De vechter die vertrouwt op zijn joker

Michel Lukkien (57) zette de marathons van Rotterdam en Amsterdam (morgen is de 27ste editie) op de kaart. Hij haalde als ondernemer Nike naar Nederland, is management-consultant voor bedrijfsdirecties en atletiektrainer....

In 1974 liep ik de marathon van Zandvoort. Ja, de marathon van Zandvoort, tien rondjes over het circuit. Leek me wel wat, maar ik wist er verder niets van. Ik liep een paar keer per week om de Amsterdamse Bosbaan, verder dan vijftien kilometer was ik nooit gekomen.

Het was noodweer, maar ik ging voortvarend van start. Ik liep persoonlijke records op de vijf, tien en vijftien kilometer. Stom, ik begon natuurlijk veel te hard, wist ik veel dat je een marathon heel anders moest benaderen. Na twintig kilometer was het op, was het net alsof ik bij windkracht negen op een vlot op de oceaan stond.

Ik was compleet kapot, maar ik zóu finishen. Dat zit in mijn karakter: ik heb een enorm vermogen om pijn te kunnen lijden. Waar raspaardjes gaan jammeren, zet ik mijn joker in. Ik kan vechten, dat is de rode draad in mijn bestaan - op sportief gebied, maar ook in de zakenwereld en in mijn privé-leven.

Ik werkte in die tijd als adjunct-directeur bij Campari en las dat Amsterdam in 1975 in het kader van het 700-jarig bestaan een marathon over het parkoers van de Spelen van 1928 wilde organiseren. Dat paste wel in mijn marketingstrategie, de marathon leek me een goed middel om Campari bekender te maken. Dat kon toen nog samen: alcohol en sport.

Start en finish waren, net als nu, in het Olympisch Stadion. Sportief was die eerste marathon een aardig succes, het was de eerste marathon met een close-finish. Henk Kalf liep zelfs een Nederlands record, 2.16.53. In die jaren was er nog geen sprake van een looprage. Er stonden een paar honderd man aan de start.

In het derde jaar van Amsterdam zag ik Amerikanen op andere schoenen dan Adidas of Puma. Kleuriger en technischer, het leken wel speedbootjes: Nike. Ik was nieuwsgierig, sprak Bill Rodgers, winnaar van Amsterdam, er op aan. Hij vertelde me dat Nike uit Oregon kwam.

Die schoenen wilde ik hebben. Ik heb Ron Hill gebeld, de beroemde loper, die in het Engelse Chesire een sportzaak had. Ja, hij had Nikes, hij had net vijftig paar binnen. Heb ik allemaal gekocht. Ben ermee naar sportzaken gegaan, maar daar was geen interesse. Ze vonden die kleurtjes alleen maar een gimmick. Zorg maar dat er vraag naar komt, zeiden ze.

Heb ik gedaan. Ik heb ze uitgezet onder topatleten in Nederland, met een vragenlijstje erbij. Het enthousiasme was groot. Ik wilde officieel gaan importeren, heb een rapport van 63 kantjes naar de VS gestuurd, vol met grafiekjes. Vier maanden hoorde ik niets, ik was het bijna alweer vergeten.

Toen werd ik uitgenodigd. Ik erheen, in driedelig grijs. De mannen van Nike zaten in vrijetijdskleding aan tafel. Oregon, de houthakkersstaat - wist ik veel. De gesprekken liepen wat stroef. Ik dacht, het wordt niks, ik ga maar eerder terug.

Toen kwam Phil Knight, de Bill Gates van Nike, er zelf bij. Hij feliciteerde me: jij wordt onze eerste importeur buiten de VS. Hij herkende een blauwdruk van zijn eigen aanpak in mijn visie. Klanten moesten in het veld worden gevonden, ouders moesten via hun kinderen bewerkt worden. Dat was ook mijn filosofie.

Ik was 32, had een dijk van een job bij Campari, mooie auto, maar heb alles opgegeven. Een maand later reed ik op tweede kerstdag met de Eend van mijn vrouw naar een wedstrijdje in het besneeuwde Kralingse Bos waar ik op een behangtafel schoenen ging verkopen. Er gingen twee paar weg.

De winkels heb ik links laten liggen, ik wilde eerst vraag creëren. Begon dus schoenen vanuit mijn huiskamer te verkopen. Eens in de twee weken kwam er een container, de inhoud ging mijn huis op de Plantage Parklaan in. Maat 9, de beste maat, achter het bankstel, de rest op zolder en in de keukenkastjes.

Ik adverteerde in Atletiekwereld, waar vermeld stond bij welke wedstrijden ik schoenen zou verkopen. Ook kon men een afspraak maken om bij mij thuis te komen passen. Het liep storm. Ik huurde een winkeltje nabij Artis, daarna ging ik naar het confectiecentrum, later naar Zaanstad.

Ik 1990 heb ik mijn bedrijf aan Nike verkocht. Ik was de laatste onafhankelijke importeur in Europa. Ik kreeg een afscheidsfeest op een boot op het IJsselmeer aangeboden en ontving een plaquette van Phil Knight: ``Jij hebt Nike in Europa op de kaart gezet.''

Ook toen ik nog met Nike werkte, verkeerde ik graag met atleten. Ging ik om de drie maanden met sporters als Bert van Vlaanderen, Jacques Valentin en Carla Beurskens mee, op trainingskamp naar de VS bijvoorbeeld. Even stoom afblazen.

Van Vlaanderen heb ik opgepikt bij een trimloopje. In het begin werd zijn talent in Nederland niet herkend, maar hij pakte wel brons tijdens de WK van 1993. Hij had het marathon-IQ van een professor. Bert had een beperkte basissnelheid, maar hij won door zuinig te lopen. Hij was de eerste die een sneller tweede deel van de marathon kon afleggen.

Kijk, iedereen gaat na dertig kilometer pijn lijden. Maar als je rustig begint, en je haalt in dat laatste stuk mensen in, dan wordt de pijn minder. Je beleeft de euforie van het inhalen. Diegene die ingehaald wordt, krijgt dubbele pijn. Dat kon Bert, dat kan Luc Krotwaar ook.

Luc heb ik een aantal jaren getraind, daarna zijn we gestopt. Hij leeft nu als een asceet, met stages in Kenia, maar indertijd was hij nogal aan het klooien. Ik wil niet teveel op details ingaan, maar hij gaf liever geld uit aan een taxi om te gaan biljarten, dan aan een massage na een zware training.

Luc loopt technisch heel mooi, maar hij kon het, toen ik hem begeleidde, mentaal niet lang vasthouden. Dat kan hij nu wél, en daar ben ik trots op. Hij is veel sterker geworden. Hij kan morgen - het hangt van de omstandigheden af - een 2.09 lopen, in de toekomst zelfs een 2.08.

Ik ben zijn coach niet meer, maar dit jaar, na zijn mooie 2.10.59 in Rotterdam, kwam hij na de finish wel meteen naar me toe: `Hé coachie, het heeft lang geduurd, maar het is er toch een keer van gekomen''. Dat was een emotioneel moment.

Vier, vijf jaar geleden hadden we nog acht man die op de halve afstand onder de 1.02.30 kwamen. Dit jaar komt alleen Luc eronder en kan Marco Gielen ook zo'n tijd aan. Dan hebben we nog Jamal Baligha, die ik, net als Bert, bij een trimloop ontdekte. Jamal is nog Marokkaan, al hoopt hij wel snel Nederlander te worden.

Maar verder? Het is een ramp. We glijden af, we zijn nergens meer. Dat verwijt ik de KNAU, vooral de mannen die tot voor kort de dienst uitmaakten: directeur Arie Kauffman, voorzitter Piet van der Molen en technisch-directeur Bert Paauw. Die hebben de wegatletiek in het vriesvak gezet.

Zij hebben verzuimd om de baan- en wegatletiek te scheiden. Ze hebben Gerard Nijboer wel als coördinator aangesteld, maar Gerard mist de power om het bestuur in beweging te krijgen. Hij sluit zich nu noodgedwongen aan bij het team baanatleten van Honoré Hoedt, die het goed aanpakt.

De wegatletiek mist sterke mensen binnen het bestuur. Toen Van der Molen voorzitter werd, hebben ze mij benaderd. Ik kreeg al snel de indruk dat ze mij wilden kaltstellen, en heb meteen bedankt. Ze hebben toen Roelof Veld binnengehaald, dat was ook een opposant. Ik zie hem nu alleen nog maar in driedelig kostuum handen schudden bij de finish.

Er moet een Bankrasmodel komen, een marathonschool. Potentiële toppers moeten maximaal halve dagen kunnen werken. Het wedstrijdcircuit dient aantrekkelijker te worden. Nodig niet langer acht Kenianen uit, beperk je tot twee. Dat is beter voor de doorstroming van de eigen talenten. Haal verder de beste Europeanen. Dat motiveert veel meer.

Waarom? Marco Gielen wordt niet geprikkeld als hij tegen de zoveelste Kiprono uit Kenia loopt, hij wil strijden tegen top-Europeanen als de Italiaan Baldini. Maar ik begrijp het wel, met drie telefoontjes heb je zo'n snel groepje Kenianen makkelijk aan de start. Maar het is op de lange duur de pest voor de wedstrijd, de televisie heeft er ook geen zin meer in.

Voor Europeanen moet je meer je best doen. Maar uiteindelijk heb je er meer profijt van als je sterke wedstrijden op hoog Europees niveau organiseert. Ja, er zijn ook acht Fransen die onder de 2.10 kunnen lopen, maar je moet er wel wat harder voor werken. Dat verwijt ik organisatoren, die kritiekloos de aanbiedingen van managers accepteren.

Jos Hermens, die nog bij mij is begonnen, en ik hebben de marathon van Rotterdam op de kaart gezet. Gerard Rooijakkers was de grote gangmaker achter de eerste edities, wij hebben de wereldtoppers naar Rotterdam gehaald - Robert de Castella, Alberto Salazar en Carlos Lopes.

In 1983 dachten we dat het wereldrecord er aan zou gaan, maar dat lukte niet. Er waren teveel tempowisselingen - ook heel mooi hoor, Castella won voor Lopes. Carlos zei later dat hij het record wel wilde aanvallen, maar dat hij dan alleen, in één tempo, wilde lopen. In 1984 ging het mis, hij stapte uit, om later dat jaar wel olympisch kampioen te worden.

In 1985 lukte het wel, hij liep naar 2.07.12. Had ik nooit meer verwacht, na wat ik de avond tevoren had meegemaakt. Ik nam buitenlanders vaak mee naar Volendam, naar een klompenmakerij, een palingrokerij. Vonden ze leuk. Carlos ook, hij wilde even weg uit het spanningsveld van het atletenhotel.

Schuiven we aan in Hotel Spaander voor het diner. Ziet Carlos de ober met gerookte paling langskomen. Wil ik ook, zei hij. Kan slecht vallen Carlos, zei ik nog, neem nou iets gewoons, dan komen we hier morgen ná de wedstrijd terug voor die paling. Nee, ik heb een sterke maag, zei hij. En ja hoor, mineraalwater wilde hij niet, liever een glaasje wit.

Bestelt hij als hoofdgerecht nog eens een potje gestoofde paling, plus een glas rode wijn. Met elke hap zag ik mijn wereldrecord verdwijnen. Ik belde Jos op: Jos, dit wordt niks.

De volgende dag was ik al om vijf uur op, ik was op van de zenuwen. Om zeven uur komt Carlos de ontbijtzaal binnen, hij grijnst en steekt zijn duim op. Niks aan het handje. Er viel een last van me af. En hij liep dat wereldrecord.

Met Jos ben ik het eens dat de atletieksport aantrekkelijker gemaakt moet worden. Ik zit vol ideeën, ben gevraagd om de marathon van Almere tot de derde van Nederland te laten groeien. Ook gaan we er een sterk bezette tien kilometer organiseren, die op termijn de grootste loop van Nederland wordt.

Daarnaast ben ik in Parijs en New York bezig om gezamenlijk een hele marathon te organiseren. Vijftig toppers lopen in Parijs een halve, daarna naar het vliegveld, vervolgens per Concorde naar New York voor het tweede deel van de race.

Zie je het voor je? Je kunt, dankzij dat snelle vliegtuig op dezelfde dag, op hetzelfde tijdstip dat je in Parijs stopte opnieuw starten in New York. Aan boord massagetafels, in New York staan de limousines en politie-escorte klaar om de lopers weer naar de start te brengen. Of het lukt? Ik zit al op het stadhuis van Parijs.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden