De volle dag op de middenweg

HET WAS VOOR ZIJN toehoorders een historische gebeurtenis. Op een ochtend in mei 1914 - de bomen buiten waren vol bloesem - doorbrak A.E....

Buitenwereld en gedicht moeten voor Housman even zijn samengevallen: de bloesemende bomen buiten gaven de tekenen van sterfelijkheid, die elke lente terugkeren. En de ode duidt die tekenen. In het nieuwe begin kondigt zich het einde aan (als in Gorters Mei). In de eerste strofe wordt de overwinning van de lente op de winter opgeroepen, maar aan het einde van de derde strofe zijn we de seizoenen gepasseerd en is de 'verlammende kou' teruggekeerd. En daarop volgt het schitterende beeld: 'Al wat de maan aan de hemel verliest, wordt spoedig hersteld.' Waarop het onvermijdelijke 'maar' en de beschrijving van onze onherstelbare afloop volgt. Hoewel pas 42 jaar bij voltooiing van het vierde boek van de Carmina, wist Horatius zich, gezien de gemiddelde levensverwachting van zijn tijd, een oude man. Dat verklaart veel van de ernst van dat boek, van deze ode ook en misschien zelfs van de aanduiding old fellow van Housman door een anoniem gebleven student.

De triomfantelijke eerste strofe luidt in Housmans vertaling:

The snows are fled away, leaves on the shaws

And grasses in the mead renew their birth,

The river to the river-bed withdraws,

And altered is the fashion of the earth.

Er bestaat ook een vertaling van Samuel Johnson. Die vertaalt de eerste vier regels - hij houdt geen strofenindeling aan - wat vlakker. Dat gaat als volgt:

The snow dissolv'd no more is seen,

The fields, and woods, behold, are green,

The changing year renews the plain

The rivers know their banks again.

In 1987 verscheen een volledige vertaling van Horatius' Oden en Epoden van Louis van de Laar. De eerste regels luiden in zijn vertaling:

Geweken is de sneeuw, reeds keert weer op de velden het grastapijt

en het lover aan de bomen;

het land wisselt van rol en, zich nu weer versmallend, glijden de stromen

langs hun oude oevers voort;

Dat is duidelijk vertaalde klassieke poëzie, waarin men, waarschijnlijk vanuit de traditie, vaak verouderde woorden voor levende kiest, wat de vertaalde poëzie misschien een eerbiedwaardig, maar zeker een museaal karakter geeft.

Onlangs is een nieuwe volledige vertaling verschenen van de Oden. De vertaler is P.H. Schrijvers, die al eerder een werkelijk verbluffende vertaling van Horatius Ars Poetica publiceerde. Bij hem luidt de vertaling van de eerste strofe van de ode als volgt:

Weg is de sneeuw en het gras komt weer op het veld en op bomen

keren de bladeren terug.

de aarde verandert van aanschijn, rivieren slinkend in omvang

stromen aan oevers voorbij.

Mijn voorkeur gaat uit naar de vertaling van Housman, ondanks zijn aanpassing van het gedicht aan een traditionele versvorm. Het op de vlucht gaan van de sneeuw voor de lente ligt niet alleen het dichtst bij het oorspronkelijke, maar levert ook een mooie, en vooral zinvolle 'vermenselijking' op, die bij 'weg' en 'geweken' verdwijnt. Bij Schrijvers wordt eerder, ook in de andere regels, een natuurgebeuren beschreven; de bezieling van de natuurverschijnselen is er uit. En daar is het toch om begonnen, want juist de personificatie brengt de dichter en lezer in jaloerse positie tegenover de natuur.

HOUSMANS UITSPRAAK 'het mooiste gedicht in de klassieke literatuur' kunnen we, als alle gelijksoortige uitspraken, alleen voor kennisgeving aannemen. Hoe hij het, met zijn zeer grote kennis van de Latijnse en Griekse literatuur, heeft gelezen, weten we niet. Wellicht zag hij er vele tradities zich op superieure wijze in vernieuwen, in schijn dan, zoals dat ook met de lente-natuur het geval is. Niet onmogelijk is ook dat het zo spoedige sterven van het jonge leven hem aangreep - in zijn eigen poëzie keert het gegeven vaak terug en hier wordt het als een onherroepelijk gebeuren verwoord; een natuurwet, zou ik haast zeggen, voor de mens dan. Wat het mooist wordt gevonden, is bijna altijd het persoonlijkste. En zo zou Housman zichzelf verraden. En mogelijk ook zijn verbondenheid met de oudere Horatius, want het 'mooiste' ontstaat pas in een relatie lezerdichter. Housman zou dan Horatius directer of persoonlijker hebben gelezen dan de dichter verstaan wilde worden.

Al die vermoedens spreek ik uit omdat het mij intrigeert hoe Housman Horatius, buiten zijn filologische colleges en studies om, las. De ode is gericht tot een zekere Torquatus. Ik vermoed dat hij nog jong was en zo overmoedig in zijn levensverwachtingen. De dichter roept hem tot de orde van de waarheid in deze lentebrief, die in de vertaling van Schrijvers met deze twee strofen afsluit:

Ben je eenmaal gestorven en is over jou door Minos

duidelijk vonnis geveld, dan

geeft, Torquatus, geen afkomst, geen radheid van tong of vroomheid

jou aan het leven terug,

want ook Diana bevrijdt niet de kuise Hippolytus uit

het duistere rijk van de dood,

noch heeft Theseus de kracht om de keten van Hades te breken,

die zijn Pirithoüs boeit.

Het laatste moet een beroep doen op herkenning en het geluk daarvan. Oude verhalen geven het verwoorde ook kracht van overtuiging. Niet alleen kennis, maar ook beleving ervan wordt verondersteld. Die kennis is de meesten van ons vreemd, de beleving nagenoeg iedereen. Daardoor krijgt die laatste strofe voor ons een kunstmatig en weinig- of nietszeggend karakter. De classicus is in staat het vertrouwde karakter van de gegeven voorbeelden te herkennen, hun retorische aard dus. Of de oorspronkelijke manier waarop Horatius hier een traditie varieert. Hij kan aan die slotstrofe een context geven, zoals hij dat met ontelbare gegevens in de Carmina kan doen. De analyse van een enkel gedicht uit de Oden kan bewijzen hoeveel verschillende kennis voor het aanbrengen van die context nodig is. Maar al die duidingen kunnen niet verhinderen dat de gegevens voor ons niet meer als poëzie functioneren. Ze blijven theorie en binden zich niet meer met de rest van het gedicht, die wij 'gewoon als poëzie' lezen. (Housman kon kennelijk het geheel nog zo lezen). Ze zijn hun verbeeldingskarakter voor ons kwijt. Uit die zevende ode blijven mij de grote natuurbeelden, die vanaf de Grieken tot in onze dagen actief zijn gebleven, bij. En die verbeelden de sterfelijkheid van het jonge leven voor mij.

JE LEEST DE POEZIE los uit gedichten die tweeduizend jaar van ons verwijderd zijn en uit een onherkenbare wereld komen. En wat opvalt, is, gegeven de aard van de poëzie en het voorbehoud dat eruit volgt, hoe vele van de 103 gedichten, die de vier boeken van Carmina samen tellen, zich gewoon als poëzie - en dat schitterende - laten lezen. Dat moet ook te maken hebben met de vertalingen van Schrijvers, die in de verfijndste en meest speelse gedichten werkelijk superieure poëzie schrijft. Die verfijnde zijn meestal liefdesgedichten. De eerste strofe van de vijfde ode uit het eerste boek luidt:

Welke tengere knaap overgoten met geur

poogt in het tuinprieel onder de rozenhaag,

Pyrrha, jou te belagen?

Voor wie vlecht je het blonde haar,

argeloos prachtvertoon?

Misschien is de eerste strofe van ode 23 uit hetzelfde boek nog verfijnder; lichtere taal is nauwelijks mogelijk:

Wanneer je wegvlucht voor mij, Chloë, dan lijk je

een hinde die in de verre bergen haar moeder zoekt,

radeloos bang zonder reden

voor het ritselend struikgewas.

Alliteraties en assonanties, maar vooral het metrum, dat de trefwoorden de juiste plaats geeft en in zijn vele variaties de gedichten zeer levendig maakt - Horatius heeft, in navolging van de Griekse poëzie, in zijn Carmina zeer verschillende metra gebruikt, hij moet daarmee het Latijn een tot dan onbekende beweeglijkheid hebben gegeven - maken de vertalingen vaak zeer bijzonder en laten de Nederlandse taal in de poëzie van het Latijn schieten. Nog één voorbeeld van ongewone lichtheid van toon, de eerste strofe van de bijna lieve ode 23 uit het derde boek:

Als jij je handen smekend ten hemel heft

bij nieuwe maan, boerinnetje Phidyle,

als jij de Laren gunstig stemt met

wierook, vers graan en een gulzig varken,

De goden zijn als de lezer van dit gedicht: ze bezwijken voor de giften van het boerinnetje.

DE GEDACHTEN uit het lente-dood-gedicht, dat Housman het mooiste in klassieke poëzie vond, zijn in de hele bundel Carmina aanwezig. De dichter richt zich voortdurend tegen de illusie van de duur en het zelfbedrog dat daaruit volgt. De onzekerheid van de ons gegunde tijd beheerst veel oden. En die brengt hem tot de aanmaningen die in het carpe diem haar beknopste vorm vonden. De dag plukken betekent het moment volledig beleven. Dat is zijn ene wijsheid. En die wordt vaak uitgesproken, ook waar hij spreekt over het genieten van de rust van het kleine landgoed dat Maecenas hem schonk. En van de genoegens, waaronder die van eenvoudige wijn , die het buitenverbijf hem geeft. Petrarca moet zijn buitengedachten en -leven hiernaar hebben gevormd.

In alles is Horatius iemand die wars is van uitersten. De beheersing, de matigheid, de afkeer van nadrukkelijke grootheid, de lof van het gelukkige niets-doen,- ze verraden de epicurist die hij was. Tussen de uitersten ligt zijn levenspad, de gulden middenweg, dat beeld van zijn andere wijsheid. Dat hij vooral in de achttiende eeuw zoveel dichters aansprak, is niet verwonderlijk: hij verheerlijkt het evenwicht dat toen het ideaal was. De harmonie is de kern van zijn moraal. En hij vindt steeds nieuwe taal en andere beelden om zijn vermaningen uit te spreken. Dat hij dichtte in een periode waarin voor het eerst politiek en maatschappelijk evenwicht was bereikt, heeft met zijn 'prediking' van de harmonie natuurlijk alles te maken. De dichterlijke leer, voortgebracht door de lier, is de ziel van de maatschappij. Hij wist zich woordvoerder en kende ook zijn grootheid als zodanig. Want alle vergankelijkheid door hem beschreven ten spijt, hij was van eigen eeuwige jeugd overtuigd. In zijn werk. Dat overal en altijd zal worden gelezen. De hekelaar van de pronkers is zelf niet van pronkzucht vrij en het eenvoudige Sabijnse heuvelland moet hij als een Olympus hebben gezien.

Het vierde boek kent veel tekenen van de ouderdom. Al dadelijk in de eerste ode smeekt hij de Liefde hem met rust te laten, in deze prachtige strofe:

Venus, bind je de strijd weer aan,

die reeds lang was gestaakt? Spaar me, o spaar me toch.

Ik ben niet wie ik was als knecht

van de dierbare Cinara. Nu ik vijftig word,

wrede moeder van zoete lust,

moet je mij niet doen buigen onder je zacht bewind;

stram van jaren ben ik, ga heen

waar een jongere man smekend roept om je komst.

Zelden zal er zo begerig afwerend zijn gesproken als hier. Zoals dat ook in de tweede ode gebeurt; daarin wordt de dichter die Pindarus naar de kroon wil steken, het lot van Icarus toegedicht. Maar intussen is de dichter in creatieve wedijver met zijn de grote Griek aan het dichten. Zijn verheerlijking van de onverwoestbaarheid van de Griekse voorbeelden is ook een vorm van zelfverheerlijking.

De derde ode uit het tweede boek is Horatius helemaal. Een gedicht dat tweeduizend jaar tot een dag maakt. Ik citeer de eerste drie strofen, waarbij ik de eerste twee als een inleiding tot de schitterende derde beschouw:

Bewaar altijd je geestelijk evenwicht

bij narigheden zoals je in voorspoed

evenmin te blij moet zijn,

Dellius, jij zult ook eenmaal sterven,

of je nu altijd je leven in treurnis torst

ofwel op vrije dagen je neervlijt in

het gras en je te goed doet aan een

niet te jonge Falernerwijn.

Waarom verbinden populier en pijnboom

hun gastvrije schaduw en nodigen uit?

Waarom tracht het jachtig beekje tussen

bochtige oevers voorbij te vluchten?

Of Dellius het antwoord heeft gekend, weet ik niet. Maar ieder kan de vraag met eigen ervaringen beantwoorden, al zal het maar later zijn, als hij de dichter gelijk moet geven. Zijn gelijk heeft Horatius onsterfelijk gemaakt.

Schrijvers gaf zijn vertaling een drievoudige inleiding mee. Delen daarvan zijn vaak verrassend goed geschreven. Een ervan is een verantwoording van zijn wijze van vertalen. En die is zeer instructief. Maar de leer vlucht al snel voor de onbloeiende poëzie. En zo hoort het.

Horatius, De lyrische gedichten, vertaald en ingeleid door Piet Schrijvers, Ambo-klassiek, Baarn.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden