De Volksrepubliek is lang zo’n eenheid niet

De Tibetanen en de Mongolen trekken doorgaans volop de aandacht, en sinds deze week ook de islamitische Oeigoeren, als China’s etnische diversiteit ter sprake komt. Maar de communistische volksrepubliek, die eenheid propageert, telt officieel nog 53 andere bevolkingsgroepen.

Van onze verslaggever Stieven Ramdharie

Van de dominante Han-Chinezen, die zo’n 92 procent van de bevolking uitmaken, tot minderheden als de Manchu (8,8 miljoen), Hui (8,6 miljoen), Dong (2,5 miljoen) en de 6,5 miljoen Yi. Bij elkaar goed, met de tientallen andere minderheidsgroepen, voor ruim 120 miljoen personen.

Deze cijfers illustreren meteen het probleem waarvoor het moderne China zich gesteld ziet, zeker als conflicten zoals nu in Xinjiang naar boven komen drijven: hoe de eenheid en stabiliteit te bewaren in een tijd waarin het land snel aan het veranderen is?

De groep minderheden is de laatste vijftig jaar aanmerkelijk toegenomen. Maakten ze begin jaren vijftig nog maar zo’n 6 procent uit van de bevolking, begin deze eeuw was dit aantal gestegen tot 8 procent. Nu, zestig jaar na de stichting van de volksrepubliek, is bijna een op de 10 Chinezen afkomstig uit een minderheidsgroep.

Voor de buitenwereld zijn de minderheden echter allemaal onderdeel van de Chinese cultuur, lees: de cultuur van de dominante Han-Chinezen. De succesvolle pogingen van Peking om de etnische minderheidsgroepen ‘weg te moffelen’, of te presenteren als louter folklore, hebben in belangrijke mate aan dit beeld van China als eenheidsstaat, met een homogene bevolking, bijgedragen. Door de onrust in Xinjiang moet dit beeld worden bijgesteld.

De provincie Xinjiang, net als Tibet en Binnen-Mongolië officieel een ‘autonome regio’, is het enige gebied in China met een moslimmeerderheid. Met Tibet is Xinjiang, dat in 1884 voor het eerst volledig deel uitmaakte van het keizerrijk en in 1933 onafhankelijk was onder de naam Republiek Oost-Turkestan, de enige administratieve regio in China waar etnische Chinezen niet de meerderheid van de bevolking vormen.

In de rest van China, vooral het oosten en zuiden, is dat anders. Daar vormen de tientallen minderheidsgroepen, zoals de 7,3 miljoen Miao en de 2,1 miljoen Yao, nauwelijks een bedreiging omdat ze verspreid wonen over diverse provincies waar ze overweldigd worden door de Han-Chinezen.

Bovendien, schreef Azië-deskundige Philip Bowring vorig jaar in The New York Times, wonen ze in gebieden waar China traditioneel nooit werd binnengevallen door buitenlandse machten.

Het minderhedenprobleem in Xinjiang en Tibet is volgens Bowring, oud-hoofdredacteur van de Far Eastern Economic Review, urgenter voor Peking omdat het gaat om belangrijke grensregio’s. Zo grenst Xinjiang aan acht Centraal-Aziatische landen. ‘Het zijn gebieden die Peking beschouwt als strategisch belangrijk’, verklaart Bowring de harde repressie in onder andere Xinjiang om een einde te maken aan het ‘moslimterrorisme’.

Bowring: ‘China zal blijven vertrouwen op de ijzeren vuist om afwijkende meningen te onderdrukken. Het is niet in staat minderheden óf culturele gelijkheid óf autonomie aan te bieden. Minderheden worden gezien, ook door een meerderheid van de bevolking, als verdacht of als kleurrijke toeristische attracties.’

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden