. Het is een school voor boksers en krachtsporters; en niet van blanke snit, zo wordt snel duidelijk.

De city is half a mile weg, maar de buurt oogt als klein-Beiroet. De politie waarschuwt ons en met name de boomlange fotograaf: 'Gaat u daar niet in meneer, hoe groot u ook bent'. We wagen het erop per auto, geen al te nieuwe, maar het tochtje is vergeefs.

Mundine's vervallen gym vol graffiti wordt even later door Gary Ella, een van de voormannen van het 'verloren volk', aangeprezen als 'de beste plek voor sportmensen', als een broedplaats van jonge aborigines met sportieve ambities. We zijn een paar straten verder, in het sobere hoofdkwartier van Sydney Organising Committee for the Olympic Games (SOCOG).

Ella, een telg uit een beroemd rugbygeslacht, ex-Wallaby, werkt daar als de programma-manager voor de Aboriginal & Torres Strait Islander Relations. Hij is een beminnelijk mens en zeker geen belijdend militant. Daarom zal hij de aangewezen man zijn geweest voor de job.

Ella moet erop toezien dat de belangen van zijn volk niet worden veronachtzaamd bij toewijzing van betrekkingen, erebaantjes en vrijwilligersjobs. Als tienduizend Australiërs meedoen met de fakkelloop en vijfduizend 'gewone mensen' worden uitgekozen voor de duizend meter met de olympische toorts, 'dan zie ik er op toe dat onze indigenous people daarin hun vertegenwoordiging krijgen'.

Vijftig heeft Ella er weten te plaatsen, één procent. Eén te weinig, als je ervan uitgaat dat de aborigines 2,1 procent van de bevolking van Australië uitmaken. Maar er is wel winst op het symbolische vlak.

Atlete Nova Peris-Kneebone, de eerste indigenous die - als hockeyster - een olympische gouden medaille veroverde, heeft de taak gekregen de toorts te dragen bij Uluru (Ayers Rock), de onwaarschijnlijk fraai uitpuilende navel van Australië.

Sommige aborigines hadden haar bij de opening van de Spelen voor de microfoon willen zien, maar de symboliek van die eerste meters met het olympisch vuur door een afstammeling van het oudste volk - veertigduizend jaar bewonen zij dit werelddeel - zal velen bekoord hebben.

Ella, zelf als SOCOG-personeelslid ingeloot voor de toorts-estafette: 'Het heeft grote betekenis gehad. Uluru is het hart van dit land. Het was ook het eerste land dat aan zijn oorspronkelijke bewoners werd teruggegeven. Voor anderen is Uluru een toeristisch object, voor ons is Uluru de heilige berg.'

Sport is de laatste jaren, en zeker nu de Olympische Spelen naar Australië komen, een sterk middel om de aandacht te vestigen op de problematiek van het aboriginal volk: vertrapt, weggesloten, onteigend, beroofd en vernederd in de tachtig jaren van opgelegde segregatie en gepraktizeerde discriminatie.

Nog altijd is de situatie van de aborigines slecht. Er is een gecombineerde plaag van werkeloosheid, drankzucht en matige gezondheid. Aborigines worden twintig jaar minder oud dan andere Australiërs.

Uit dat achtergestelde volk hebben sportmensen het dubbel zo moeilijk om de top te halen. Colin Tatz schrijft erover in zijn boeken: Obstacle Race, Aborigines in Sport en Black Diamonds. Aborigines kregen wegens hun lage maatschappelijke status geen toegang tot de voorname sporten en zij hadden in hun reservaten en nederzettingen geen structuur voor sport. Er was geen gras, geen tartan; er waren geen trainers of masseurs.

Tatz zet de toon over de lange discriminatie van zijn volk met het afschuwelijke verhaal over de eerste sportheld van het thuisvolk van Australië: de cricketer Shiney, ook wel Shinal genoemd. Hij is de eerste aborigine-sportman wiens naam in de pers wordt genoemd, in 1835, toen hij voor Hobart Town ging spelen. Het was de 'vrijheidsperiode'. In 1880 kwamen de grote beperkingen, de separatie.

Shiney's verhaal is betekenisvol, omdat het pas 157 jaar later, in een nieuwe tijd, eindigde. Na zijn dood werd de aborigine-sportman namelijk onthoofd en het 'specimen' werd door een plaatselijke arts als bijzonderheid naar een Iers museum gestuurd, ter conservatie. In 1992 leidden acties van aborigines van Tasmanië tot het teruggeven door de Ieren van de lichaamsresten van Shiney. Die werden met veel ceremonieel gecremeerd.

Het verhaal, van de oude verderfelijke tijden tot de periode van het nieuw elan, met oog voor de eigen rechten, is de inleiding tot veel fraais en minder fraais in de wereld van de sport. SOCOG-man Gary Ella, zelf het voorbeeld van een doorzettende uitblinker, vormt met zijn broers Mark en Glen drie hoofdstukken. Het trio rugbyers kent ook nog een eigen biografie: Ella, Ella, Ella.

Ella stamt uit de tijd, jaren zestig, dat er voor aborigines weer wettelijk toegestane ruimte kwam voor sport. Het was ook het moment dat zij voor het eerst plaats kregen in de olympische afvaardiging van Australië. In Tokio 1964 was die baanbrekende positie weggelegd voor de basketballer Ahmatt en de boksers Blair en Roberts.

Twaalf jaar eerder, bij de Spelen van Helsinki in 1952, had het oorspronkelijke volk al een vertegenwoordiger moeten hebben. Wally McArthur was op jonge leeftijd de snelste man van zijn land. De halfbloed uit de Northern Territory die als jong kind in een missieschool werd opgenomen, werd gefrustreerd in zijn flitsende loopbaan.

Hij werd buiten vertegenwoordigende teams gelaten, moest reizen zelf betalen en werd volgens zijn vriend Charles Perkins, de grote activist van het volk, 'uit het Zuid-Australische team gelaten omdat hij een aborigine was'. McArthur was sneller dan Kevan Gosper, het huidige IOC-lid van Australië, maar die stond een jaar later wel aan de start in Helsinki.

Toen was de latere rugbysensatie McArthur (in 1951) al professioneel atleet geworden en getreden in de traditie van de grote hardlopers van aborigine-afkomst. Zij waren beroepslopers, zoals Charlie Samuels, geboren als Sambo Combo, die op zichzelf geld inzetten of voor een manager liepen in kermisachtige wedstrijden als de Stawell Gift, the Broken Hill of de Bay Sheffield race.

Met Samuels, ooit op 9,1 geklokt voor de 100 yards en betiteld als de snelste man van de negentiende eeuw, liep het niet best af. Hij werd gezien als een onruststoker en door de politie wegens drankmisbruik in het Callan Park Lunatic Asylum gestopt, een gekkenhuis. Hij, de loper die beweerde zich voor te bereiden met sigaren, een pijp en sherry, hallucineerde van de drank. Hij werd tenslotte op ministerieel bevel verbannen naar Barambah, een reservaat, waar hij op 49-jarige leeftijd overleed.

Die barre tijden zijn voorbij, maar topatleten als Kyle Vander-Kuyp (110 m horden) en Patrick Johnson (200 m) hebben nog dagelijks te maken met hun afkomst. Vander-Kuyp is het voorbeeld van een multi-culti. Hij zegt het met een vriendelijk gezicht. 'Dit land bestaat nu eenmaal uit een sterk gemengde bevolking.'

Zijn adoptie-ouders zijn een Nederlander, Bernard van der Kuyp en een Australische. 'Mijn echte ouders zijn Iers en aboriginal.' Na veel naspeuringen zijn die gevonden. Na de Spelen is Vander-Kuyp van plan zijn biologische moeder te ontmoeten. 'Maar pas erna, want het zal heel veel emoties met zich meebrengen.'

Vander-Kuyp, vijfde in de olympische finale van Atlanta, is met wereldkampioene Cathy Freeman een voorbeeldfiguur en een ambassadeur van zijn volk. 'Ik heb op Australia Day gesproken, op speciale uitnodiging, voor 1600 mensen, onder wie de president van New-South Wales. Als Kyle de atleet, maar ook als Kyle, de aborigine. Dat maakte veel emoties los. Er werd gehuild. Een aborigine kwam naar mijn moeder toe om te zeggen dat ze mij goed opgevoed hebben. You've done a good job with a aboriginal child.'

Vander-Kuyp is geen militant lid van de aborigines. Hij zegt dat racisme niet bestaat. 'En zeker niet in de atletiek. Het heeft te maken met de samenstelling van het atletenveld. Dat is overwegend zwart.'

Met collega Patrick Johnson bezoekt Vander-Kuyp projecten in het land om aborigine-kinderen te onderrichten. Die opbouwend gerichte acties wil Johnson wel ondersteunen, maar voor het schreeuwen op de barricaden krijgen ze hem niet. 'Ik kijk niet om, ik ben niet iemand die gedreven wordt door historie. Ik laat me leiden door mijn eigen doelen, het verbeteren van mijn eigen records. Abo or not abo, het zwarte activisme laat me koud.

'Of ik een voorbeeld ben? Ik ben nu een All-Australian met succes, die voor Australië loopt. Iedereen kent mijn achtergrond. Ik hoop op een beter begrip, zodat mijn optreden een stap naar verzoening kan zijn. Ik wil niet naar het verleden kijken. Ik geloof niet in de ideale wereld, ik kijk naar de realiteit van het moment.'

De realiteit is volgens SOCOG-man Ella dat er subjectief wordt omgesprongen met de status van een aborigine. 'We zijn altijd stereotiep opgevoerd. Als mensen uit de outback met het zand nog aan de voeten. Soms is het beschamend. Als onze sportmensen verliezen of net opkomen, dan zijn ze aborigines. Als ze goed presteren, dan worden ze plots Australische atleten genoemd.'

Er is veel verbeterd, met de 2239 miljoen Australische dollar die per jaar aan indigenous projecten worden besteed. Jonge aborigine atleten worden gesubsidieerd; liefst 25 zijn er gekozen in de jaarselectie van het Australian Institute of Sport AIS, de meest begeerde sportbeurs.

Voor de activisten is het niet meer dan een cosmetisch gebaar, zeker nu premier Howard nog steeds niet aan de voorwaarden voor de totale genoegdoening voldoet. Sportschoolhouder Mundine treffen we de volgende dag bij het Aboriginal Festival in Waverley. De muziek is goed, de stemming uitstekend, maar de opkomst valt met enkele duizenden bezoekers serieus tegen.

Mundine viel vorig jaar nog openlijk uit over de discriminatie van zijn volk, en in het bijzonder van zijn zoon. Anthony Mundine werd gepasseerd voor de WK-selectie van de rugbybond. 'Omdat hij aborigine is', wist de meervoudig bokskampioen.

In Waverley klinkt het voor een enthousiast gehoor als volgt: 'Wij zijn tweehonderd jaar onderdrukt en hebben heel veel tegenstand moeten verwerken. Ze hebben ons als beesten behandeld. Ze hebben ons twee eeuwen lang van de aardbodem willen laten verdwijnen. Ik ben trots dat ik hier sta.'

Mundine wordt ingeleid door Charles Perkins, een van de beroemdste voetballers van Australië. Hij speelde in de jaren zestig voor Everton. Zijn biografie: A Bastard Like Me. Perkins, gestudeerd, goed voor politieke topfuncties voor aborigine-zaken, is een voorstander van acties tijdens de Spelen.

Backstage, in Waverley: 'In de jaren zestig was het moeilijk je stem te verheffen. Ik heb gebruik gemaakt van mijn bekendheid als sporter. Ik was het aan mijn volk verplicht. Het racisme was in de jaren zestig erg stevig. Nu is het meer sophisticated, maar het is niet minder, eerder meer.

'We hebben 212 jaar van strijd achter de rug. We moeten blijven vechten, ook bij de Olympics moeten we onze cultuur uitdragen. Als mensen willen protesteren of demonstreren, vooruit zeg ik dan, go brother. Dit is een democratie, hier mag dat.'

In 1982, bij de Commonwealth Games in Brisbane, werden om demonstraties in te dammen draconische wetten aangenomen. In die jaren werden de Afrikaanse landen, als 'broedervolk' van de aborigines, gevraagd die Gemenebest Spelen te boycotten. Zoals in '93 na de toewijzing van de Olympische Spelen aan Sydney zulke geluiden ook klonken. Nadien werd de aborigine-atleten gevraagd de Spelen in eigen land te boycotten. Het is er allemaal niet van gekomen.

De protesten zullen desalniettemin luid klinken. Er zal een tentenkamp zijn. De vijftienduizend mediamensen zullen kunnen berichten over de ware status van het volk. Ella: 'Wat een gelegenheid, wie kan hen tegenhouden? Maar het zal vredelievend zijn, ik verwacht geen rellen.'

Cathy Freeman mag bij een geslaagde 400 meter-finale - de ticketseller van de Spelen - de aborigine-vlag (rood-geel-zwart) dragen. Het zal goedkeurend worden bezien. Niemand zal haar straffen voor die daad tegen het olympische reglement, zo liet voorzitter Coates van het AOC deze week al weten.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden