De waarheid heeft in het recht vele gezichten

Het argument voor het afschaffen van verjaring bij zware delicten is dat waarheidsvinding in het strafrecht moet prevaleren. Dat valt nog te bezien, meent Ulli dOliveira....

Ulli d'Oliveira

Bij het initiatiefwetsvoorstel van Dittrich en Haersma Buma, dat morgen in de Eerste Kamer wordt behandeld nadat het in de Tweede Kamer met algemene stemmen is aanvaard, wordt de verjaring van zware delicten afgeschaft. Als belangrijkste argument debiteren de indieners dat waarheidsvinding in het strafrecht leidend beginsel hoort te zijn. Indien dat waar zou zijn, zou dat een reden zijn om de verjaring helemaal over boord te kieperen, ook voor minder zware delicten en overtredingen. Zolang de waarheid nog kan worden achterhaald, mag geen verjaring intreden. Maar zo simpel is het niet. De waarheid wordt gefilterd door het recht en neemt daardoor andere gedaanten aan.

De waarheid moet worden vastgesteld. De manieren om in de rechtspraak de hand op de waarheid te leggen, vormen en vervormen die ongrijpbare waarheid. In het recht wordt de waarheid niet geopenbaard, zij komt voort uit de regels die gelden bij de vaststelling ervan. Dat betekent dat de door de rechter voor waar aangenomen toedracht niet hoeft te sporen met wat de mensen ervan denken of met de waarheid zoals die wordt geproduceerd in bijvoorbeeld de natuurwetenschappen.

Elke tak van wetenschap ontwikkelt een stel samenhangende regels waaraan men zich moet houden om de uitkomsten van hun werking als voorlopig waar te kunnen beschouwen, ook tegen de evidentie in. In de rechtspraak zijn er allerlei mee- en tegenwerkende regels betrokken bij het zoeken naar en het construeren van de waarheid. Meewerkend: de verplichting om ook de andere partij te horen over het verhaal van de eiser of het Openbaar Ministerie. Hoe geloofwaardig de voorstelling van zaken ook is die door de ene partij wordt gepresenteerd, zij kan doorgeprikt worden door een rivaliserende voorstelling van zaken. En ook als een verhaal aannemelijk is, hoeft het nog niet waar te zijn. Rechterlijke dwalingen komen nogal eens voor, ondanks de garantie dat een feit wettig en overtuigend moet zijn bewezen.

Soms is het niet mogelijk de andere partij te horen. Hij is foetsjie of afwezig; hij laat verstek gaan. Dan zal de eis worden toegewezen, tenzij de rechter die onrechtmatig of ongegrond vindt. De waarheid verdwijnt hier al richting horizon. De eiser kan van alles uit zijn duim hebben gezogen, en toch een toewijzend vonnis in de schoot geworpen krijgen. Dat is niet altijd verwerpelijk.

In een beroemde uitspraak uit 1883, toen er nog geen echtscheiding door onderlinge overeenstemming was toegelaten, heeft de Hoge Raad toegestaan dat overspel kon worden bewezen doordat de andere echtgenoot volgens afspraak verstek liet gaan als de eisende partner had beweerd dat er overspel was gepleegd. Iedereen wist dat de waarheid ver te zoeken was, maar de wetgever kreeg de door velen gewenste verruiming van echtscheidingsgronden niet rond, en dus voelde de rechter zich genoodzaakt een mouw aan dit maatschappelijke vraagstuk te passen. Ten einde het recht te dienen moet de waarheid soms stelselmatig geweld worden aangedaan. Het zwijgrecht van verdachten is daarvan een voorbeeld. Om een bekentenis van een verdachte los te krijgen zijn niet meer alle middelen toegelaten.

Er zijn in de rechtspraak nog andere waarden in het geding dan die van de waarheid. En over de onderlinge rangorde en intensiteit van die waarden kan men behoorlijk van mening verschillen. Ik noem een recent voorbeeld (17 april 2005) uit de rechtspraak van de Raad van State. Een Turkse mevrouw had B & W verzocht haar geboortedatum te verbeteren in de Gemeentelijke Basisadministratie (GBA) Daar stond zij genoteerd als geboren op 2 april 1944. Volgens een rectificerend Turks vonnis dat zij in 1999 had verkregen moest dat eigenlijk 2 april 1935 zijn. De Turkse Burgerlijke Stand is niet helemaal te vergelijken met de onze. Het platteland is wijd, de grote stad ver weg.

Volgens de Turkse rechter stond vast dat de dame op 1 januari 1950 getrouwd was, en op 1 januari 1955 een kind had gekregen. Volgens het GBA moest zij toen dus zes, respectievelijk elf jaar oud zijn geweest. Wel wat jong.

B & W, rechtbank en Raad van State wezen het verzoek tot rectificatie af, omdat zij de uitspraak van de Turkse rechter zozeer vonden rammelen dat die in strijd kwam met de Nederlandse openbare orde en dus niet voor erkenning in aanmerking kwam. Dat op grond van deze gegevens wellicht niet waarschijnlijk is dat appellante in 1944 is geboren, maakt dat niet anders. Je wrijft je ogen uit. De waarden die hier spelen zijn nu juist de betrouwbaarheid van de GBA en, op de achtergrond, het verbod voor de rechter om op de stoel van de administratie te gaan zitten. Liever de plank helemaal mis slaan dan een beetje raak, moeten onze ambtsdragers hebben gedacht.

Om de betrouwbaarheid van de GBA te bevorderen, moet deze soms manifest onbetrouwbaar zijn. Trekt men ook de consequentie dat het kindhuwelijk dat is gesloten ook in strijd is met onze openbare orde en dus nietig? Om zulke absurde resultaten te bereiken worden buitenissige eisen gesteld aan de buitenlandse rechterlijke uitspraak.

Onlangs kwam de Raad van State met de uitspraak dat een 19-jarige jongeman voor het GBA als 14-jarige te boek moest staan, alweer omdat de Turkse uitspraak niet werd erkend. Is de jongeman weer leerplichtig? Het overspannen streven naar waarheid verslaat hier wellicht waarschijnlijk de waarheid. Hier begint het rijk van de fictie. De betrouwbare GBA is onbetrouwbaar.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden