De verbleekte geloofsplicht van het CDA

KVP EN ARP WILDEN veel meer dan politieke emancipatie voor katholieken en gereformeerde 'kleine luyden'. Zij streefden - althans tot ongeveer het midden van de jaren vijftig - 'herkerstening' van Nederland na, ieder op eigen manier....

Zwart is een jonge historicus die het toch bepaald niet braakliggende terrein van de christen-democratische eenwording met frisse blik overzag. De resultaten zijn interessant en plausibel. En zijn proefschrift Gods wil in Nederland blijkt boeiend voor iedereen die zich met enige studiezin in de brekelijke verhouding tussen politiek en religie wil verdiepen. Zwart geeft een heldere - soms blinkende - uiteenzetting van katholieke en protestantse ideologieën in de negentiende en twintigste eeuw.

De confessionele verkiezingsverliezen sinds 1967 (de KVP werd in drie droeve ronden gehalveerd) hebben de vorming van het CDA zeker versneld. Maar ze zijn veel minder de oorzaak daarvan dan tot nu toe vrij algemeen werd aangenomen.

Zwart betoogt dat weliswaar na de verkiezingen van 1967 meteen de 'Groep van Achttien' werd ingesteld, maar dat de eerste grote impulsen er al rond 1963 waren, toen de christelijke partijen nog goede verkiezingsresultaten haalden.

De Nijmeegse historicus wijst ook op externe ontwikkelingen die aan de vorming van het CDA bijdroegen (gestegen welvaart, urbanisatie, de tv, de permissive society), maar hij relativeert die factoren ook. De wezenlijke omslag had vooral te maken met het vrijwel gelijktijdig loslaten van de 'expansionistische' ideologieën door KVP en AR. Pas toen was de weg naar het CDA vrij.

De CHU was, naar het woord van AR-leider Jelle Zijlstra, een 'vereniging van christen-mensen'. Maar KVP en AR wisten ieder voor zich (tot ongeveer 1955) vrij precies wat God met Nederland voor had - in het prettige besef dat de eigen partij het unieke instrument daarvoor mocht wezen.

De katholieken noemden zich 'kinderen des lichts' en richtten aan het begin van de eeuw een comité ter bekering van Nederland op. De katholieke kerk stond 'als een moeder aan het ziekbed van het menschdom'. Ook de latere KVP zou nog lang stralen van naïef-militante missiedrang.

Zwart beschrijft in fraaie passages de omslag van katholieke beslotenheid naar deze agressievere 'neo-thomistische' ideologie. Overigens een vertraagde reactie op ontwikkelingen in Rome en in Frankrijk. Dus ook op de Vaticaanse neiging om na enige decennia dankbaar te aanvaarden wat eerder verboden en verketterd was.

De antirevolutionaire voorman Abraham Kuyper wist in zijn eentje wat God met Nederland voor had en dat leidde tot de scheuring met de CHU. Deze breuk mag dus niet alleen uit verzet van conservatieve adel tegen Kuypers 'gauchisme' worden verklaard. Volgens Kuyper was concrete politiek uit de Bijbel af te leiden door de partij en met name door leider daarvan. Zo wist hij pleidooien voor vrijhandel te 'weerleggen' met het argument dat bij de bouw van de Toren van Babel in verschillende tongen gesproken werd en God dus ook het heffen van invoerrechten had voorzien.

De (neo-)Kuyperiaanse leer van een eigen, onbetwistbare AR-politiek binnen een religieus neutrale staat bleef onder Colijn en Schouten recht overeind. Pas bij Bruins Slot en AR-voorzitter Berghuis sloeg de twijfel toe en rond 1960 ging de AR 'door de bocht'. Sommigen, vooral intellectuelen, leidden nu de opdracht tot radicaal-sociale politiek af uit hun grondslag, anderen vonden juist culturele behoudzucht kenmerkend voor een christelijke partij. De oude AR-achterban raakte wat verloren, terwijl in de top om grondslag, de politieke koers en - zeer verbeten - om de macht werd gestreden. Dit laatste vooral tussen Biesheuvel en Roolvink.

Na het vertrek van regenten als Romme, Drees, Oud en Schouten werd overal geknokt om koers en leiderschap. Het was ook de tijd van de pil, het Vaticaans Concilie en mondiger mensen. Kerken en partijen moesten (ruim vóór de 'beweging van zestig') veel meer ruimte laten aan de wensen en het geweten van het individu. KVP en AR wisten als partij niet meer wat God van hen en Nederland wil, terwijl herkerstening zelfs als ideaal in nevels verdween.

De eigenlijke vorming van het CDA, tussen 1967 en 1980, ging traag en leek spannender dan het was. Volgens Zwart had er nooit twijfel hoeven te zijn aan de uitkomst. Vanaf 1963 stond die vast. En wat de 'grondslagstrijd' tussen Aantjes en vooral de KVP betreft: in feite was het een laatste poging van de links-sociale vleugel van de AR om het nieuwe CDA tot progressief-evangelische politiek te bewegen, toch een beetje neo-Kuyperiaans. De Bijbel als 'links beginselprogram', aldus Zwart.

Het was eigenlijk meer een strijd om de koers dan echt om de grondslag. En volgens de auteur waren Aantjes en de zijnen nooit kansrijk. Zijn boek behandelt niet het CDA na 1980, laat staan de huidige zielepoterij. Ook de pas verschenen bundel Christelijke politiek en democratie van jonge historici gaat vooral over de oudere christen-democratie. Zwart brengt ook in dit boek pauselijke encyclieken lucide in stelling, terwijl P.M. Luykx en T.A.M. Salemink de enorme verschillen tussen het (verlangde) corporatisme van RKSP/KVP en dat van de fascistische landen aanwijzen.

Aardig, in een verder wat vlakke bundel, is de anekdotiek die H.J. van de Streek opdiepte over de afwijzende houding van confessionele politici ten opzichte van het vrouwenkiesrecht na de eeuwwisseling. Daar werd veel over gekermd en getheologiseerd, maar uiteindelijk werd dat kiesrecht (actief en passief) braaf geaccepteerd als onderdeel van de grote ruil met de gelijkstelling van confessioneel onderwijs.

Van de Streek schildert in haar bijdrage het verlangen bij AR en CHU naar 'huismanskiesrecht', dus alleen voor de gehuwde man. Maar wat te doen met ongehuwden? Als algemeen kiesrecht dan toch moet (wegens de uitruil), probeert CHU-leider De Savornin Lohman in 1916 nog het kiesrecht voor de gehuwde vrouw te voorkomen. Want dat geeft ruzie in huis en leidt af van kinders en aanrecht. Zijn pleidooi om de echtgenoot dan maar twee stemmen te geven, wordt weggehoond. Hij komt evenmin ver met zijn bezwaren tegen passief vrouwenkiesrecht. Vooral zijn argument dat vrouwen in het parlement veel 'erotische invloed' zullen krijgen, genereert vrolijkheid.

Het moderne CDA komen we wel tegen bij J.A. van Schagen die analyseert hoe de huidige christen-democraten weinig van staatsrechtelijke vernieuwing, zoals referendum en ander kiesrecht, moeten hebben. Men heeft de mond vol over eigen verantwoordelijkheid en burgerzin, maar alleen de vernieuwingsplannen die macht naar organisaties overhevelen (functionele decentralisatie), vinden steun bij het CDA, aldus de Utrechtse historicus. Hij ziet er een bevestiging in van de theorie dat het CDA zich ontwikkelt tot 'moderne conservatief-liberale partij'.

Zwart begint de laatste alinea van zijn proefschrift met: 'Of er inderdaad sprake is van een CDA-ideologie is niet duidelijk'. Het gejuich over de ideologie van de 'verantwoordelijke samenleving' uit de jaren tachtig was al ruim voor de nederlaag van 1994 verstomd. Die was ook een zeer bleke (a-politieke) schim naast de strijdbaarheid van voor 1960, toen het doen zegevieren van christelijke politiek nog geloofsplicht was. Het huidige CDA lijkt meer een 'vereniging van christen-mensen'.

Jan Joost Lindner

R.S. Zwart: Gods wil in Nederland

- Christelijke ideologiën en de vorming van het CDA (1880-1980).

Kok; ¿ 49,90.

ISBN 90 242 7780 9.

H.J. van de Streek, H.M.Th.D ten Napel en R.S. Zwart (redactie): Christelijke politiek en democratie.

SDU; ¿ 34,50.

ISBN 90 12 08314 1.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden