De waardigheid van de verbeelding

Zoals nog niet zo lang geleden zo'n beetje alle lezers in Nederland uitzagen naar 'het nieuwe boek' van Gerard Reve, of van Harry Mulisch, of van W....

In alle opzichten 'nieuw' was het verwachte boek van Van der Heijden niet, want iedereen die de cyclus De tandeloze tijd had gevolgd, wist dat het om een ontbrekende schakel in de enerverende reeks avonturen van de rooms-katholieke Brabander Albert Egberts ging, die vanuit Geldrop via Nijmegen in het woelige Amsterdam van de jaren tachtig was terechtgekomen en daar aan drugs ten prooi was gevallen. Niettemin was de belangstelling voor dit boek - dat ruim veertienhonderd pagina's bleek te omvatten en in twee delen werd gepubliceerd - even groot als wanneer het om een geheel nieuw werk zou zijn gegaan.

De verschijning van Het hof van barmhartigheid en Onder het plaveisel het moeras ging gepaard met een stortvloed van recensies - veelal opgeluisterd met een groot portret van de auteur -, die over het algemeen buitengewoon lovend waren, al was er ook kritiek.

Robert Anker stak die in Het Parool niet onder stoelen of banken. Hij vroeg zich af of de vormgeving van het idee van 'het leven in de breedte' zoals Van der Heijden dat aan de hand van het leven van Albert Egberts wil tonen, wel gebaat is bij 'het schrijven in de breedte' en hij voegde daaraan toe: 'Het is een bekende kwestie in het modernisme. Beschrijf je bijvoorbeeld de chaos van het leven het best met een chaotisch boek of met een klassieke roman?'

Anker was geïmponeerd 'door de overweldigende hoeveelheid details die Van der Heijdens verbeelding produceert', maar hij haalde er ook 'een tikje zijn schouders bij op'. Hij vond dat er op die manier ook veel 'overbodigs' in dit derde deel was terechtgekomen (onder andere het verhaal over de vermeende moordenares Hennie A.) en zag als bezwaar 'het voor een literair werk merkwaardige gegeven' dat 'er zich geen echte thematiek ontwikkelt'. Een 'overkoepelend idee over het leven, de mens, de samenleving' had Anker niet kunnen ontdekken en hij verdiepte zich tenslotte in de vraag 'hoe werkelijk de romans van Van der Heijden eigenlijk zijn.'

Met dat laatste worstelde, in een overigens heel goed geschreven stuk, ook Hans Goedkoop, die in NRC Handelsblad 'het hart van Van der Heijdens schrijverschap' meende te ontwaren in de omstandigheid dat de schrijver 'zijn kaarten zet op de taal'. 'Het leven', zo legde Goedkoop uit, 'mag ellende zijn, een voorgeborchte van de dood, er is een mogelijkheid om aan dat inzicht vorm te geven en zodoende boven de ellende uit te stijgen. Overzicht is overwicht. De mens mag weinig meer zijn dan 'een lijst rond het gat waaruit zijn vuil de wereld in druipt', die lijst, dat gat, dat vuil kun je in woorden kleden die de troost verschaffen van het inzicht. Taal verheldert, als het meezit, en verheldering werkt als bezwering.'

Goedkoop plaatste Van der Heijden met 'zijn ongewoon vertrouwen in de macht van de taal' - 'De taal wordt een werkelijkheid op zich, een werkelijkheid waarin je leven kunt' - in de kring van de vroegere Revisor-auteurs, maar hij kon niet beweren dat Van der Heijden hem op dit punt had overtuigd.

Rob Schouten in Trouw bleef niet steken in een beschouwing over de verhouding tussen werkelijkheid en verbeelding - misschien omdat hij zich de consequenties van het modernisme in de literatuur wat meer bewust is dan de vorige besprekers - maar wees erop dat het bij alle realisme en zelfs hyperrealisme in deze boeken gaat om iets wat in De tandeloze tijd als volgt werd omschreven: 'Dat je alles wat je op je weg tegenkomt, en waar je niet omheen kunt, achteraf moet kunnen omsmeden, omsmelten tot iets moois, dat tegelijkertijd - verhevigd - een herinnering aan de gruwel in zich bergt.' En daarmee legde Schouten, met een slag om de arm, het accent op het feit dat zowel Het hof van barmhartigheid als Onder het plaveisel het moeras een literair kunstwerk is, dat zich, net als een muzikaal of een beeldend kunstwerk, uiteindelijk aan elke werkelijkheid onttrekt.

In die richting zocht ook Arnold Heumakers in de Volkskrant een antwoord op alle prangende vragen. Hij vergeleek Van der Heijden met negentiende-eeuwse poètes maudits als Rimbaud en Baudelaire - die ook van modder goud wisten te maken - en daarmee gaf hij niet alleen aan dat de kracht van Van der Heijdens werk schuilt in de poëzie, in een esthetisering van de wereld door middel van de taal, maar tevens dat deze laat-Romanticus zich een mogelijke wereld wil scheppen uit de historische of de werkelijke: 'een mogelijke parallelle wereld, die de verschrikkingen van de realiteit geen moment verloochent en die toch dank zij de esthetische alchimie van vorm en stijl nergens afstotend wordt', aldus Heumakers, die daaraan toevoegde: 'al heeft men wel enig geduld en doorzettingsvermogen nodig om daar achter te komen.'

Carel Peeters betoonde zich in Vrij Nederland even geïmponeerd als Robert Anker, maar bij hem was dat geen retorische inleiding tot een min of meer afwijzend oordeel. Integendeel. Peeters was van mening dat er, ondanks al die ruïneuze levens met hun rafels en bedorvenheid en de erotische orgieën die Van der Heijden schildert - als een adept van Sade, zou ik eraan willen toevoegen - 'een waardigheid door de boeken zweeft die zelfs het ergste draaglijk maakt.' Volgens Peeters is dat 'de waardigheid van de verbeelding'. Voor hèm was de belangrijkste vraag wat er te voorschijn komt bij het 'ontkorsten van de werkelijkheid' dat de schrijver zich ten doel heeft gesteld. Voor het antwoord moet de lezer te rade gaan bij de Vrij Nederland van vandaag, want Peeters kreeg zijn oordeel - net als indertijd bij De ontdekking van de hemel van Harry Mulisch - niet in één keer rond.

Het hof van barmhartigheid en Onder het plaveisel het moeras verschenen bij Querido (allebei ¿ 57,50 of ¿ 72,50 voor de gebonden editie). Voor ¿ 4,95 krijgt de lezer er het boekje Groepsportret (met illustraties van Peter van Straaten) bij, waarin wordt uitgelegd wie wie is in De tandeloze tijd.

Gerrit Komrij, zijn naam kwam al ter sprake, mocht voor Rudi Fuchs in het Stedelijk Museum een tentoonstelling maken van de mooiste schilderijen die hij in het depot (de 'kelders' schrijft Komrij) vond. In de catalogus daarbij (Kijken is bekeken worden, AP, ¿ 45,-) geeft Komrij zijn visie op de schilderkunst, en dat is voor wie van Komrij's poëzie en proza houdt, prikkelender om te lezen dan wat je gemeenlijk in de kunstkritiek aantreft. In een apart hoofdstuk, 'Hoe over kunst te schrijven', gaat Komrij in op deze kunstkritiek, op wat er gebeurt als je beelden in taal wilt vangen. Kun je kunst beschrijven? En zo niet, gaat dan de taal niet met je op de loop, zodat het geschrevene een geheel eigen inhoud krijgt, die los staat van het kunstwerk dat je zag?

Kunsthistorici, zoals Carel Blotkamp, Evert van Straaten, Els Hoek en anderen kunnen zich vaak tot een beschrijving beperken, wat ze in De vervolgjaren van De Stijl, de jaren vanaf 1922 tot 1932, dan ook in praktijk brengen. Dit boek vult De beginjaren van De Stijl aan, dat de periode 1917 tot 1922 behandelde. Het verscheen in 1982 als vrucht van de inspanningen die een groepje Utrechtse (aankomende) kunsthistorici zich had getroost om het werk van Theo van Doesburg, César Domela, Bart van der Leck, Piet Mondriaan, J. J. P. Oud, Gerrit Rietveld en andere kunstenaars die zich verzamelden rond het tijdschrift De Stijl een samenhang te verschaffen.

De beginjaren werd, internationaal, zeer geprezen, maar er was ook kritiek. In het verzorgd uitgegeven en mooi geïllustreerde vervolgdeel wordt die kritiek in een afrondend beeld van De Stijl 'als idee', als ideologie, verdisconteerd, legt Carel Blotkamp uit (Veen, ¿ 89,90).

Met de literatuur is het in deze herfstige zomer een aflopende zaak, wat misschien A. F. Th. van der Heijden en zijn werk ten goede komt. Aan Nederlands proza signaleerde ik alleen nog het debuut van Paul Verhaeghen, Lichtenberg (Meulenhoff Manteau, ¿ 34,90); Het huis aan de Cassia van Sepha de Leeuw (Kwadraat, ¿ 34,90); De medische encylopedie van Marco Kamphuis (Kwadraat, ¿ 24,90); Ik hing aan je nachtjapon van Perry Dijkstra (Wereldbibliotheek, ¿ 29,50) en Hier klopt iets niet, 'de beste verhalen' van Bob den Uyl (Querido, ¿ 29,90).

Lichtenberg begint niet onaardig met het levenseinde van een jongeman, die muzikant is geweest bij The Local Losers uit Leuven, verliefd werd en ten slotte een baantje kreeg op een wetenschappelijk instituut, waar met verve wordt geëxperimenteerd met 'kunstmatige intelligentie'. Lichtenberg heeft iets studentikoos. Veel lijn zit er niet in dit relaas over seks en rock. In plaats daarvan heeft Verhaeghen er een leuke boel van gemaakt, soms op het oubollige af. Ook De medische encyclopedie - over een wel zeer hypochondrische jongeman - moet het van satire hebben. Sepha de Leeuw heeft het serieuzer aangepakt. Zij laat drie personages hùn verhaal vertellen over een moord in de heuvels van Lazio en door die vorm, door de couleur locale en door het weinig toeristische beeld van de dorpsgemeenschap dat zij schetst, wordt het nog wat ook, Het huis aan de Cassia.

Perry Dijkstra, een Rotterdammer, die in de jaren zestig en zeventig met het maatschappijkritische theater Tentakel optrad, haalt in Ik hing aan je nachtjapon herinneringen op aan zijn (Rotterdamse) jeugd. Die deelt hij met een andere Rotterdammer, Bob den Uyl. Den Uyl was een geliefd verhalenverteller, tot zijn dood in 1992. Daarna werd hij, denk ik, nauwelijks nog gelezen. De nu verschenen selectie uit bundels als Vogels kijken, Een zachte fluittoon, Gods wegen zijn duister en zelden aangenaam en Het landschap der levenden, kan dat veranderen.

De rest is poëzie. Van Joseph Brodsky, de Nobelprijswinnaar, die in 1996 plotseling overleed, is er Triton, een keuze die vertaler Peter Zeeman uit de gedichten van 1985 tot 1994 maakte (De Bezige Bij, ¿ 29,50). Meulenhoff publiceerde van Federico García Lorca de voor hem zo typerende Liedjes, vertaald door Bart Vonck (¿ 39,90) en van Seamus Heaney verscheen Het eerste koninkrijk, een keuze uit zijn werk door Peter Nijmeijer (eveneens Meulenhoff, ¿ 39,90). Dezelfde uitgever liet Jan Eykelboom een aantal opstellen óver poëzie van de Ierse Nobelprijswinnaar vertalen, De genoegdoening van poëzie, waarin Heaney dichters als Christopher Marlowe, Oscar Wilde, W. B. Yeats, Dylan Thomas en Elizabeth Bishop tracht te doorgronden (¿ 45,-).

Van Koos Geerds is er Gods element (AP, ¿ 34,90) en van Cees van Hoore De bodem van de hemel (De Harmonie, ¿ 24,90). De poëzie van de reclame-man Martin Veltman werd een jaar na zijn dood gebundeld in De Veltman-verzameling (AP, ¿ 49,90).

Hors concours verscheen bij Herik in Landgraaf een fraaie gelegenheidsbundel van Leo Vroman (met tekeningen van zijn hand), die over 'vergelijkingen' gaat en ook zo heet: Vergelijkingen (¿ 27,90).

En dat was het dan, voor dit seizoen.

Op twee boeken na.

Het ene heet Zwarte Eland spreekt. Het zijn de herinneringen, verhalen en visioenen van de laatste ziener der Oglala-Sioux, zoals opgetekend door de Amerikaan John G. Neihardt (vertaald door Pieter Thomassen, Bijleveld, ¿ 34,90). Het andere getuigt van de vlijt en ijver, die Hans van der Horst, in Louis Couperus' zijlijnen, aan de dag legt om alle krabbeltjes en tekeningen waarmee de meester zijn manuscripten versierde, in kaart te brengen (Boring & Slag, Brouwersgracht 70, Amsterdam, ¿ 89,95).

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden