De veranderende wereld van de Nederlandse koe

Het moet anders (9)

In een tweewekelijkse serie belicht Hans van der Meer in tekst en beeld de veranderende wereld van de Nederlandse koe. Lees hieronder alle afleveringen terug

Beeld Hans van der Meer

9. Grazende chemische fabriek

Hoe onschuldig is het, een weiland met koeien. Brigitte Kaandorp schreef er eind vorige eeuw een lied over, zij zag vanuit de trein koeien die de hele dag gratis en voor niks karnemelk, yoghurt en vlaflip voor ons produceren.
We lezen nu in de krant verontrustende berichten over emissies van koeien. Ze produceren tegenwoordig vooral methaan, stikstof en fosfaat, zo lijkt het. Alsof die grazende zuivelfabrieken ook chemische fabrieken zijn. Dat zijn het ook, alles wat leeft is een aaneenschakeling van chemische reacties.

Zo is fosfor voor de melkproductie een belangrijk mineraal. Maar een melkkoe neemt via krachtvoer meer op dan ze verbruikt, het teveel aan fosfaat verlaat haar lichaam met de mest. Gemiddeld is dat 45 kg fosfaat per jaar. De mest wordt door de boer over zijn land uitgereden en zo komt het fosfaat in de bodem. Dat wordt maar voor een deel weer benut door de gewassen die hij op dat land laat groeien. Er blijft teveel achter in de bodem en dat is er ook lastig weer uit te krijgen.

Per 1 januari 2017 worden fosfaatrechten ingevoerd voor melkveehouders. Die zijn gekoppeld aan het aantal dieren per bedrijf, dat in verhouding moet zijn met de hoeveelheid grond. Een boer mag per hectare de mest van 2 GVE uitrijden. De afkorting staat voor grootvee-eenheden, de eenheid waarin zijn veestapel wordt omgerekend. Een melkkoe is 1 GVE, jongvee produceert minder fosfaat en is 0,5 GVE.

Het omzoomde perceel op de foto hierboven is ongeveer twee hectare groot, vier voetbalvelden. Boeren hebben tegenwoordig steeds meer koeien, dit zijn er ook aardig wat. Om al die mest kwijt te kunnen, moet je wel genoeg land hebben. Hoeveel land heeft zo'n veestapel nodig? Dan moet je eerst het aantal koeien weten. Ik tel er ruim honderd, maar heb toch de boer maar even gebeld. Hij heeft 130 melkkoeien, de rest staat nog op stal. Zijn 70stuks jongvee lopen op een ander perceel. Hij heeft 100hectare land en voldoet daarmee ruim aan de grondgebonden norm van 2 GVE per hectare. Maar waar je niet bij stilstaat, is dat er bijna 50 keer zoveel land nodig is voor het aantal koeien dat wij hier zien. Als iedere koe een halve hectare ofwel één voetbalveld nodig heeft, dan kunnen hier maar vier koeien lopen.

En dat is precies het probleem waar wij in Nederland tegenaan lopen. Hoe krijgen we het aantal koeien in een verantwoord evenwicht met het beschikbare land.

De stallen die zijn gebouwd de laatste jaren waren nu juist bedoeld voor méér dieren. Eindelijk ging het melkquotum eraf en kon er ongelimiteerd melk worden geproduceerd, zo werd gedacht. Het gevolg was voorspelbaar, de melkprijs zakte. Tegelijkertijd steeg de grondprijs door de aangekondigde maatregel over de fosfaatrechten. Bovendien is er steeds minder landbouwgrond in Nederland.

Dat heeft voor een deel te maken met een ontwikkeling achter de foto links. Landbouwgronden werden de afgelopen decennia met flinke overheidssubsidies omgezet in natuurgronden. Het ziet er vaak schilderachtig uit, een verruigd landschap met koeien erin. Het beantwoordt aan ons verlangen naar romantiek en wilde natuur. Maar wat voor natuur is dit? Ik was op stap met een bioloog, die zag weinig soorten waar hij opgewonden van werd: 'Veel akkerdistel, witbol, pitrus, boterboem. Er zit door jarenlang kunstmestgebruik nog te veel voeding in de bodem van deze voormalige landbouwgronden. Wat je nodig hebt voor soortenrijkdom is verarming.'

De bodem moet zich kunnen herstellen, maar bij natuurorganisaties komen ze intussen geld en mankracht tekort voor het beheer van al die gebieden. Veehouders rond natuurgebieden pachten het land voor een deel terug. Ze laten er jongvee of vleeskoeien lopen, intensief bewerken mag niet. En zo wordt het landschap toch weer door boeren onderhouden.

Het doet mij denken aan een uitspraak van Sicco Mansholt in De Graanrepubliek van Frank Westerman. Als minister van Landbouw na de oorlog en later als eurocommissaris in Brussel propageerde hij grootschaligheid, voor kleine boeren was geen plaats. Maar nadat in 1972 het rapport van de Club van Rome was verschenen, draaide hij honderdtachtig graden. Juist kleine boeren waren de dragers van het landschap. Die moest je in stand houden, desnoods met subsidies.

Tot inkeer gekomen zei hij: 'Boeren zijn minstens zo waardevol voor de samenleving als kunstenaars'.

Een Red Angus vleeskoe in het Friese Nijenholtpade. Een verruigd landschap ziet er schilderachtig uit, maar dit stuk grond is onvoldoende hersteld van kunstmestgebruik. Beeld Hans van der Meer
Weiland met koeien ter hoogte van Rottevalle in Friesland. Beeld Hans van der Meer

8. Intensieve melkveehouderij

Een van de heikele thema's rondom de intensieve melkveehouderij is het enorme aantal dieren als bijproduct. Zonder kalfjes geen melk. 30 procent van de kalveren blijft op de boerderij, de overige dieren verdwijnen in de vleesindustrie. Dat zijn er in Nederland jaarlijks een half miljoen, grotendeels stierkalveren.

Overtollige kalfjes werden vroeger op de boerderij geslacht. Ze hadden voornamelijk melk gedronken, het vlees was wit en mals. Daardoor denken mensen nu nog dat kalfsvlees wit moet zijn.

Nadat begin jaren zestig melkpoeder op de markt kwam verplaatste het opfokken van jongvee zich naar aparte bedrijven. Veehandelaren gingen kalfjes opkopen bij boeren en via verdeelcentra kwamen ze bij mesterijen terecht. Dat gebeurt nog steeds. Tot eind jaren negentig kregen de dieren voornamelijk melkpoeder en stonden ze in te krappe hokjes. Door het voer en gebrek aan beweging bleef het vlees wit, zoals de consument het wilde. Kistkalveren werden ze genoemd. Er moest een Europees verbod aan te pas komen om betere omstandigheden af te dwingen.

Tegenwoordig eten steeds meer Nederlanders liever rosé kalfsvlees, dat is diervriendelijker. In Italië, Frankrijk en Zuid-Duitsland is wit kalfsvlees nog steeds populair. De blanke kleur voor exportvlees wordt verkregen door een rantsoen met tekort aan ijzer. De bloedarmoede die daardoor ontstaat wordt voortdurend gemeten, zodat de dieren niet echt ziek worden. De prijs van kalfsvlees wordt vastgesteld aan de hand van de kleur. Hoe lichter, hoe hoger de prijs.

In de kalvermesterij zijn strenge normen voor milieu- en leefomstandigheden. Bij Ecoferm in Uddel houden ze 3.600 stierkalveren voor rosé kalfsvlees. In de langgerekte stallen zijn links en rechts van de voergang eindeloze rijen verblijven. Daarin staan of liggen de stieren, in leeftijd variërend van tien weken tot tien maanden. Dan zijn ze op gewicht voor de slachterij. Het kringloopbedrijf heeft een ingenieus systeem en gebruikt de mest, CO2 en warmte van de dieren opnieuw. Het voer bestaat voor 65 procent uit restproducten van de voedselindustrie.

Dat betekent minder belasting voor het milieu. Maar met een groeiende zuivelindustrie krijgen we steeds meer kalveren. Nederland is niet alleen het derde zuivelexporterende land, maar mede daardoor ook de grootste kalfsvleesexporteur ter wereld. De aantallen zullen niet afnemen, in Azië wacht een enorme markt.

Gaan we dit ooit anders doen? Ik bel met futuroloog Paul Ostendorf, hij schetst een toekomst die volgens hem al begonnen is. 'De wereldbevolking neemt toe, men trekt steeds meer naar de steden. Daar is werk en als het inkomen stijgt willen mensen dierlijke producten eten als statussymbool. Het wordt alleen te duur. Je hebt teveel plantaardig voedsel nodig om een kilo vlees van een koe te maken. We zullen steeds meer kunstvlees gaan eten. Eiwitten, vetten en koolhydraten kunnen we prima zonder dieren of planten produceren. De dieren geven we terug aan de natuur.'

Voorlopig blijven we de koeien nog wel even melken. Dat de helft van de kalfjes die daardoor ter wereld komen stieren zijn en dat die dus ergens moeten blijven, daar staan wij niet bij stil. Laat staan dat we een verband zien met ons broodje kaas, glaasje melk of onze cappuccino.

Beeld Hans van der Meer
Beeld Hans van der Meer

7. De klauwbekapbox

Het apparaat waar deze koe in hangt, is een hydrolische klauwbekapbox. Bij de halfjaarlijkse voetverzorging komt de koe via de hekwerken links het apparaat in, ze kan maar één kant op. Precies op het moment dat ze er aan de andere kant uit wil stappen drukt een van de klauwbekappers op zijn infrarood afstandsbediening en klappen twee hekjes aan de voorkant dicht. De kop steekt er doorheen, maar de rest van haar lichaam is achter het hekwerk blijven steken. Aan buikbanden wordt de koe omhoog gehesen met behulp van het hydraulische systeem. De poten worden naar achteren getrokken en vastgezet. Daarna gaat hele gevaarte nog een halve meter de lucht in via telescopisch uitschuifbare poten. Zo hoeven de klauwbekappers niet te bukken als ze met hun slijptollen aan de gang gaan.

Klauwaandoeningen zijn een van de hoofdredenen voor boeren om koeien vroegtijdig weg te doen. Door de ligboxstallen met harde stalvloeren en roosters die vanaf begin jaren zeventig werden gebouwd zijn die problemen toegenomen. De aandoeningen hebben tot de verbeelding sprekende namen als bevangenheid, stinkpoot, wittelijndefect, zoolbloeding of zoolzweer.

Klauwbekappen is vooral preventief. Het teveel aan hoorn wordt met een slijptol verwijderd, zodat de zool weer vlak wordt. Met een mes worden grond- en mestresten uit de klauwholte en de tussenklauwspleet gehaald. Vervolgens worden eventuele aandoeningen behandeld, zoals de vaak voorkomende infectie Mortellaro, ook wel Italiaanse stinkpoot genoemd.

Er is onder boeren veel discussie op fora over de beste manier om Mortellaro aan te pakken. Een voetbad van water met formaline werkt, maar alleen boven de 17 graden. Kopersulfaat wordt ook gebruikt, maar dat is giftig. Formaline is eveneens giftig, maar afbreekbaar en kopersulfaat is dat niet. Het komt in de mestput, wordt over het land uitgereden en komt in de bodem terecht. In Nederland is het gebruik van kopersulfaat door milieuwetgeving verboden, formaline niet. In België is het vreemd genoeg precies andersom.

Vóór de tijd van de ligboxstallen legden de bekappers met leren schorten een achterpoot op hun knie en stonden ze kromgebogen de klauw bij te snijden. Ze deden tien tot twintig koeien op een dag. Met deze mobiele hakkenbar doen ze er meer dan honderd.

En zo gaat het altijd. Technologische vooruitgang betekent gemak, maar daardoor kan de productie worden opgevoerd en gaan we harder werken.

De klauwbekappers moeten net als iedereen met hun tijd mee. En de koeien ook.

(22-6-2016)

Beeld HdvM_Wolfheze

6. Boskoeien

Blaarkoppen in een bos. Het is weer eens wat anders dan een landschap van monoculturen, percelen met één soort gewas. Een boer kan zijn hectaren immers ook anders inrichten om voedsel te produceren. Door bijvoorbeeld percelen in te zaaien met grasklaver of graan en rijen notenbomen ertussen te planten; met een perceel vruchtbomen en kippen, met aan de randen bospercelen voor houtopbrengst, waar ook koolstof wordt vastgelegd; met een aantal koeien voor de bemesting, die zowel vlees als melk produceren. Dan is er sprake van een polycultuur. Die hectaren leveren meer op, er worden vlees, melk, boter, kaas, kwark, vruchten, noten, graan, groente, eieren, hout of andere gewassen geproduceerd.

Op Natuurboerderij Veld & Beek in Doorwerth grenzend aan Natuurgebied Wolfheze, wordt dit voor een deel in de praktijk gebracht. De blaarkoppen lopen in een aangrenzend natuurgebied, van een ontworpen voedselbos is hier nog geen sprake. Vanuit het bos kunnen ze naar grasland en zelfs de hei op. Eigenaar Jan Wieringa en Kees van Veluw, verbonden aan het Louis Bolk Instituut en docent biologische landbouw aan de Wageningen Universiteit, leggen uit waarom. Jan Wieringa: 'Deden wij niets, dan zou Europa volgens sommigen bestaan uit beukenbossen en open gebieden. Runderen zouden beschutting zoeken in het bos en grazen in de open gebieden, zoals op de savanne. Bos is geen ideale biotoop voor een koe, het is meer iets voor een varken. Maar dit oud-Hollandse ras redt zich er prima. Ze eten er van alles, tot en met paddestoelen.'

Naast de boerderij is onlangs een stal gebouwd die eruitziet als een kas. In de winter lopen koeien in die 'stalkas'. Op de mest die zij achterlaten groeien onder hetzelfde dak in de zomer tomaten, komkommers en paprika's. Kees van Veluw: 'Permacultuur betekent kort samengevat de natuur kopiëren op een landbouwbedrijf. Monoculturen vind je niet in de natuur.' Hij pleit ervoor om bomen te integreren in weilanden en ecosystemen uit te dokteren waarbij je voedsel produceert en tegelijkertijd de bodem intact houdt, het grondwater en de lucht schoon houdt. De huidige systemen kunnen we niet blijven repareren met mest of fosfaatwetgeving. 'Permacultuur ís biodiversiteit. We moeten het landschap ecologisch anders inrichten.'

De wetenschap dat alles in de natuur met elkaar samenhangt is niet nieuw. Maar wat gaan we ermee doen? Het leek zo efficiënt, een landschap met uitgestrekte graanvelden zonder bomen en lege weilanden met alleen eiwitrijk gras voor koeien in megastallen. Maar ik kan er niet meer langsrijden zonder te denken aan de koeien in het Wolfhezer bos.

(08-06-2016)

Beeld Hans van der Meer

5. JaKoeZie

Koeien hebben iets met water, ze staan er graag in. Melkveehouder Anton Stokman uit het Friese Koudum liet om die reden voor zijn kudde een poel aanleggen met een strandje. Hij noemt het de JaKoeZie. De stal op de achtergrond is een vrijekeuze stal, met waterbedden in de ligboxen. De driehonderd dames kunnen zelf kiezen of ze binnen of buiten verblijven. Sommigen lopen iedere dag even naar het strandje om pootje te baden. 'Wat goed is voor de koe, is goed voor de boer', zegt Stokman.

Hij is geen biologische boer, maar dierenwelzijn en duurzaamheid heeft hij hoog in het vaandel. Er kleeft in zijn ogen één groot nadeel aan biologisch boeren: 'Je hebt twee keer zoveel land en twee keer zoveel koeien nodig voor dezelfde liter melk. Dat betekent meer emissie, meer mest, meer mineralen en dus een grotere belasting voor het milieu.' Het is een manier van rekenen die uitgaat van een hoge melkproductie. De gedachte om met zijn allen minder melk te produceren, is voor hem geen optie. 'Het is mijn overtuiging dat we de wereldbevolking alleen met voortdurende inzet van de best beschikbare kennis aan zowel betaalbaar als duurzaam voedsel kunnen helpen.'

Hiermee raakt hij de kern van een discussie die wereldwijd voor verdeeldheid zorgt. Wat is beter, extensief of intensief? En voor wie is het beter?

Volgens biologische boer Foppe Nijboer uit Boelenslaan biedt juist de extensieve manier meer toekomst. Op de foto hiernaast inspecteert hij een koeienvlaai. Die ribbels erin zijn een goed teken, aan de vorm valt veel af te lezen over de pensvertering. Bij kringloopboeren draait alles om de mest en de bodem: 'De grond moet uit zichzelf goed gras produceren en daarbij is koeienmest heel belangrijk. Op intensieve bedrijven wordt met behulp van kunstmest een hoge productie uit de bodem gehaald. Het is een denkwijze die na de oorlog vanuit Amerika is overgewaaid. Gangbaar grasland dat er al twintig jaar ligt, geeft in verhouding een betere kwaliteit gras, ook al is de opbrengst lager. De kruiden die er dan door zitten zijn beter voor de koeien. Je moet oud grasland zo veel mogelijk benutten en niet telkens over de kop halen en opnieuw inzaaien. En er vooral niet met zware machines overheen gaan rijden.'

Er is een hele industrie rond de intensieve landbouw ontstaan waarin veel geld omgaat. Boeren werden afhankelijk van erfbetreders: vertegenwoordigers van bedrijven die hogere opbrengsten beloven door andere kunstmest, beter graszaad of effectiever krachtvoer. Bij de extensieve manier is onafhankelijkheid het streven.

Foppe: 'Als je goede mest produceert en je stemt het aantal dieren af op het aantal hectaren, dan kom je in een bepaalde kringloop. Kunstmest is niet nodig, je moet de schimmels en bacteriën in de grond gebruiken. De bodembiologie zijn we helemaal vergeten. Het gaat alleen nog maar over bodemchemie.'

Erfbetreders. In gedachten zie ik ze bij de boerderij van Foppe Nijboer rechtsomkeert maken. Hier valt niets te verdienen.

(25-05-2016)

Tentoonstelling

De Koe: Cas Oorthuys en Hans van der Meer, Fries Museum i.s.m. Nederlands Fotomuseum, Leeuwarden, t/m 5/6/2016.

Beeld Hans van der Meer

4. Koeienfotograaf

Waar geld wordt verdiend, is beeldvorming belangrijk. Elke sector heeft een eigen beeldtaal waar het gaat om productfotografie, de rundveefokkerij is daarop geen uitzondering. De fotograaf en zijn medewerkers weten wat hen te doen staat. Alleen de koe weet van niks.

Een koeienfotograaf werkt voor fokkerijorganisaties die fotoshoots organiseren en soms tijdens evenementen zoals landbouwshows. De dieren zijn dan gewassen en geschoren door zogeheten cowfitters, die met tondeuses, borstels en spuitbussen de laatste hand leggen aan het toilet van de dames. Cowfitters klinkt Amerikaans en dat is geen toeval. Nadat de melkmachine was uitgevonden, nam in de Verenigde Staten het fokken van koeien op een hoge melkproductie een hoge vlucht.

Zo ontstond de behoefte aan een gestandaardiseerd beeld van de melkkoe, dat als ideaal werd gepresenteerd in reclames van fokbedrijven. Melkkoeien worden sindsdien met de kop omhoog afgebeeld, met een zo recht mogelijke ruglijn. Het achterste deel vertelt het meest. De kruisligging, ofwel de stand van het bekken, moet niet omhoog maar ook niet omlaag lopen. Dat kan problemen geven met afkalven. Is die rechte lijn niet door het fokprogramma verkregen, dan kan de fotograaf via beeldbewerking ingrijpen. Dit is tenslotte het tijdperk van de maakbaarheid. Photoshoppen is bij reclamefotografie gemeengoed, maar in de melkveehouderij klinken hier en daar kritische geluiden over de geloofwaardigheid van bewerkte foto's.

Minstens zo belangrijk is de uierophanging. Een koeienfotograaf staat daarom iets schuin achter de koe, zodat er ook nog iets van de uier aan de achterkant is te zien. Om te voorkomen dat vanuit dat perspectief de voorkant van de koe kleiner wegloopt, worden de voorpoten op een verhoginkje gezet. Daar komt wat gras overheen, zodat het niet te veel opvalt. Aan de staart wordt een pluim gehangen, die ze met een nylon draadje iets naar achteren kunnen trekken.

Je moet er wel geduld voor hebben. De vier poten worden net zolang opgetild en op hun plaats gezet totdat ze eindelijk goed staan. Dat duurt al gauw tien minuten. Net als de fotograaf terugloopt naar zijn camera en bidt dat de koe niet zal bewegen, zet het dier een stap. Dan begint het hele verhaal weer van voren af aan. Pas na vijf keer of zes keer heeft ze er genoeg van en blijft ze staan.

Op dat moment komt de assistent met het scherm in actie om voorzichtig haar aandacht te trekken. De fotograaf drukt pas af als de oortjes omhoog gaan.

De koe snapt er al die tijd niets van. Zij heeft geen weet van de maakbare wereld.

(11-05-2016)

Beeld Hans van der Meer

3. Beeldvorming

De koeien gaan rond deze tijd van het jaar weer naar buiten. Of niet. Boeren die de koeien het hele jaar binnen houden, geven redenen op als: beweiding geeft te veel werk, de huiskavel is te klein, de afstand tot de melkrobot is te groot of zo valt beter te sturen op rantsoen.

De omstandigheden verschillen per bedrijf, maar wanneer de koeien niet naar het gras gaan, zal het gras naar de koeien moeten. Dus wordt er in het zomerseizoen vers gemaaid gras de stal in gereden en voor het voerhek gegooid. Je zou denken dat dit weinig verschil maakt, maar dat ligt toch anders. Koeien zijn kieskeurig. In het weiland kunnen ze zelf kiezen welk deel van het gras ze willen eten. Onderzoekster Anjo Elgersma: 'Ze eten het van boven naar beneden. Eerst de toppen, bij voorkeur van de jonge bladeren. Daardoor bevat de melk bij weidegang een hoger gehalte aan onverzadigde vetzuren.'

Er zijn weinig boeren die hun koeien gemaaid gras van het land af laten eten, zoals het beeld hierboven laat zien. Het heeft te maken met diezelfde kieskeurigheid. Koeien eten in het voorjaar om de bloeistengels heen, die vinden ze niet lekker. Wanneer je een strip maait en het even laat liggen eten ze alles ervan af. 'Zo kun je meer uit je weiland halen', aldus weidevogelboer Sjoerd Miedema uit Haskerdijken.

Miedema liet tien jaar geleden een forse stal bouwen. Tot vorig jaar had hij 350 koeien. Maar hij heeft het roer omgegooid en gaat biologisch. Nadat de knoop was doorgehakt, verkocht hij honderd koeien tegelijk. De mestnorm voor biologisch boeren is 1,77 koe per hectare, het aantal dieren moest in verhouding komen met de hoeveelheid land. Hij melkt er nu nog 250.

De kudde bestaat uit een kruising van Holstein en Blaarkop. Geen topsporters, want krachtvoer krijgen ze nauwelijks en ze eten kruidenrijk gras. Ze leveren per koe nog geen 6.000 liter melk per jaar, maar met zijn allen geven ze genoeg om van te bestaan. Een biologisch bedrijf met een flinke kudde en een megastal. Dat kan dus ook.

De stal op de foto links is van Fouke de Vries uit It Heidenskip. Hij is ook weidevogelboer, draait zijn bedrijf op zonne-energie en gebruikt zo min mogelijk kunstmest. Zijn 230 koeien houdt hij het hele jaar door op stal. Voor hem is sturing op het rantsoen de belangrijkste reden om ze binnen te houden. Daarnaast is zijn huiskavel maar 2,5 hectare. En ze moeten een weg oversteken.

Hij herinnert zich hoe boeren in de jaren zeventig hun koeien steeds later het land in stuurden. Het draaide allemaal om de eerste snee, de eerste keer maaien. Bij gunstig weer had je al voor 60 procent kuilgras voor de winter. In de loop der jaren schoof die grens steeds verder op. De koeien bleven op stal tot de tweede snee. Of zelfs tot de derde. Tot ze helemaal niet meer buiten kwamen.

Fouke de Vries wil best twintig koeien op de huiskavel laten lopen. Voor de beeldvorming, voor toeristen.

(27-04-2016)

Beeld Hans van der Meer

2. De vaars

Eicelterugwinning bij een vaars in een stal van CRV in Terwispel. Niet zomaar een vaars, eentje die minimaal 30 duizend euro waard is. De afkorting CRV staat voor Coöperatie Rundveeverbetering. CRV is een organisatie met circa 25 duizend leden in Nederland en België en net als Friesland Campina ook een internationaal opererende holding. De omzet van CRV bedraagt circa 170 miljoen euro per jaar.

In een hiervoor speciaal ingerichte stal vindt de eicelterugwinning plaats. De vaarzen hebben de week ervoor een hormonale behandeling gehad, waardoor ze meer eicellen produceren. Na het aanprikken met een vacuümpompje vangt men de eicellen in een vloeistof op. Dan maken de rundveeverbeteraars onder een microscoop een selectie van eicellen, die ze in een rijpingsvloeistof leggen. De bevruchting vindt plaats op de tweede dag. Op de vierde dag bekijken ze hoe de deling heeft plaatsgevonden. Koeriers brengen de embryo's naar fokkerijen die zich hebben gemeld met tochtige koeien. Daar worden de embryo's op de zevende dag teruggeplaatst in de baarmoeder van een veelbelovende vaars of koe. Meestal gebeurt dit bij satellietbedrijven die een vast aantal embryo's op jaarbasis kopen, waarbij CRV het eerste terugkooprecht heeft. Een vaars kan wel 50 embryo's produceren, die per stuk 600 euro waard zijn. Vandaar die 30 duizend euro.

Van een aantal embryo's onderzoekt men in een vroeg stadium het dna. In 2008 begon CRV met InSire, een programma dat melkveehouders via genetische selectie de snelste weg naar een betere veestapel belooft. Het bedrijf benadrukt dat bij InSire eigenlijk sprake is van ver doorgevoerde selectie. Met genetische manipulatie heeft het niets te maken, omdat er niet aan het dna gesleuteld wordt.

De site van het bedrijf introduceert het voordeel van genetische selectie als volgt: 'Stel je voor dat je als het ware in een kalfje kunt kijken en kunt zien of het de goede of slechte eigenschappen van vader en moeder heeft meegekregen. Direct weten welke van de volle zussen de goede genen van beide ouders heeft meegekregen en welke niet.'

Goede eigenschappen, slechte eigenschappen. Welke wel, welke niet? In de fokkerijwereld worden die keuzen al gemaakt. Het heet niet voor niets rundveeverbetering. Een woord dat bij mij meteen de vraag oproept: voor wie is het eigenlijk een verbetering?

(12-04-2016)

Beeld Hans van der Meer

1. Melkziekte

Een uur eerder lag deze koe op dezelfde plek in het gras en gaf je geen cent meer voor haar: melkziekte. Na het afkalven krijgt in Nederland 5 procent van de koeien deze ziekte, meestal veroorzaakt door een tekort aan calcium. Dat wordt aan het lichaam onttrokken voor de melkgift. Bij de eerste symptomen brengt een boer extra calcium in via een infuus. Zo'n 'downer', een koe die uren na het kalven blijft liggen, drukt met haar eigen gewicht op de poten. Dat is funest voor de doorbloeding. Daarom moet ze om de paar uur van de ene op de andere zij worden gerold of overeind gezet met spanbanden. In de praktijk gebruiken boeren ook een heupklem, maar dat kan leiden tot bekkenproblemen.

In de vakbladen lees je dat ook fosfaatgebrek steeds vaker een rol speelt bij melkziekte. Dat klinkt eigenaardig. De koeienstapel wordt verantwoordelijk gehouden voor het fosfaatoverschot, maar zelf komen deze koeien tekort.

Sommige boeren leggen een verband met strengere milieunormen, die minder fosfor in krachtvoer voorschrijven. Volgens Schothorst Feed Research, een privaat kenniscentrum voor diervoeding, gaat het om een ingewikkelde interactie van mineralen. Het is in ieder geval duidelijk dat een langdurig tekort aan fosfor koeien in de problemen brengt.

Een andere manier om de dieren overeind te krijgen is een therapeutisch koebad zoals op de foto op een boerderij in Dalfsen is te zien. Dat is een Deense uitvinding, die ook in Nederland door enkele firma's wordt aangeboden.

Meestal heeft de boer zijn zieke koe al ergens apart gelegd. Eerst worden de poten bij elkaar gebonden. Daarna wordt de 'patiënt' op een speciale mat geschoven en met een lier in de aanhanger getrokken. De kleppen aan de voor- en achterkant worden opgeklapt en vergrendeld. Via die blauwe slang die daar nog op de grond ligt, stroomt water van ongeveer 39 graden naar binnen. Dat is de lichaamstemperatuur van koeien. Wanneer het water langzaam stijgt, komt het verzwakte beest vanzelf overeind. Ze krijgt wat voer voor haar neus en moet zes uur in het bassin blijven staan.

Hoe het met deze koe is afgelopen? De boerin laat weten dat er een tweede koebad nodig was voor het definitieve herstel. Maar deze dame is weer helemaal gezond. En ook alweer drachtig, want daar draait het tenslotte allemaal om.

(30-03-2016)

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.