'De ware lezer is een anarchist'

Kan lezen de wereld veranderen? De Argentijnse veellezer en essayist Alberto Manguel denkt van wel: ‘Omdat we veroordeeld zijn samen te leven, moeten we ook bereid zijn onze verhalen met elkaar te delen.’..

Nergens voelt Alberto Manguel (1948) zich vrijer dan in zijn bibliotheek, tussen zijn meer dan dertigduizend boeken, in zijn huis in de voormalige pastorie van Châtellerault in het Franse Poitou-Charentes. Het is ‘een plek voor vertroosting’. Lezen geeft je vleugels, ‘het is gelijk aan ademen’. Het kleurt zijn hele bestaan. Overdag schrijft hij in zijn werkkamer, een apart vertrek tussen die duizenden boeken op de schappen; ’s nachts – schreef hij in zijn vorige boek De bibliotheek bij nacht – zit hij uren te lezen, onder een schemerlamp, in de halfverduisterde kamers van zijn verbouwde Presbytère.

Het lezen, zegt hij, ‘hecht zich aan alles wat ik doe’. Verhalen zijn onze herinneringen, ‘bibliotheken zijn de opslagplaatsen van die herinneringen, en lezen is de vaardigheid waarmee we ze kunnen herscheppen door ze te reciteren en te polijsten, door ze terug te vertalen naar onze eigen ervaring zodat we daarmee voort kunnen bouwen op wat eerdere generaties geschikt hebben bevonden om te bewaren’. Maar, schrijft Manguel in zijn nieuwe boek Stad van woorden, ‘we hebben wel anderen nodig om te spreken en ons voor te houden wat we zeggen’. Taal, citeert hij de schrijver Alfred Döblin, ‘is een vorm van liefde voor de medemens’. Wanneer we lezen, vinden we de ander, we wikken en wegen de woorden, ook onze eigen woorden, en gaan vervolgens ‘worstelen met elkaar op de bladzijden’.

Stad van woorden is tot dusver zijn meest uitgesproken politieke boek. In vijf essays heeft hij het over Cervantes en Dante, Kafka en Borges, maar ook over het Gilgamesj-epos en Hal, de computer in de film 2001: A Space Odyssey. Het boek is een hartstochtelijk pleidooi voor het vreedzaam samenleven. ‘Verhalen kunnen een hele samenleving een identiteit verlenen, of die identiteit nu klopt of niet.’ Verhalen kunnen ons en de wereld waarin we leven veranderen. De groeiende intolerantie in onze maatschappij, gelooft Manguel, kun je met literatuur en kunst te lijf gaan. ‘In zekere zin zijn al mijn boeken politiek, want je kunt geen burger of lezer zijn zonder standpunten. Je leest een boek ook nooit onbevangen. Hoe ouder ik word en hoe meer aspecten ik van het lezen onderken, hoe meer ik mij verdiep in de manier waarop wij identiteiten trachten te vangen in woorden, hoe de verhalen die we vertellen ons helpen om onszelf en anderen te zien.

‘Omdat we veroordeeld zijn om samen te leven, moeten we ook bereid zijn onze verhalen met elkaar te delen. De keuze van die verhalen ligt in de handen van de lezers. Soms helpen ze ons vooruit, brengen ze ons dichter bij elkaar, zoals het Gilgamesj-epos, een van de oudste en machtigste gedichten die we ons herinneren (uit circa 2100 v. Chr., Mesopotamië, red.). Als dit epos ons iets leert, is het dat de ander ons bestaan mogelijk maakt. Ons leven is nooit individueel, maar wordt eindeloos verrijkt door de aanwezigheid van de ander. Gilgamesj wordt pas volwaardig mens als hij zijn krachten bundelt met de wilde Enkidoe, zijn tegenhanger.’

Elke autochtone Gilgamesj vraagt om zijn exotische Enkidoe, die meestal wordt ‘gedefinieerd door uitsluiting, afgeschilderd als vreemdeling’. Er zijn onthullende parallellen tussen enerzijds de persoonlijke en politieke realiteit van vandaag en anderzijds die van de mythe, de legende en het verhaal. Er zijn meer verhalen dan het eigen epos. ‘Wat deed Tony Blair? Tegenover het concept multiculturalisme stelde de regering-Blair dat van monoculturalisme. Het concept ‘Britsheid’ werd dominant. Volgens de huidige premier Gordon Brown werd de eigenheid van de ander benadrukt ten koste van eenheid, het nationaal Ons om zich niet te hoeven identificeren met Hen.’

Wat Brown ontging of niet begreep, schrijft Manguel, ‘was dat het niet de eigenheid van de ander op zich is die een gevaar vormt voor de eenheid, maar het feit dat die ander als vijand wordt afgeschilderd’. De ‘Britsheid’ werd dominant en alleen aan die cultuur is een publieke stem voorbehouden. Dat zie je ook in Frankrijk. ‘Net als voor Brown zijn ook voor president Nicolas Sarkozy voor de ander óf assimilatie óf uitzetting de enige methodes om te waarborgen dat de identiteit en de eigenheid van een samenleving niet worden aangetast.

‘In onze samenleving heerst maar één model: het supermarkt-model waarin de enige rol van de burgers het consumeren is. Je werkt om te kunnen consumeren. We hebben blijkbaar andere verhalen gekozen, gemakkelijke verhaaltjes, geen zo’n onthutsend epos als dat van Gilgamesj. Veel hedendaagse literatuur is pulp, fast-food books die de waan van de dag volgen. Het is gemakkelijk verteerbaar proza. Dat zie je vooral ook in de Angelsaksische landen: er worden banale boeken uitgegeven, geschreven volgens een door writing schools opgelegde formule. Ze beklijven niet, ze zijn louter entertainend, het zijn boeken zonder prangende vragen, noch over de ander, noch over onszelf, het zijn boeken zonder enige toekomst. Je herleest ze niet, ze worden al heel snel vergeten, ze hebben eigenlijk geen houdbaarheidsdatum.

‘Boeken brengen je in andere werelden en in andere tijden. In boeken ontmoet je de ander. Literatuur kan gelezen worden als een ononderbroken kroniek van het verdwijnen en weer opduiken van een tegenhanger. De verbeelding maakt het ons mogelijk te overleven. Verhalen reiken ons als het ware scenario’s aan, manieren om met de anderen om te gaan en te kunnen samenleven. Literaire verbeelding is een survival kit. Verhalen roepen vragen op. Door al die verschillende verhalen ontdekken we andere opvattingen en mogelijkheden. Ze tasten voortdurend onze strakke en onbezonnen vooroordelen aan.

‘Onze woordenschat is besmet. We geven te vaak eenduidige connotaties aan woorden. ‘Anders’ begrijpen we als ‘de een beter dan de ander’, ‘moeilijk’ beschouwen we ‘als iets dat best vermeden wordt’, ‘kort’ betekent ‘lekker goed samengevat’, dat zijn doorgaans verkeerd begrepen concepten.’

Woorden krijgen afgebakende betekenissen opgelegd, terwijl woorden toch altijd een soort zeer gevarieerde definities zijn van onze ervaringen? Sleutelwoorden als ‘cultuur’ of ‘democratie’ hebben meervoudige betekenissen. ‘We eisen meestal dat onze eigen taal de overhand heeft. Het gaat altijd over: ‘Jij moet mij begrijpen, al begrijp ik jou niet.’ Het was eeuwenlang het motto van de kolonisator.

‘Het boek In de bergen van Nederland van Cees Nooteboom is een mooi voorbeeld van een ‘boek als leerplaats’, een boek over de verkenning van de ander om onszelf te leren te kennen. In dat boek bewijst Nooteboom dat het Nederlandse landschap, dat nu geteisterd wordt door intolerantie, verre van vlak is. De verteller heeft een heel ander verhaal over Nederland. Verbeelding helpt ons een soort scenario’s te maken om te overleven, om op een andere manier tegen de werkelijkheid aan te kijken.’ Taal, luidt het bij Manguel, ‘kan nooit naar het pijpen van de macht dansen, of het nu om politieke, godsdienstige of economische macht gaat.

‘Wij geloven in het vocabularium dat we geleerd hebben, dat die woordenschat onze ervaringen definieert, maar in werkelijkheid is ons taalgebruik door de dominante cultuur gekleurd. Betekenissen en meningen kunnen evenwel veranderen. Taal is complexer dan we denken. In een prachtige tekst, De muur en de boeken, vertelt Jorge Luis Borges ons iets over de esthetische werkelijkheid: kunst, of in dit geval literatuur, is een op handen zijnde onthulling die zich niet voltrekt. We wachten in de tekst op die onthulling, maar de waarheid wordt nooit uitgesproken. Daardoor hebben sommige literaire werken al eeuwen zo’n grote resonantie: ze geven geen antwoorden.

‘Pinocchio en Alice in Wonderland leren op een totaal andere manier lezen. De houten pop is een outsider die een normaal jongetje wil worden, een kleine immigrantenjongen die wil inburgeren. Om dat te kunnen, gaat hij de taal leren. Hij moet de opvattingen van Nederland kennen, om die als gehoorzaam staatsburger eigen te maken. Ook Pinocchio moet de regels volgen, indien niet is hij net als dat jongetje niet welkom. Eigenlijk willen we geen discussie. Nieuwkomers moeten maar aanvaarden wat hier gebruikelijk en gangbaar is.

‘Oppositie, in de vorm van lastige vragen, is uit den boze. Pinocchio leert weliswaar het alfabet en teksten analyseren, maar de lectuur heeft geen grote invloed op hem. Alice daarentegen treft in het lezen een wonderbaarlijke en absurde wereld aan waarover ze voortdurend vragen stelt. Ze zegt altijd: Waarom? Hoe? Dit is niet goed!’ Dat onderscheid noemt Manguel ‘het verschil tussen de middeleeuwse wereld van de scholastiek en de tijd van het humanisme, van interpretaties, conversaties, avontuur en leesgenot’. Hij is voorstander van ‘een ethiek van het lezen’: wat hij gelezen heeft, kleurt zijn ervaring, niet alleen van de wereld, maar ook van wat hij leest.

‘We weten meer dan we denken. Jammer genoeg leven we in een samenleving die je met de vinger wijst: je bent niet intelligent genoeg om te lezen, niet verstandig genoeg om muziek te begrijpen, of om een politiek standpunt in te nemen. Je bent uitsluitend geschikt voor het consumeren. In literatuur is het net andersom: jij kunt iets in een verhaal ontdekken, iets begrijpen van de personages, jij kunt beseffen dat je een mening kunt opperen over de samenleving. Het is merkwaardig dat er voortdurend wordt gesproken over gezond voedsel en lichamelijke conditie, maar nooit over intellectuele ontwikkeling. You can be stupid as long as you have the right body. Van Juvenalis’ uitspraak mens sana in corpore sano, een gezonde ziel in een gezond lichaam, is van die gezonde ziel allang geen sprake meer.

‘Een echte lezer is een anarchist, een eclectisch en misschien wel chaotisch lezer. Elk boek roept weer een ander op. Je hoort de stemmen van schrijvers die ons naar weer een ander boek leiden.’ Lezers zijn in Manguels ogen ‘gekken die verwikkeld zijn in denkbeeldige dialogen waarvan de echo ergens in hun geest weerklinkt’. Daarom leest hij ook met het potlood. De notities in de kantlijn ‘vergezellen de tekst als een schaduw’. Bij het herlezen, duikelt hij weer in zijn verleden. De potloodstreepjes roepen herinneringen op. ‘Daarom zijn al mijn boeken ook dagboeken.’

Sokrates wantrouwde boeken. Hij vond het schrijven ‘een nabootsing van de spraak’. Boeken zijn dode letters. Is het boek dan inferieur aan de conversatie? Manguel wil uitdrukkelijk zijn leeservaringen met anderen delen, want ‘de woorden op het papier lokken een dialoog uit’. Daarom schrijft hij ook over boeken. Een paar jaar lang was hij in Buenos Aires voorlezer bij de blinde Borges, drie tot vier keer per week. ‘Borges had zijn voorkeuren, hij koos auteurs die klaarblijkelijk ook mijn lievelingsauteurs zijn geworden: Kipling en Stevenson. Hij kneep zijn ogen dicht om de woorden van zijn onzichtbare voorlezer beter te horen. Het was voor hem troostgevend. Dat lezersritueel heeft mij gevormd. Je wordt als lezer letterlijk meegezogen in de avonturen van de anderen. Als ik nu Robert Louis Stevenson herlees, vind ik nog altijd troost in zijn verhalen.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden