De vuurkuil

We waren met een stuk of vijftien vrienden bij elkaar, op een afgelegen plek ergens in het noordoosten van Duitsland....

Mariët Meester

'Heb jij soms een jachtgeweer?', had iemand uit ons gezelschap een jaar eerder langs zijn neus weg aan een van de anderen gevraagd. Maar de aangesprokene woonde in Amsterdam, dus nee, hij had geen jachtgeweer. Degene die het vroeg, was bij de Maori's in Nieuw-Zeeland geweest, en had daar iets gezien wat hij zelf graag zou willen uitvoeren in Duitsland. Hij verheugde zich er enorm op.

Toen het eindelijk zijn beurt was om voor de hele groep te koken, begon hij in het zand een kuil te graven van wel een meter doorsnee. Met sloophout stookte hij er een groot vuur in. Rondom, op de rand van de kuil, legde hij kleine zwerfkeien die hij in de omgeving had verzameld. Na ongeveer een uur was hij tevreden met de hoeveelheid gloeiende houtskool en rolde de stenen er met zijn voet bovenop. Ondanks dat ze hadden liggen opwarmen, knapten er heel wat doormidden. Met behulp van stokken schikte hij ze tot een vloer die het verbrande hout helemaal afdekte.

Van te voren had hij stukken hekgaas gezocht, waarvan hij twee ondiepe korven boog. In de ene deed hij naast kip en kalkoen een forse homp everzwijn, die hij - helaas - bij de slager had moeten kopen. Verder gingen er een groot aantal schoongeboende aardappels in, en ook verschillende andere soorten knollen. Nadat hij zout over het vlees had gestrooid, zette hij de korf op de stenenlaag. De tweede korf kwam er bovenop te staan, gevuld met groenten zoals uien, prei, koolbladeren en selderij. Het geheel dekte hij voorzichtig af met natte handdoeken, die elkaar iets overlapten en ook de zijkant van de korven bedekten. Tot slot bedolf hij alles onder het zand dat uit de kuil was gekomen. Er was nu niet veel meer te zien dan een lichte bolling van de grond.

Met de hele groep zaten we rond de mysterieuze oven te wachten. Het zand bovenop werd langzamerhand warm. Bij de Maori's had het drie uur geduurd, maar onze kok begon na twee uur met de schop het zand weg te halen. Naarmate hij de handdoeken dichter naderde, deed hij dat steeds voorzichtiger. Uiteindelijk trok hij ze in een snelle ruk omhoog.

We aten aan lange houten tafels, zo uit de korf op het bord. Nergens zat zand op en niets was verbrand. Vet noch specerijen waren er aan te pas gekomen. Alles was gaar, alles ging op.

Het woord is beladen, maar ik durf dit 'geluk' te noemen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden