De vele levens van Sebastian Haffner

ALTIJD FASCINEREND: mensen die een hele eeuw hebben volgeleefd - zeker als ze dat met een open, intelligente ooggetuigenblik hebben gedaan, en helemaal als het de twintigste eeuw is geweest en zij ook nog Duitser waren....

Sebastian Haffner (1907-1999) werd geboren in het 'Wilhelminische' Berlijn, als onderdaan van een keizer. Hij was in 1914 al oud en in ieder geval wijs genoeg om bewuste herinneringen aan de Eerste Wereldoorlog te kunnen verzamelen. Als beginnend gymnasiast maakte hij de 'verraden revolutie' van 1918, de Duitse nederlaag en het uitroepen van de republiek mee. Gedurende de jaren van Weimar was hij scholier en rechtenstudent, en tegen de tijd dat Hitler aan de macht kwam, was hij net onder aan de ladder begonnen met wat een nette juridische carrière had kunnen worden.

Dat hij die kort daarna vrijwillig opgaf, was ten dele een kwestie van 'innere Emigration'. De in de beste negentiende-eeuwse burgertradities opgevoede en opgeleide zoon uit het land van Dichter und Denker wilde niet medeplichtig worden aan een gelijkgeschakeld en geperverteerd rechtssysteem. Maar er speelde ook een persoonlijke ambitie mee: eigenlijk hadden kunst en letteren hem altijd al meer getrokken dan de juristerij, hij had in z'n vrije tijd ook al gewerkt aan een eerste roman. Dus dook hij in 1936 als het ware onder in de journalistiek - niet bij een door de nazi's gecontroleerd dagblad, maar bij een voorlopig ongemoeid gelaten modetijdschriftje, waar hij in betrekkelijke vrijheid kon schrijven over betrekkelijk onbeduidende onderwerpen.

Op een soortgelijke manier - mengeling van principiële en particuliere overwegingen - voltrok zich in 1938 zijn daadwerkelijke afscheid van Duitsland. De aanvechting om z'n heil buiten de grenzen te zoeken was er misschien al meteen in februari 1933 geweest en zal hem in de jaren daarna nooit helemaal hebben verlaten. Maar hij hakte de knoop pas door toen de acht jaar oudere joodse Erika Hirsch met wie hij samenleefde, zwanger raakte en hij, noch zij, noch hun ongeboren kind van 'rassenschande', hun leven in Berlijn nog zeker waren.

Zo had hij Hitler als het ware vijf jaar lang aan den lijve ondervonden. Dat zal hem mede het recht hebben gegeven om veel later te schrijven: 'Alle bronnenonderzoek en bronnenstudie kunnen niet opwegen tegen de eigen ogen die het werkelijk hebben gezien, en vooral niet de eigen neus die het werkelijk heeft geroken.'

Maar tegen die tijd was hij al aan zijn vierde of vijfde leven bezig. Hij kon terugkijken op moeizame eerste Exil-jaren in Londen, en op een scherpzinnig essay (Germany: Jekyll and Hyde) dat hem een redacteurschap bij The Observer had bezorgd. Hij raakte ingeburgerd en genationaliseerd tot Engelsman, en toen de geallieerden het nationaal-socialisme hadden verslagen, was hij als gezaghebbend Engels commentaarschrijver in Londen blijven wonen. Pas in 1954 verhuisde hij alsnog terug naar West-Berlijn, dat inmiddels als een halve enclave lag opgesloten binnen de communistische DDR. In z'n geboorteland 'emigreerde' hij journalistiek ten slotte nog een keer van de rechtse Springer-krant Die Welt naar het liberalerige massaweekblad Stern. En pas tegen die tijd - hij was intussen 70 geworden - vestigde hij zijn naam als historicus met twee monografieën die in hun soort onovertroffen zijn gebleven: Churchill, en Anmerkungen zu Hitler. Alleen oude vrienden en familieleden wisten toen nog dat hij van huis uit eigenlijk Raimund Pretzel heette. Om de postbode niet in de war te brengen had hij aan z'n voordeur in de Dahlemse Ehrenbergstrasse een klein Pretzel-naambordje laten schroeven onder het grotere waarop Sebastian Haffner stond.

Een rijk en bewogen leven heeft hij geleid, en op een dag verdient hij een rijke en bewogen biografie. En dat is die van Uwe Soukup - Ich bin nun mal Deutscher - nog op geen stukken na.

Dat diens boek om te beginnen is geschreven in een soort koddebeiersDuits waarbij je om de alinea heimwee voelt naar het muzikale en altijd trefzekere proza dat Haffner door de jaren heen heeft gebezigd en geperfectioneerd, is misschien nog tot daar aan toe: niet iedereen heeft talent, en Soukup studeerde nou eenmaal sociale pedagogie.

Storender is z'n onvermogen of z'n onwil om ook maar de geringste relatie te leggen tussen de man en zijn werk. Wat precies dreef Haffner bij de vele 'existentiële' keuzes die hij in z'n leven heeft gemaakt? In hoeverre was hij iemand die - met z'n grote intelligentie - consequent een waarnemerspositie aan de zijlijn verkoos boven deelname en engagement? Leed hij aan een lichte vorm van contactarmoede, of had hij iets van de kansspeler die de omstandigheden het werk liet doen? Was zijn naoorlogse ommezwaai van onverzoenlijke 'kalte Krieger' naar prediker van vreedzame coëxistentie tussen Oost en West een zaak van pragmatisch inzicht of - zoals z'n vijanden zouden volhouden - van puur opportunisme?

In een voldragen biografie zou onderzoek zijn gedaan naar Haffners rol bij de ruzietjes binnen de Duitse ballingenkolonie in het Londen van de late jaren dertig. Of naar zijn verhouding tot figuren als Isaac Deutscher, Arthur Koestler en George Orwell die hij in de kring rond The Observer leerde kennen. Of naar z'n latere conflicten met Rudolf Augstein van Der Spiegel die hem (onder andere vanwege z'n optredens in het oudeherenpanel van het televisieprogramma Frühschoppen) een verstokte havik, en met Axel Springer die hem een cryptocommunist noemde. Of naar de wijze waarop hij, stokoud al bijna, na de val van de Muur terugverlangde naar de overzichtelijke dagen van de twee Duitslanden, en Gorbatsjov misprees als de vernieler van het veilige evenwicht.

Maar niets van dat al bij Uwe Soukup.

Misschien omdat hij, veel meer dan op het eerste gezicht nodig lijkt, op een soort rehabilitatie uit was.

Die ambitie moet verklaard worden uit het feit dat Haffner, bij alle eer die hem in z'n laatste jaren werd bewezen, in Duitsland altijd een controversiële figuur is gebleven. Was zijn vlucht in 1938 niet eigenlijk ook een vorm van desertie geweest? Had hij als medewerker van een Engelse (dus vijandelijke) krant niet in zekere zin landverraad gepleegd? Waarom trouwens was hij niet, zoals zoveel grote joodse en niet-joodse Duitse schrijvers en kunstenaars, meteen al in 1933 geëmigreerd? En met hoeveel bewuste oogkleppen op had hij het nog vijf jaar binnen een racistische politiestaat uitgehouden?

Naarmate hij zich, terug in patria, steeds nadrukkelijker mengde in het politieke debat - eerst als fel anticommunist, later als pleitbezorger van normale betrekkingen met de nou eenmaal onvermijdelijke DDR, eerst als Adenaueriaan, later als bewonderaar van Willy Brandts Ostpolitik, eerst als criticus van de Duitse Jeckyll- & -Hyde-geest, later als verdediger van 'Pruisische' waarden die van Frederik de Grote via Bismarck tot aan de coupplegers van 20 juli 1944 hadden gereikt - groeide de weerstand tegen zijn onverstoorbare analyses.

Nog dit jaar is er serieus gepolemiseerd over de vraag of het teruggevonden manuscript van de jeugdherinneringen - Geschichte eines Deutschen 1914-1933 - niet in zoverre een vervalsing was, dat het niet in 1939 (in Londen) kon zijn geschreven, maar van veel later moest dateren. Juist als 'geweten' van Duitsland zou Haffner tot na zijn dood tegenspraak blijven uitlokken.

Soukups boek bestaat voor driekwart uit citaten. Voor de eerste jaren natuurlijk uit Haffners eigen autobiografische notities, die zo'n ongelooflijk scherp en authentiek beeld schetsen van een kinder- en jongelingsleven in de nadagen van het keizerrijk, de wanhopige dagen van de Weimar-republiek en de begindagen van de dictatuur. En daarna uit de honderden politieke columns, boekbesprekingen en historische beschouwingen die hij vanaf 1941 eerst voor The Observer en later voor Die Welt, voor Stern en voor Konkret schreef, en waarvan er vele godzijdank zijn bewaard in verzamelbundels.

De manier waarop Soukup de citaten heeft geselecteerd, geordend en van commentaar voorzien, diende maar één doel: Haffner voor een Duits publiek te schetsen als een even integere als consistente observator van de twintigste-eeuwse geschiedenis in het algemeen en de rol van Duitsland in het bijzonder. Dat is als doel nobel genoeg, al was het misschien nog nobeler en in ieder geval interessanter geweest als bij minstens zoveel aandacht had besteed aan de twijfels, de aarzelingen en de bange onzekerheden waarvoor de in-fatsoenlijke Duitser Raimund Pretzel in z'n lange leven vast en zeker ook heeft gestaan.

Het is wat dat betreft typerend dat in de biografie met geen woord wordt gerept over het boek waarin Haffner met haast jaloerse bewondering het portret van de patricische staatsman Churehill afzette tegen dat van de plebejische parvenu Hitler: al te veel Duitse Selbsthass kwam Soukup kennelijk niet van pas.

In z'n ijver om het werk als een eenheid te duiden heeft hij de man bijna verdonkeremaand. En die man is zeker zo fascinerend geweest als de fascinerende boeken die hij heeft geschreven.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden