AchtergrondTweede Wereldoorlog

De vlucht van koningin Wilhelmina naar Londen: verstandig – of toch niet?

De meeste historici zijn het er wel over eens dat koningin Wilhelmina er in mei 1940 verstandig aan heeft gedaan om naar Engeland te vluchten. Een andere vraag is of zij zich daar voldoende heeft ingezet voor haar Joodse onderdanen.

Koningin Wilhelmina passeert de meelstreep in Eede (Zeeuws-Vlaanderen) en wordt ontvangen door de Commissaris der Koningin in Zeeland, J.W. Quarles van Ufford.  Beeld Nationaal Archief
Koningin Wilhelmina passeert de meelstreep in Eede (Zeeuws-Vlaanderen) en wordt ontvangen door de Commissaris der Koningin in Zeeland, J.W. Quarles van Ufford.Beeld Nationaal Archief

Het is een voetnoot in de geschiedenis, zeker geen brandende historische kwestie. Maar af en toe duikt ze weer op. Zo ook in de tweedelige documentaire De Joden & de Oranjes die de EO de komende twee zaterdagen uitzendt: de vlucht van koningin Wilhelmina naar Londen, op 13 mei 1940.

Het nieuws van haar vertrek – ‘verplaatsing van de regeringszetel’, in de terminologie van die tijd – maakte een verpletterende indruk op de achtergebleven landgenoten, de Joden in het bijzonder. Want juist de Joden hadden sinds de vestiging van het Koninkrijk, in 1815, altijd hun aanhankelijkheid getoond aan het regerende vorstenhuis. Om er vooral geen twijfel over te laten bestaan dat zij toch echt volwaardige Nederlanders waren. Voor de Joden had de band met het Huis van Oranje een meer dan symbolische betekenis.

En symbolen doen er toe, zeker in bange tijden. Met de vlucht van de koningin – het symbool bij uitstek van de staatkundige en maatschappelijke continuïteit – werd de zich voltrekkende ramp in volle omvang zichtbaar: de achterblijvers stonden er alleen voor. De Joden, van wie velen al uit nazi-Duitsland waren gevlucht, wisten wat dit betekende. In het EO-tweeluik wordt een verband gesuggereerd tussen de vlucht van de koningin en het grote aantal zelfdodingen onder Joden in de meidagen van 1940.

Begrip

Het duurde even voordat de Nederlanders begrip kregen voor de handelwijze van de koningin – die zelf altijd zou hebben geschamperd over de vlucht naar Nederland van de Duitse keizer Wilhelm II in 1918. In Den Haag moesten fietsers, in de plastische omschrijving van de in 2014 overleden historica Nanda van der Zee, slalommen ‘vanwege de her en der uit de ramen geworpen staatsieportretten van de ontkomen koningin’. 

Verschillende hoogwaardigheidsbekleders, onder wie de voormalige minister-president Hendrik Colijn, meenden dat Wilhelmina haar volk en de monarchie grote schade had berokkend. Zelfs uit krijgsgevangenschap teruggekeerde leden van het Utrechtsch Studenten Corps, voor de oorlog een bolwerk van orangisme, namen in de zomer van 1940 ‘nog een duidelijke stemming tégen koningin Wilhelmina waar’.

Maar de houding tegenover de koningin kenterde – ook onder de van oudsher republikeinse sociaal-democraten – toen het besef postvatte dat Wilhelmina in Londen ‘geen last had van neutraliteit’, anders dan de Belgische koning Leopold III die in Brussel was achtergebleven en daardoor het gezag van de Belgische regering in ballingschap ondermijnde. 

De ‘rode’ burgemeester van Zaandam, Joris in ’t Veld, voelde zich geroepen om het voor de koningin op te nemen. Net als zijn partijgenoot Jaap Burger, voor wie vaststond dat de koningin – ‘een uitermate respectabele dame’ – altijd fel tegen de nazi’s gekant was geweest. Het feit dat de NSB de vlucht van de koningin op hoge toon als ‘landverraad’ aanmerkte, zal er zeker toe hebben bijgedragen dat de ‘oranjemythe’ waarvan Wilhelmina het middelpunt vormde, aansloeg in bezet Nederland.

Prins Bernard

Op 29 juni 1940, de verjaardag van prins Bernhard, gaven Nederlanders op vele plaatsen in het land uiting aan hun anti-Duitse gezindheid door een witte anjer in hun knoopsgat te steken, en bloemen neer te leggen bij monumenten die aan de Oranjes herinnerden. De net geïnstalleerde rijkscommissaris Arthur Seyss-Inquart werd naar Berlijn ontboden voor spoedoverleg over deze ‘ongeregeldheden’. 

Volgens Nanda van der Zee stelde de zogenoemde Anjerdag echter niet zoveel voor. ‘Een paar mensen met een worteltje op hun revers. Dat was het wel zo’n beetje’, zei ze in 2001 in de Volkskrant. Na de oorlog zou deze gebeurtenis zijn uitvergroot tot een verzetsdaad van de eerste orde – ter meerdere eer en glorie van Wilhelmina.

In 1997 schreef Van der Zee een uitermate kritisch boek, Om erger te voorkomen, over de vlucht van de koningin en de gevolgen daarvan voor (met name) de Joodse Nederlanders. Volgens haar schiep de koningin met haar vlucht de condities voor de vestiging van een rijkscommissariaat, dat meer onderdrukkend was (en dodelijker voor de Joodse ingezetenen) dan de militaire bezettingen in België en Denemarken, waar koning Leopold III en Christiaan X niet door de Duitsers konden worden genegeerd. 

Sterker: in Denemarken begaf de koning zichzelf geregeld te paard, gehuld in een fraai uniform, onder zijn onderdanen. Een aansporing tot onverzettelijkheid waarvan ook in de EO-documentaire beelden wordt getoond.

Deense Joden

Net als Van der Zee, leggen de makers van de documentaire een verband tussen het optreden van koning Christiaan en het feit dat het merendeel van de ongeveer achtduizend Deense Joden in het neutrale Zweden in veiligheid kon worden gebracht, terwijl van de 140 duizend Nederlandse Joden ruim 102 duizend zijn omgebracht. Ze wagen zich echter niet aan de suggestie dat het lot van de Nederlandse Joden dus mede aan Wilhelmina moet worden toegeschreven. Van der Zee deed dat wel. Daarmee oogstte zij veel kritiek onder vakgenoten en boekrecensenten.

Uit de eensgezinde afwijzing van haar gewaagde these maakte Van der Zee op dat een zelfbenoemde elite van historici – ‘een clubje veel te grijze mannen’ – zich tot het uiterste inspande om de mythe rondom koningin Wilhelmina in stand te houden. Historicus Gerard Aalders, auteur van meerdere ‘onthullende’ boeken over de Oranjes, deelt die opvatting: van de ‘vluchtgeschiedenis’ en de Engelse ballingschap van de koningin is met vereende krachten een opgepompt heldenverhaal gemaakt.

De meest gangbare opvatting onder historici is onverkort dat Wilhelmina vanwege haar vlucht als ‘stem van strijdend Nederland’ heeft kunnen fungeren. Een andere vraag is of de koningin in die hoedanigheid voldoende oog heeft gehad voor het lot van haar Joodse onderdanen. Haar achterkleinzoon, koning Willem-Alexander, heeft die vraag tijdens zijn opmerkelijke herdenkingsrede op 4 mei ontkennend beantwoord. Maar de juistheid van het besluit om zich in Engeland te vestigen? Die staat niet serieus ter discussie.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden