DE VROUWEN VAN BARAKA

Alles in Baraka herinnert nog aan de 'Eerste Afrikaanse Wereldoorlog', waarin 3,8 miljoen mensen het leven lieten. Baraka is een spookstad geworden....

De enige vrouw in Baraka die de gruwelijke oorlog zonder kleerscheuren heeft doorstaan, is van steen. Ze is te vinden in de toren van het katholieke kerkje. Het bruingele gebouw is opgetrokken aan het eind van een stoffige weg, de witte gebeeldhouwde maagd kijkt vanuit haar nis neer op het spookstadje aan de rand van het Tanganyika-meer, de armen troostend en wenkend.

Baraka, oord in het Wilde Oosten van Congo, veel is het niet. Vervallen katoenfabrieken, die hun glorieuze tijden beleefden tijdens het barse Belgisch koloniaal bewind, opgekrulde roestige treinrails, in elkaar gedonderde winkels waarop nog vaag opschriften als magasin en alimentation zijn te lezen, huizen waarvan de bovenste verdiepingen zijn ingestort.

In het centrum, een roestig Finabord herinnert aan de tijden dat hier een benzinestation was te vinden, staat een bizar monument: 'Ter herinnering aan onze vrienden die zijn gestorven wegens gebrek aan schoon drinkwater.'

Er zijn, voor wie goed kijkt, tekenen van herstel. Er is weer een minibusdienst op Uvira: zes uur hotsebotsen over een niet ongevaarlijke jungle-piste. De naam van het transportbedrijfje: Courage.

Volk schuiert hongerig en doelloos over de zanderige straten, regulier werk is er niet. Overal lopen jonge mannen met automatische wapens, achteloos in de hand of aan de schouder. Sommigen dragen uniformen - blauw of groen -maar het blijft ook dan onduidelijk of ze tot een reguliere eenheid van het leger behoren.

Bijna vier miljoen mensen kwamen om tijdens de etnische oorlog die sinds 1998 in dit deel van Congo woedde. Het was een ramp, waarvan de gruwelijke details in Europa nauwelijks doordrongen. Het leger vocht tegen de rebellen, er werd gestreden tegen Rwandezen en Ugandezen, milities als de Interhamwe en de Mayi-Mayi struinden met hun AK-47' s brand stichtend door veld en bos.

Miljoenen burgers raakten op drift. Velen vluchtten de bergen in, anderen gingen in wankele bootjes naar de overkant van het reusachtige Tanganyika-meer. Daar verblijven nog steeds honderdduizenden mensen in vluchtelingenkampen.

Er is nu sprake van een fragiele vrede, waarop een troepenmacht van de VN (MONUC) moet toezien. Er wordt niet langer openlijk gevochten, maar veilig is het niet op de velden, op de modderige wegen, in de groene, mistige wouden.

Vooral vrouwen moeten het ontgelden, zegt Chantal Kakozi, voorzitter van de lokale vrouwenorganisatie Sofibef. Ze tovert een pijnlijk glimlachje op het gelaat. Voor vrouwen en meisjes, zegt ze, juist zij die de informele economie nog enigszins in stand houden met hun handeltjes, is het nog altijd oorlog. Net als tijdens de 'echte' oorlog, is het gevaarlijk om uit de dorpen naar hun veldjes met het nationale volksvoedsel maniok te lopen, is het riskant om water te gaan halen.

Tijdens de oorlog werden tienduizenden vrouwen al slachtoffer van de rebellen en soldaten, ze werden verkracht en niet zelden vermoord. Verkrachting als gruwelijk wapen, nieuw is het niet in de geschiedenis, om de maatschappij te ontregelen. De daders weten wat ze doen: een verkrachte vrouw is hier een paria, vertelt Kakozi, bijna altijd wordt ze door man en familie verstoten.

En daarmee valt meteen de basis onder de familie weg. De vrouw doet immers het werk, zij verzorgt de kinderen, zij bewerkt het veld, zij sprokkelt hout, zij haalt water. Als vrouwen niet meer naar het veld durven om maniok te halen, dan duikt weldra het spook van de honger weer op.

Mannen, schampert Chantal Kakozi, gekleed in een kleurige jurk, zijn eigenlijk niet meer dan voorbijgangers, luiaards die wat rondhangen. Een enkeling vist naar talapia op het meer, maar het zijn toch vooral de vrouwen die de toch al zo wankele economie gaande houden.

Het mag in naam vrede zijn, zegt Kakozi, de soldaten en de al dan niet in het leger geïntegreerde rebellen vergrijpen zich nog steeds aan vrouwen. Ze krijgen geen soldij, ze leven van het land. Met hun onafscheidelijke AK-47's voeren ze als tollenaars een middeleeuws schrikbewind. Bij roadblocks troggelen ze lopende of fietsende passanten wat franken af; wee degene die niet wil of kan betalen - vooral ' s avonds is het langs de weg onveilig, want dan zijn de soldaten dronken of stoned.

Elke vrouw die haar hut verlaat is potentieel slachtoffer, zegt Kakozi. Zij toont een vel papier met een afschuwelijke statistiek. Meer dan vierduizend vrouwen en meisjes, 4343 om exact te zijn, werden in 2004 in deze streek, ruwweg gelegen tussen Uvira en Fizi, verkracht door bewapende mannen.

Het papiertje van Kakozi legt ontluisterende feiten bloot. Er zijn weduwen bij, oma's, jonge meisjes tussen de 10 en 15 jaar. 'Er zijn ook slachtoffertjes onder de 10 j aar, maar daar hebben we geen cijfers van. Ja, zelfs baby's worden misbruikt.'

De daders gaan altijd vrijuit. In Oost-Congo regeert de impunité, de straffeloosheid. Rechtbanken zijn er niet. Als dappere vrouwen bij de legercommandanten klagen, worden ze uitgelachen - of erger. De daders worden overgeplaatst in dit immense land, rebellen verdwijnen gewoonweg in de jungle.

Ruim vierduizend vrouwen in 2004, er zijn dorpen waar meer dan de helft van alle vrouwen is verkracht. 'In werkelijkheid zullen het er meer geweest zijn', vreest Kakozi, 'lang niet iedere vrouw of meisje durft erover te praten, bang als ze zijn voor de consequenties binnen hun familie. Praten over seks is in onze cultuur taboe.'

In Baraka, waar in 2004 minstens 328 vrouwen werden verkracht, heeft Sofibef, met financiële hulp van het Nederlandse ICCO, een opvanghuis voor de verstoten en misbruikte vrouwen ingericht. Het huis ligt aan het stoffige pad dat naar het kerkje met zijn onbevlekte maagd voert, half weggestopt achter een rieten schutting.

Beklemmend In de ruimte aan de voorkant worden de vrouwen opgevangen die zich net hebben gemeld. Het is een beklemmend, grijs vertrek. Tientallen vrouwen zitten op rieten matjes. Ze ondersteunen het hoofd met hun handen. Ze zijn oud én jong, een enkeling zoogt een baby. In deze ruimte zou een Nederlandse boer zijn vee nog niet eens zou stallen.

Het is nog niet veel, verontschuldigt Kakozi zich, maar het is een begin. 'We hebben hier geen getrainde psychiaters. En we proberen de mannen, als zij nog leven, weer met hun vrouwen te verzoenen. Soms lukt dat bemiddelen en wordt een vrouw weer door haar eigen familie opgenomen.'

Chantal Kakozi doet dat werk samen met andere dappere vrouwen, met Marie Amisi, met Judith Eca. Ze horen de verhalen aan, van vrouwen die door acht soldaten werden misbruikt, van oma's die door jonge rotzakken het woud werden ingesleurd, van vrouwen die aangerand werden terwijl ze met hun familie op weg waren naar de markt - man vermoord, dochters óók verkracht.

Achter het Sofibef-huis hangt een minder depressieve sfeer dan in het vertrek aan de voorkant. Onder een rieten dak zitten fleurig geklede vrouwen achter naaimachines. Ze lachen, maken grapjes. In een hoek draaien jonge vrouwen lange staartjes in elkaars haar. Het ergste leed is hier ogenschijnlijk verwerkt.

Kakozi: 'Als vrouwen niet langer welkom zijn binnen hun familie, dan kijken we of we ze een zelfstandig beroep kunnen laten uitoefenen. Dat leren we ze hier. Een klein winkeltje, een naaiatletier, dat helpt ze al op weg. Ze moeten weer aan het werk, want vaak worden ze samen met al hun kinderen uit de familie gezet.'

Even ten noorden van Baraka ligt Kalundja. De afgelopen jaren werd daar meer dan 70 procent van alle vrouwen verkracht. De verstikken -de massaliteit heeft een voordeel, het probleem is er bespreekbaar door geworden, elke familie kreeg er immers mee te maken.

Om het collectieve leed therapeutisch te verwerken, voeren de vrouwen van Kalundja vandaag een toneelstukje op. Alle rollen, ook die van de mannen, worden gespeeld door vrouwen. De hoofdrolspeelster beklaagt zich erover dat zij al het werk moet doen. Hout sprokkelen, water halen, het veld bewerken - terwijl manlief, gespeeld door een vrouw, op een bankje zit te roken.

In een volgende scène wordt ze door rebellen, gewapend met van hout gemaakte wapens, weggevoerd om verkracht te worden. Het is pijnlijk, maar het publiek schatert het uit als de vrouw over de grond wordt weggesleept.

Haar man wil haar daarna niet terughebben, maar na bemiddeling door een hulpverleenster (T-shirt met opschrift Le viol est un crime de guerre, verkrachting is een oorlogsmisdrijf) bindt hij toch in. Het publiek heeft de grootste pret als de man en de vrouw elkaar kussen, want twee kussende vrouwen, dat zie je hier nooit.

De binnencirkel van het publiek bestaat uit vrouwen, de buitenste kring staat vol mannen. Tijdens de opvoering is ook een drietal Mayi Mayi-strijders uit de jungle opgedoken. De jongens, bewapend met kalasjnikovs, glimlachen. Ze doen vandaag geen vlieg kwaad.

Wat ze van het toneelstukje vonden? Het antwoord is een stoere grijns. Dan zijn ze weg, net zo snel als ze zijn gekomen, terug het woud in.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden