De vele gedaantes van het Paradijs

Het verlangen naar het paradijs is zo oud als de wereld. Kevin Rushby laat een bonte stoet van dromers en dwepers de revue passeren, zoekers naar de Hof van Eden, die geloven in diverse utopieën.Door Paul Depondt..

In augustus 1913 besloot Joseph Knowles, na het roken van een laatste sigaret, voortaan als een nieuwe Adam in het paradijs door het leven te gaan. Aan de rand van een bos in de Amerikaanse staat Maine ontdeed hij zich, in het bijzijn van een aantal goedgelovige journalisten, van al zijn kleding, wuifde nog eenmaal ten afscheid, draaide zich om en verdween tussen de bomen – ‘met niet meer bagage dan zijn eigen genie’, zoals Oscar Wilde het gezegd zou hebben.

In oktober keerde hij terug uit zijn Eden en werd door een tumultueuze menigte begroet. In alle kranten werd hij bejubeld, behalve in de Boston American die onthulde dat hij al die tijd in een luxe hut had gezeten. Een paar keer nog herhaalde Knowles zijn stunt in telkens weer een andere staat. En telkenmale geloofden velen in de gelukzaligheid die hij ‘naakt als een slang’ vond in zijn paradijs.

Het paradijs is al sinds mensenheugenis een sturende mythe. Op de een of andere manier is de zoektocht naar zo’n paradijselijke plek een van de belangrijkste drijfveren van de mens, voor sommigen zelfs een religie. Altijd, zegt de Britse reisjournalist Kevin Rushby in Het Paradijs – Drieduizend jaar zoeken naar de perfecte wereld, zijn er mensen geweest die het pad naar aardse volmaaktheid zochten, van Pythagoras tot Karl Marx en van christelijke heiligen tot Osama bin Laden. De Hof van Eden is voor velen een aanlokkelijke mythe, niet alleen voor vrome christenen of moslims, maar ook voor vooruitgangsfilosofen, kapitalisten en moderne heilsprofeten.

In 2003 bezocht Rushby, die eerder in het Nederlands vertaalde boeken over India, Jemen en Ethiopië schreef, een plek in Irak die door de lokale bevolking de Hof van Eden wordt genoemd, ‘een vlakte van gedroogde modder met hier en daar een dode boom’. Dat jaar was hij ook in Kabul waar zich aan de rand van de stad overblijfselen bevinden van een eeuwen geleden aangelegde idyllische tuin. Hij was naar die plekken gereisd ‘door toedoen van hedendaagse paradijszoekers’, onthult hij in zijn boek, in het kielzog van ‘de mannen die een paar vliegtuigen hadden gekaapt en zich daarmee in gebouwen hadden geboord’.

Na de aanslagen van 11 september wilde Rushby meer weten over de paradijsqueeste van moslimterroristen. Waarom werken verlangens naar zulke onbereikbare oorden zo aanstekelijk? Waarom geloven we überhaupt in zo’n valse droom? Hij had al meteen een voorsprong, zegt Rushby, vanwege zijn ouders die in zijn jonge jaren lid waren van de christadelfianen, de Broeders in Christus, een protestantse sekte die geloofde dat het paradijs zou komen wanneer Jezus terugkeerde en de rechtschapenen uit de dood zouden herrijzen. Er zou, wisten de sekteleden, een gewelddadig armageddon aan voorafgaan en de tekenen lagen volgens zijn ouders uitdrukkelijk voor het rapen: Vietnam, Biafra, rellen, moordaanslagen maar ook het onstuitbare succes van The Rolling Stones – jazeker, ‘de dag des oordeels zou nu niet lang meer op zich laten wachten’.

Wat behelst toch dat concept ‘paradijs’, dat idee ‘van een volmaakt leven op een volmaakte plaats voor volmaakte mensen’? ‘Paradeiza’ is oorspronkelijk een Perzisch woord, ‘pardes’ in het Hebreeuws; het is ontleend aan een antieke voorstelling van een jachttafereel waarop een door god uitverkoren vorst een kennelijk eindeloze overvloed aan spek mag verorberen. Het is het beeld van een allesoverheersende weelde, van vaak ook zinnelijk genot: een magische en ommuurde plek, tjokvol fruit, met beeldschone jongelingen en aanlokkelijke paradijsmaagden – ‘voor iedere man tweeënzeventig maagden’, een veronderstelling die overigens helemaal niet in de Koran voorkwam maar pas in de 15de eeuw voor het eerst door iemand is opgetekend.

Voor velen is de paradijsqueeste een ware obsessie. Bij sommigen vertroebelt die drang naar een volmaakte plek hun geest, bij anderen leidt het gefantaseer tot een soort fanatieke dadendrang. Aan de ene kant heb je paradijszoekers die hun Hof van Eden vinden, aan de andere kant geloven sommigen dat aan het paradijs een hemeltergende catastrofe voorafgaat, eerst de Apocalyps, dan pas het hemelse rijk. Alle dromers en dwepers die in de ‘maakbaarheid van de mens’ en de ‘tuin van Eden’ geloofden en geloven, kerkvaders, onheilsprofeten, ontdekkingsreizigers, sociaaldarwinisten, communisten én neoliberalen, hanteren zo’n retoriek van de paradijsmythe.

Rushby plaatst, in zijn zoektocht naar de betekenis van die paradijsdrang, de grot van Pythagoras tegenover de grot van de apostel Johannes: het Griekse eiland Samos, waar de filosoof mediteerde en zocht hoe hij ‘een staat van gelukzaligheid kon bereiken’ tegenover het nabijgelegen Patmos, waar de apostel gekweld werd door ‘visioenen van de laatste apocalyptische strijd tussen goed en kwaad’. Na de verschrikkingen van oorlogen, ecologische natuurrampen, revoluties en economische crises, komt de dageraad, het morgenrood voor de ene groep, het consumentenparadijs voor de andere, het Eden van de duurzame gebruiksgoederen voor sommigen, en de globalisering voor weer andere goedgelovigen.

Met veel ironie vertelt Rushby de verhalen van die gelukzoekers. Kennelijk kreeg dat geloof in het paradijs – wat dat ook moge zijn – vorm in aanlokkelijke botanische tuinen en utopische dromen. Aanvankelijk was de Hof van Eden iets dat je kon vinden, het El Dorado, maar later werd ‘het iets wat je moest bouwen’, schrijft Rushby. Verrukkingen die voorheen exclusief waren voorbehouden aan het hiernamaals, zijn voortaan in de moderne paradijsmythologie bereikbaar op aarde.

Je kunt het geluk kopen. In het nieuwe scenario is consumptie opium voor het volk. We worden bedwelmd door consumentenidyllen. Ons koopgedrag, meent Rushby, is net zo goed geworteld in voorstellingen van het paradijs dat ‘verkocht wordt in de vorm van producten’. Het paradijs is de officieuze religie van onze tijd geworden, de sturende mythe achter het vooruitgangsidee en het consumptiekapitalisme. Na het falen van het communisme, de droom van de maakbare arbeidersstaat, triomfeert nu het neoliberalisme, het onstuitbare geloof in een volmaakte en hedonistische consumentenwereld.

De nieuwe economieën zijn ‘plutonomies’, luidt het in Evil Paradises – Dreamworlds of Neoliberalism: de rijken zijn de dominerende en stuwende actoren van de vraag naar consumptiegoederen. De moderne mantra voor de nieuwe consumentenparadijszoekers is ‘werk hard en ontspan je hard’. Volgens Mike Davis, een van de samenstellers van het boek, drijft de economie op illusies. Alles is te koop, maar niet iedereen kan alles kopen.

In een heel kritisch essay, dat eerder in New Left Review verscheen, analyseert Davis ‘de droom van Dubai’, het droomparadijs in de Verenigde Arabische Emiraten. Door de hoge olieprijzen kon Dubai in snel tempo uitgroeien tot een wereldstad. Het is de post-globale stad ‘die vooral verlangens opwekt’. Dubai is, met zijn grootse shoppingmalls, pretparken en paradijselijke stranden, een extreem voorbeeld van de nieuwe verstedelijking.

Maar de bouwgekte in de Emiraten heeft zijn verborgen keerzijde: het is, zegt Davis, ‘een neoliberaal Noord-Korea’, een oase van vrij ondernemerschap zonder inkomstenbelastingen, vakbonden of oppositiepartijen, het is een consumptieparadijs. Het is een land waar nooit en voor geen enkel bestuursorgaan ooit verkiezingen zijn uitgeschreven. Tachtig procent van de bevolking bestaat uit pover betaalde en uitgebuite gastarbeiders, vooral uit India en Pakistan, die geen rechten hebben. Stakingen zijn verboden, morren wordt afgestraft. Dubai heeft het stadium van het hyperkapitalisme bereikt.

Altijd al zijn de voorwaarden voor de toegang tot het paradijs een omstreden kwestie geweest. Je kon de ‘tuinen der verrukking’ pas betreden als je die beloning had verdiend of als je ervoor had betaald. Ook de moderne paradijzen zijn niet voor iedereen zomaar toegankelijk. In de voormalige Sovjet-Unie kon lange tijd alleen maar een beperkte nomenklatoera genieten van de verworvenheden van de communistische heilstaat. Sommige imams beloven hun strijders zo’n verrukkelijke tuin in het hiernamaals. Misschien is de paradijsmythe nog nooit zo hardnekkig uitgebaat als nu, zowel in politiek, in godsdienstwaanzin, in consumptiedrang, zelfs bij milieu-activisten die het in hun retoriek voortdurend hebben over ‘de verloren paradijzen’.

Rushby is een vlotte schrijver en verteller, al te vlot. Zijn boek verzandt of ontspoort daardoor wel eens door grappige anekdotiek. In de hoofdstukken over de ‘consumentenidyllen’, aan het slot van zijn boek, verzuimt hij de analyses te maken die je in Evil Paradises wel aantreft. In dat boek neemt een aantal auteurs de nieuwe verstedelijking onder de loep, de dreamworlds van het neoliberalisme: naast Dubai, als prototype van de paradijselijke stadsontwikkeling, ontmaskeren ze ook andere ‘iconische architectuur’ als decorstukken van een geglobaliseerde wereld die als een gigantische zeepbel kan imploderen.

Met cijfers en grafiekjes tonen ze aan dat die ‘werelden van de genoegens’ maar voor een kleine minderheid toegankelijk zijn en dat – zoals filosoof Peter Sloterdijk schrijft in Het kristalpaleis – Een filosofie van de globalisering – in een soort naargeestige ‘apartheidscultuur van het comfort’ miljarden anderen ‘vergeefs aan de deur van het paleis kloppen’. Dat soort ‘psychedelisch kapitalisme’, dat de illusie van de verwenning en het genot in stand houdt, is net zo’n schaamteloze oplichterij als de belofte ooit het eeuwig leven te kunnen verwerven.

Globalisering, zegt Rushby, ‘zou een bijeffect zijn van de eindeloze behoefte van het kapitaal om de goedkoopste hulpbronnen, producenten en distributiekanalen te lokaliseren, en vervolgens consumenten te vinden, bij voorkeur rijke’. Maar er is nog een globalisering gaande, een van idealen, een aanprijzing en verspreiding van het paradijsgerichte gedrag ‘dat nu haar plastic paradijs in de schoot heeft geworpen van volken die daar door hun geschiedenis of door hun economie niet klaar voor zijn’.

Dit blijkt vooral voor de islam een zware beproeving. Na de belediging van hun trots, meent Rushby, kregen veel moslimlanden ook nog te maken met armoede, onderontwikkeling, onderdrukking en onzekerheid. Veel moslims koesteren een soort ‘apocalyptische hoop’, zoals de Iraanse president Mahmoud Ahmadinejad, die het in zijn toespraken voortdurend heeft over ‘zijn geloof in de terugkeer van de Messias’. De paradijsmythe kan hele volkeren tegen elkaar opzetten. Het is volksverlakkerij.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden