De verschillen in koopkracht op een rij

Gemiddeld gaan Nederlanders er komend jaar een half procent op achteruit, zo blijkt uit de cijfers van het CPB. Maar voor iedereen is de koopkrachtontwikkeling verschillend. Hier alvast een paar verschillen op een rij.

Redactie
Minister van Financiën Jeroen Dijsselbloem Beeld afp
Minister van Financiën Jeroen DijsselbloemBeeld afp

Het koopkrachtverlies hangt samen met het inkomen. Mensen die tot 175 procent van het wettelijk minimumloon binnenkrijgen (bijna 18.000 euro per jaar) gaan er 0,75 procent op achteruit, mensen die 175-350 procent van het minimumloon op de rekening zien worden bijgeschreven, leveren een kwart procent in. Voor mensen met een inkomen dat gelijk staat aan 350-500 procent van het minimumloon blijft de koopkracht gelijk. Mensen die meer dan 5 keer het wettelijk minimumloon verdienen gaan er 0,75 procent op achteruit.

Werkenden vs. niet-werkenden
Dan is er nog een verschil tussen werkenden en niet-werkenden. Mensen met een baan gaan er over het algemeen niet op achteruit (maar ook niet op voorruit). Uitkeringsgerechtigden gaan er 0,5 procent op achteruit (in 2013 ook al 2 procent). Gepensioneerd verliezen 1,5 procent aan koopkracht (in 2013 is dat 2,5 procent).

Huishoudens
Het CPB splitst de inkomensgevolgen ook uit per huishoudtype. Tweeverdieners gaan er 0,25 procent op achteruit, evenals alleenstaanden. Alleenverdieners (dus huishoudens waar één van de twee volwassenen werkt) gaan er 1,5 procent op achteruit.

Kinderen
Dan is er nog een verschil tussen gezinnen mét en zonder kinderen. Gezinnen met kinderen gaan er 0,25 procent op achteruit, gezinnen zonder kinderen ervaren daardoor geen koopkrachtverlies.

undefined

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden