De waarde van de waan (Gerectificeerd)

Manisch-depressiviteit kan voor de kunst een zegen zijn, betoogt de Amerikaanse hoogleraar Kay Redfield Jamison. Herman Melville, Robert Schumann, Hector Berlioz, Lord Byron – zonder hun ziekte zouden ze de middelmaat niet zijn ontstegen....

Op 7 februari 1931 noteerde een opgeluchte Virginia Woolf in haar dagboek dat ze eindelijk, eindelijk, de hemel zij geprezen, de laatste hand aan The Waves had gelegd: 'Ik ben door de laatste tien bladzijden heen geschoten met enkele momenten van een zo grote intensiteit en bedwelming dat het leek of ik al struikelend achter mijn eigen stem aanholde, of bijna achter een soort spreker (zoals toen ik gek was). Ik werd bijna bang toen ik aan de stemmen dacht die voor me uit plachten te vliegen.'

Wie Virgina Woolf kende, wist dat ze niet alleen op papier achter haar eigen stem aan kon struikelen, maar ook in gesprekken. Haar intelligente en humoristische conversatie konden zonder aankondiging overgaan in een meeslepende, lyrische woordenstroom over een willekeurig onderwerp. Alsof, schreef haar man Leonard Woolf, 'de vaste grond verlaten was' en haar gedachten spontaan, zonder sturing van het bewuste, opwelden. Hoe mooi haar fantasieën op zulke momenten ook konden zijn, ze maakten Leonard Woolf bezorgd. Haar niet te stuiten woordenstroom kon een teken zijn van meer en van erger. Zoals ook langdurige slapeloosheid een teken kon zijn van wat altijd op de loer lag: een periode van afwisselend inktzwarte somberheid en prikkelbare, manische gejaagdheid. En een heel enkele keer zelfs van regelrechte gekte. Tijdens deze echt gekke, psychotische periodes verloor ze iedere band met de realiteit, hoorde ze stemmen, had ze wanen en leefde ze in een eigen, nachtmerrieachtige woestenij.

Haar eerste zware depressie had ze op dertienjarige leeftijd, na de dood van haar moeder. Haar eerste psychose volgde negen jaar later, na de dood van haar vader. Ze hoorde die keer hoe de vogels voor haar raam Grieks met elkaar spraken en hoe koning Edward VII haar vanachter de azalea's obsceniteiten toeriep. Een volgende psychose, aan het begin van haar huwelijk, duurde een paar maanden en eindigde in een twee dagen durend coma.

Leonard Woolf leerde al snel dat de kern van haar sprankelende persoonlijkheid door de aanvallen van razernij en melancholie niet aangetast werd en dat haar literaire productie in de langdurige rustige periodes tussen de aanvallen in volle vaart doorging. Maar hij leerde ook dat voortdurende waakzaamheid geboden was. Tweemaal schoot die waakzaamheid tekort. Eenmaal vergat hij de voorraad Veronal weg te sluiten en slikte ze een overdosis die haar bijna fataal werd. De tweede keer – in 1941 – kwam iedere hulp te laat. Met stenen in haar jaszak liep ze de rivier de Ouse in en verdronk zichzelf.

In Het cahier Virginia Woolf zijn teksten verzameld, onder meer van Leonard Woolf, die bij elkaar een intriest beeld geven van de aard en het verloop van de ziekte van zijn vrouw. Virginia Woolf leed aan manisch-depressiviteit, een diagnose die Leonard Woolf zelf – tegen de opvattingen van de geconsulteerde artsen in – stelde. Dat hij het daarmee bij het rechte eind had, betwijfelt tegenwoordig niemand meer. Manisch-depressiviteit is een zeer ernstige, genetisch bepaalde psychiatrische aandoening waaraan 1 procent van de bevolking lijdt. Van hen pleegt 20 procent uiteindelijk zelfmoord. Maar het is ook een aandoening met een positieve keerzijde. Weegt deze keerzijde op tegen de pathologische ellende?

Leonard Woolf was ervan overtuigd dat de ziekte van zijn vrouw niet alleen verwoestend voor haar gezondheid was maar tegelijkertijd in nauw verband stond met haar genialiteit. Gek en geniaal in een innig verbond: het is een eeuwenoude gedachte. 'Waardoor komt het dat alle mannen die uitzonderlijk zijn geweest in de wijsbegeerte of de politiek of de literatuur of de kunsten, melancholici bleken te zijn?', schreef Aristoteles ruim tweeduizend jaar geleden. 'Wij schrijvers zijn allemaal krankzinnig', meende Lord Byron aan het begin van de 19de eeuw.

Een hedendaagse uitdrager van dit gedachtegoed, zij het met de nodige nuancering, is de Amerikaanse hoogleraar in de psychiatrie Kay Redfield Jamison.

Jamison, die zelf aan de ziekte lijdt, schreef menig gezaghebbend boek over manisch-depressiviteit. De verzengende muze is de zojuist verschenen vertaling van het boek waarin ze overtuigend aantoont dat dichters, schrijvers, kunstenaars en componisten aanzienlijk vaker aan een stemmingsstoornis lijden dan andere bevolkingsgroepen. Hun werk is niet het product van een krankzinnige geest, maar wordt, aldus Jamison, wel degelijk door de stemmingsstoornis beïnvloed. Manisch-depressiviteit is een ziekte met vele verschijningsvormen, variërend van mild tot ernstig. Een milde manische episode, de hypomanie, wordt onder meer gekenmerkt door een eufore stemming, een verhoogde gevoeligheid voor zintuiglijke prikkels, een groot zelfvertrouwen en onstuitbare energie. Voeg deze symptomen bij een groot talent en er ontstaat oorspronkelijke en fraaie kunst.

Het indrukwekkende gezelschap getalenteerde patiënten dat zij aan de hand van (auto)biografische gegevens samenstelt, omvat namen als Edgar Allan Poe, Melville, Van Gogh, Schumann, Berlioz, Strindberg en Byron.

De diagnoses worden achteraf gesteld en wankelen soms door een gebrek aan directe waarneming.

Zo is de dramatische levenswandel van Lord Byron voor meerdere interpretaties vatbaar. Byron was de icoon van een generatie vertwijfelde, cynische en romantische dichters die meer heil zagen in het aan twee kanten opbranden en er zonodig een eind aan maken, dan het leven in middelmatigheid uit te zitten. Koos Byron zelf voor zijn ontsporende leven of kon hij niet anders omdat hij manisch-depressief was?

In het fraaie Het cahier Lord George Gordon Byron worden dezelfde gegevens gepresenteerd als in het hoofdstuk dat Jamison aan Byron wijdt: de onberedeneerde woedeaanvallen die hem sinds zijn jeugd overvielen, de schaamte over zijn horrelvoet, de onrust, het regelmatig geuite doodsverlangen, de incestueuze relatie met zijn halfzuster, de uitspattingen met drank, seks en schulden, de voorkeur voor een leven met risico's. De samensteller van Het cahier Lord George Gordon Byron, Ed Brand, laat het aan de lezer om in deze gegevens een bevestiging van de diagnose manisch-depressiviteit te zien. Voor Jamison is daarover geen twijfel mogelijk.

Zij lijkt daarmee soms gedreven door de behoefte zichzelf in goed gezelschap te weten. Dat is zeker zo in haar recent verschenen boek Exuberance. Met dit onderwerp, uitbundigheid, lijkt ze een nieuwe weg ingeslagen te zijn. Uitbundigheid is een positieve gemoedstoestand, die zelden het onderwerp van psychologisch onderzoek is. Ten onrechte, meent Jamison. De uitbundige persoonlijkheid is extravert, ondernemend, sociaal, bereid risico's te nemen, nieuwsgierig, creatief, buitengewoon energiek, legt verbindingen tussen de meest uiteenlopende ideeën, heeft een wervelende gedachtegang en een niet te stuiten, aanstekelijke levensdrang. Ze stapelt voorbeeld op voorbeeld – met Theodore Roosevelt als absolute favoriet – om aan te tonen dat mensen met deze uitzonderlijke mengeling van eigenschappen de slagkracht van de samenleving vormen op ieder gebied. De wat sceptischer lezer zal in deze mengeling vooral een persoonlijkheid herkennen die in het Amerikaanse pioniersdenken hoog aangeschreven staat. Het idee dat er zonder deze uitbundigheid geen vernieuwing zou zijn, is dan ook vrij eenvoudig te weerleggen met reeksen wetenschappers, kunstenaars en politiek leiders met een wat ingetogener karakter. Waar de serie eigenschappen wel mee overeenkomt – en daar lijkt dan ook Jamisons boodschap te liggen – is met de eufore gemoedstoestand van mensen met een lichte manie.

Het gaat te ver om te stellen dat Jamison de positieve kant van manisch-depressiviteit verheerlijkt. Maar wat ze wel wil benadrukken is dat de positieve kant van de ziekte het verdient gewaardeerd te worden, zowel door de patiënten als door de maatschappij.

Stel dat de genen die verantwoordelijk zijn voor manisch-depressieve stoornissen gevonden worden en het mogelijk wordt de ziekte met wortel en tak uit te roeien, zou dat dan de aangewezen weg zijn? Jamison meent, zoals duidelijk zal zijn, van niet. Hoewel ze voortdurend benadrukt dat de stoornis een afschuwelijke en vaak dodelijke ziekte is waar niet genoeg medicijnen tegen kunnen worden ingezet, blijft ze tegelijkertijd benadrukken dat de ziekte voor een beperkte groep individuen een waardevolle aanvulling op hun talent kan zijn.

En zo houdt ze alle lezers tevreden. Niemand zal ontkennen dat Lord Byron of Virginia Woolf op hun betere momenten schitterend werk leverde. En niemand die over het lijden van Virginia Woolf leest, zal ontkomen aan een gevoel van spijt dat er voor haar geen effectieve behandeling was.

'Wat was het vertrouwd', schrijft Virginia Woolf, als weer een boek voltooid is en de vertwijfeling over het resultaat toeslaat, 'met lood in mijn schoenen op straat lopen, terwijl somberheid en pijn mijn hart in een wurggreep houden; en het aloude verlangen naar de dood, en dat alles, dat moet gezegd, om een paar achteloze woorden.'

Op 28 maart 1941 besluit de dan 59 jaar oude schrijfster dat die paar achteloze woorden de pijn niet meer waard zijn. Ze voelt zich opnieuw gek worden, en ze weet, schrijft ze in haar afscheidsbrief aan Leonard Woolf, dat ze deze keer niet beter zal worden. 'Ik begin stemmen te horen en kan me niet concentreren. Dus doe ik wat mij het beste lijkt om te doen.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden