De verdwenen deemoedige bomen

Een bevlogen onderwijzer moet hij zijn geweest, elke les op de lagere school een zangles. Hij zal op Theo Thijssen hebben geleken: kortgeknipt haar, een snor, altijd formeel in driedelig, maar thuis alleen in vest, de boord af....

KEES FENS

Maar hij onderwees ook buiten de school. Hij schreef, over de natuur, ach, hij had zich altijd een dichter gevoeld. Alles wat hij wist over planten, schreef hij op in een lyrische taal, want geen weten zonder liefde. Hij heette J. de Jonge en hij schreef voor de firma K. Tiktak ('Koffie- en theehandel') twee albums onder de titel Neerlands bosschen en groene weiden. Het tweede deel verscheen in 1930 en kreeg het motto mee: 'Mij spreekt de blomme een tale', en dat is van Guido Gezelle.

Alle plaatjes zijn er met eeuwigdurende lijm ingeplakt. De eerste eigenaar was een liefhebber. Achter in het boek zit een foldertje voor Bussinks albums Mijn land, elf delen, want we hadden elf provincies. Ze waren een uitgave van Jacob Bussink's en A.P. Pieterman's Deventer Koekfabrieken N.V.. Mijn eten is leren, was het in die dagen.

Ik kreeg het tweede deel van De Jonge. En ik ben lang niet zó gelukkig geweest met een boek, want ik las een proza dat ik eens voor grote literatuur hield. De Jonge was een kunstenaar, en de beschrijving - nu helemaal verdwenen - was zijn specialiteit. Door zijn soort proza heb ik als beginnende lezer romans met veel natuurbeschrijvingen - Coolen, Streuvels - zeer groot gevonden.

Het eerste hoofdstuk heet 'Naar het land van riet en biezen' en het begint zo: 'Een lachende zomerdag: een heerlijke gouden zon en een stralend blauwe hemel, waarlangs langzaam witte wolkjes drijven. Vanzelf ontwaakt in ons de lust om te gaan roeien op 't Fiescheveen bij Paterswolde. Ja, natuurlijk, zij die alleen roeien om het roeien zelf en zij die gaan zeilen, kunnen beter op 't Paterswoldsche Meer terecht. Maar wij, die willen genieten van stilte, intieme meerhoekjes, waar de rietgors en de karekiet zingen en waar de fuut zijn merkwaardig nest maakt, wij huren bij 't cafétje aan de Kunstweg een bootje en roeien door de lange toegangssloot, omzoomd door elzen en hoog riet, naar het meer.'

Vooral de eerste zinnen vervullen het ideaal van het mooie proza, dat je een vakantiegevoel geeft. Kenmerkend is de overvloed aan bijvoeglijke naamwoorden - in het hele boek blijft niets onversierd en onbejubeld in een pracht van adjectieven. Misschien is de hele toon van het proza wel één groot versierend adjectief. Het is een jubelboek over de schoonheid van de natuur en de planten, waarvan de mooie Nederlandse namen - 'Fluweelpootje', 'Geweizwam', 'Vlasleeuwenbek' - met een verfijnd genieten zijn neergeschreven.

Tachtig is allang voorbij - wat is er tot 1930 allemaal op gevolgd - maar de taal ervan leeft voort bij vele populaire schrijvers. Het is hun literaire taal. J. de Jonge verraadt zich schitterend in het slot van het vierde hoofdstuk: 'Hoor, de wulp juicht nog zijn vreugde uit; in dat lage eikje daar zingt een geelgors voor de zoveelste keer zijn aanloop-liedje en hoog boven ons, onzichtbaar haast, ''alsof hij midden in 't gesternte zijn zilveren klokje luidt'', de boomleeuwerik, de lievelingsvogel van onze groote Frederik van Eeden, de kleine Johannes, die al evenveel van de natuur hield als wij.'

De hoofdstukken zijn kleine excursies, de schrijver is de gids. 'Kijk'; hij schrijft het ontelbare keren, maar wij zijn ook - het laatste citaat kan het bewijzen - zijn geestgenoten, allen natuurvrienden.

Men kan het proza van De Jonge en zijn soortgenoten een bezinksel noemen van een eens literaire taal. Het afgeleide en verzakte heeft bij een groter lezerspubliek altijd succes: het heeft de geur van literatuur. Dat dergelijke taal veel in kinderboeken voorkomt, is niet verwonderijk: die waren eens in een al voorbije stijl geschreven. Uit kinderboeken heb ik die geur van literatuur, de literatuur van J. de Jonge, eens opgesnoven.

Een lyrische schoolmeester, dat is De Jonge, hij zingt en onderwijst. Zijn taal is zeventig jaar oud, maar natuurlijk veel ouder. Hoe ver is die van ons weg. (Hoewel, als ik aan de opgetogen taal van Bert Garthoff denk, is die taal toch weer vrij dichtbij.) Wat een mentaliteitsverandering moet er in zeventig jaar hebben plaatsgehad, wil de taal zo veranderen. Opgetogenheid, lyrisme, zingen - ze worden gewantrouwd. Ook de natuurinformatie wordt zakelijk gegeven.

De echte wetenschappers hebben het voor het zeggen, niet de amateurs als J. de Jonge. En ondertoonsheid is het waarmerk van oprechtheid. Maar misschien is dit het belangrijkste: de natuur heeft zijn dichterlijke taal verloren. Zij troost niet meer, zij wekt onrust en we schrijven over wat er niet meer of bijna niet meer is. Natuurliefde is natuurplicht geworden, alle proza over planten en dieren laat je met schuldgevoelens achter. De lyrische schoolmeester is een strenge zedenmeester geworden. Met een ontbladerde taal.

De natuurbeschrijvingen in de oude literatuur, met hun macht van de seizoenen, zijn historisch geworden. Soms hoor ik op zondagmorgen in het radioprogramma Vroege vogels de laatste lyrici zingen, over de schoonheid van de rotgans bijvoorbeeld. Maar in bijna alle andere taal sterven de planten uit en verdwijnen de vogels naar elders. De natuur is milieu geworden. En de natuurkundigen beheren een alarmcentrale. Waren de bomen in de herfst nog maar deemoedig gebogen, als in de natuurtaal van J. de Jonge.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden