De vergeten verwoesting van Tokio

Atoombommen deden Japan capituleren, op 15 augustus 1945. Maar enkele maanden eerder werd 60 procent van Tokio verwoest door ‘gewone’ bommen....

‘Eenmaal weer bij bewustzijn bleek ik onder een berg mensen te liggen. Toen ik me er onderuit had gewurmd, was de wereld onherkenbaar veranderd: er stond niets meer. En overal lagen smeulende stapels van mensen die elkaar vasthielden. Omdat ze niet alleen wilden doodgaan.’

Nihei Haruyo (71) praat op zachte toon over de hel waarin ze ontwaakte op 10 maart 1945. Soms glimlacht ze verontschuldigend, alsof ze wil zeggen: sorry dat ik jullie opzadel met deze gruwelijke verhalen. De tolk Mariko Sato (28) kan haar emoties niet bedwingen en barst in snikken uit.

Wie oude foto’s ziet van het vooroorlogse Tokio gelooft zijn ogen niet. Hoogbouw was er nauwelijks en grote winkelstraten, zoals Ginza, stonden vol statige panden in Franse stijl. In de uitgaanswijken Yoshiwara en Asakusa lagen prachtige theehuizen, afgewisseld met tempels en ambachtelijke bedrijfjes en winkeltjes. En de woonwijken waren labyrinten van smalle straten vol houten huizen.

Anno 2008 is Tokio vooral een betonnen jungle met moderne, imposante kantoren die de skyline cachet geven, én een ontelbare hoeveelheid betonnen ‘woonkazernes’ en fantasieloze appartementencomplexen. In de stad zijn gebouwen met historische waarde nog op één hand te tellen.

Verklaringen voor deze metamorfose zijn de bevolkingsgroei én de 130 bombardementen in maart, april en mei 1945, die 60 procent van Tokio verwoestten. Ze kostten aan meer dan 115 duizend mensen het leven en maakten miljoenen dakloos.

De Japanse autoriteiten worden liever niet aan herinnerd aan deze ‘vergeten’ bombardementen en de wereldgemeenschap heeft er nauwelijks weet van; de aandacht ging vooral uit naar de steden Hiroshima en Nagasaki, die werden getroffen door een atoombom.

Maar veel slachtoffers en ooggetuigen uit Tokio zijn nog in leven. Ze kregen nooit enige hulp of steun van de overheid en moesten zelf weer een bestaan zien op te bouwen. Een paar jaar geleden zamelden ze geld in om een klein herdenkingsmuseum te kunnen oprichten.

Een groep van 113 slachtoffers voelt zich zo miskend dat ze naar de rechter is gestapt. In een civiele rechtzaak eisen ze excuses van de regering, een officieel herdenkingsmonument en schadevergoeding. De komende maanden zullen ze getuigenissen afleggen.

Haruyo werkt als vrijwilligster voor het herdenkingsmuseum, dat in de wijk Koto-ku ligt in het noorden van Tokio, dat in maart 1945 volledig werd weggevaagd. Toen het museum in 2002 werd opgericht, leek het net alsof er een deur openging in haar hoofd. Alle herinneringen kwamen naar boven. ‘Ik kreeg nachtmerries. Gelukkig toonden mijn man en kinderen veel begrip. Nu weet ik dat praten helpt.’

Haar verhaal begint op de avond van 9 maart 1945. Het was koud op straat en de waterplassen waren bevroren. Alle kinderen uit de buurt die naar het platteland waren gestuurd om de laatste klas van de lagere school te doorlopen, omdat er in Tokio nauwelijks nog onderwijs werd gegeven, waren zojuist thuisgekomen. Voor een collectieve diploma-uitreiking.

De 8-jarige Haruyo speelde ‘oorlogje’ op straat: de jongens waren stoere soldaten en de meisjes zorgzame zusters. ‘Morgen weer!’, riepen ze toen ze naar binnen moesten. Maar ‘s avonds begonnen de bombardementen. ‘Al maanden bestookten de Amerikanen havens en fabrieken, maar nu klonken de inslagen dichterbij,’ herinnert Haruyo zich. ‘Mijn vader vertrouwde het niet. Hij stuurde mijn moeder, zusje en mij naar de schuilkelder iets verderop in de straat, waar ook de buren zaten. Hij bleef zelf op wacht staan.’

‘In de verte was de hemel vuurrood. Opeens viel er een tapijt van bommen op onze buurt en stond alles in brand. Mijn vader joeg ons de schuilkelder uit. De buurvrouw trok nog aan mijn kimono omdat ze wilde dat ik bleef. Maar ik moest weg.’

Een vernietigende orkaan van vuur joeg door de straten. ‘Alle houten huizen hadden toen nog tatamimatten van stro op de grond. Overal vloog brandend hout en stro door de lucht. En dat zette iedereen die ermee in aanraking kwam, in lichterlaaie’, zegt Haruyo. ‘De meeste mannen moesten buiten de stad werken, in de fabrieken. Er waren dan ook vooral vrouwen en kinderen op de vlucht. In die tijd droegen we nog houten sandalen. Veel kinderen konden daarop niet snel genoeg wegkomen en vatten vlam. Ik zag ook moeders met brandende baby’s op hun rug.’

Het vuur aan beide kanten van de Sumidarivier, waar de meeste mensen heen vluchtten, was zo intens dat men zelfs op de oevers en bruggen niet veilig was. Maar het water was ijskoud. Veel slachtoffers die er noodgedwongen insprongen, waren reddeloos verloren, doordat ze niet konden zwemmen of een kind bij zich droegen. Of doordat ze onderkoeld raakten.

Haruyo belandde met haar familie naar het niemandsland tussen de treinsporen. Daar raakte ze verloren in het gedrang. ‘Ik liep verlamd rond en voelde niets meer. Schreeuwen had geen zin, de brullende tyfoon van vuur overstemde alles. Ik probeerde een brandende vrouw te helpen, maar het vuur sloeg op mij over. Iemand trok me weg en zette me neer in een groep mensen die zich aan elkaar vastklampten. Ik hoorde ze bidden: ‘Wij zijn Japanners, wij verliezen de moed niet en zullen nooit sterven.’ Toen raakte ik buiten bewustzijn. De volgende morgen bleek ik in de armen van mijn vader te liggen, die me heeft gered.’

Haar hele familie overleefde de ramp, al liep haar zusje ernstige brandwonden op. Alle kinderen met wie Haruyo op straat had gespeeld, waren dood, evenals de buren uit de schuilkelder. Tijdens die nacht kwamen naar schatting 100 duizend personen om.

‘Van ons huis vonden we alleen nog wat servies terug. We schuilden in een leegstaande fabriek. Iedereen was verdoofd van angst. Er was geen medische hulp, geen eten. Mijn zusje had vreselijke brandwonden en werd belaagd door insecten. Pas na lange tijd gaf iemand mijn moeder wat olie om haar te behandelen.’

Van de periode na de ramp kan Haruyo zich nauwelijks iets herinneren. Hiroshi Hoshino (77), daarentegen, staat alles nog glashelder bij. Hij overleefde de gruwelijke nacht met zijn moeder en zussen en werd daarna als 15-jarige jongen te werk gesteld door de militairen.

‘In de straten, op de oevers van de Sumidarivier en in het water lagen duizenden lijken. Vooral van vrouwen en kinderen. We moesten ze verzamelen en begraven in de stadsparken. Van onder een schip kwamen opeens twee lichamen naar boven drijven, van een moeder en een kind. Ze zagen er ongeschonden uit, hadden hun ogen wijd opengesperd en het leek net of ze naar adem hapten. Iedereen dacht dat het geesten waren en hield op met werken. Maar we werden uitgescholden en opgejaagd door de soldaten.’

De overlevenden werden aan hun lot overgelaten. Hoshino: ‘Twee jaar lang hadden we nauwelijks te eten. Mensen verhongerden. Vooral wezen die op straat rondzwierven. Later werden ze opgevangen in kindertehuizen, waar ze in hokken werden gestopt zodat ze niet zouden vluchten. Ik herinner me nog de soep die we kregen: een bord warm water met een blaadje sla erin en wat zout.’

Er bestaat een anekdote over Douglas MacArthur, de opperbevelhebber van de Amerikaanse bezettingsmacht die van 1945 tot 1952 het roer overnam in Japan. ‘Stuur me wapens om de hongerende mensen uit hun lijden te verlossen of stuur me voedsel’, zou hij hebben gezegd tegen zijn superieuren.

‘Japan is de oorlog begonnen en de autoriteiten zijn verantwoordelijk voor de bombardementen’, zegt Hoshino. ‘Bijna alle Japanse mannen werden verplicht te werk gesteld in wapenfabrieken. Velen verloren al hun bezittingen én hun families. Maar ze kregen nooit een cent schadevergoeding van de overheid. De militairen daarentegen ontvingen wél financiële compensatie en zelfs pensioenen. Dat is zo onterecht!’

In 1964 kregen de slachtoffers opnieuw een klap in het gezicht. De Amerikanen hadden in de grondwet laten opnemen dat Japan voortaan pacifistisch zou zijn en iedere vorm van geweld zou afzweren. Het land mocht geen leger meer hebben, alleen een ‘zelfverdedigingsmacht’. Die werd opgeleid door de Amerikanen, onder anderen door generaal Curtis LeMay, die daarvoor in 1964 een van de hoogste Japanse onderscheidingen kreeg van keizer Hirohito. Hoshino: ‘Diezelfde LeMay heeft in 1945 opdracht heeft gegeven tot de bombardementen op Tokio.’

Toen de Japanse regering in 1995, tijdens de officiële herdenking van de Tweede Wereldoorlog, ook nog het aantal slachtoffers van de bombardementen probeerde te bagatelliseren, was de maat vol. Samen met een honderdtal overlevenden richtte Hoshino een belangengroep voor oorlogsslachtoffers uit Tokio op. In maart van dit jaar dienden 113 leden een collectieve schadeclaim in bij het districtsgerechtshof in Tokio.

Haruyo behoort niet tot deze groep, maar staat wel pal achter de zaak. ‘Toen Japan capituleerde, voelde ik grote opluchting. Ik hoefde niet meer bang te zijn. Maar mijn broer, die steeds in de fabrieken buiten de stad had gewerkt en écht geloofde dat Japan een heilig en onoverwinnelijk land was met een missie, was totaal gedesillusioneerd. We waren zó geïndoctrineerd door het regime. We wisten niet beter dan dat de keizer God was en de militairen helden waren. Ik voel nog steeds woede. Over de misleidingen en de propaganda van de autoriteiten, die de oorlog eindeloos hebben laten voortduren. Ze hebben zich nooit om ons bekommerd, na alles wat ze hebben aangericht.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden