reportage

De Vatersuche van Jonathan

Veertien jaar lang zocht Jonathan Heij naar zijn donorvader, die bekend had moeten zijn, maar toch onvindbaar was. Hij kwam uit bij drie mannen, broers van elkaar. Maar wie was nu zijn vader?

Jonathan Heij zocht jarenlang naar zijn donorvader. Beeld Jiri Büller
Jonathan Heij zocht jarenlang naar zijn donorvader.Beeld Jiri Büller

Met ingehouden adem staat Jonathan Heij voor de deur van de vrijstaande woning, niet ver van Rotterdam. Hij is hier nog nooit geweest, hij kent niemand in dit dorp. Maar deze zondagmiddag komt er misschien een einde aan de zenuwslopende, frustrerende en amper te bevatten zoektocht die zijn halve leven heeft opgeslokt: de zoektocht naar zijn biologische vader, een voormalig spermadonor uit de kliniek van vruchtbaarheidsarts Jan Karbaat.

Dit verhaal liever beluisteren? Hieronder staat de door Blendle voorgelezen versie.

Hoe vaak heeft de dan 23-jarige Jonathan de hoop niet opgegeven? Hij schreef zich in bij alle grote dna-databanken, reageerde op de oproep van een ander donorkind in het tv-programma Spoorloos, kwam 44 halfbroers en -zussen op het spoor. Alles om de man te vinden die begin jaren negentig zijn eerste donaties achterliet bij Medisch Centrum Bijdorp, de kliniek van Karbaat.

Maar pas dankzij de hulp van stamboomexpert Johan, die op een curieuze manier deelgenoot werd van Jonathans afstammingsverhaal, kwam de zoektocht in een stroomversnelling.

En nu, september 2019, staat Jonathan voor een onbekende voordeur, samen met Johan en een vriendin van zijn moeder. Om antwoord te krijgen op de vragen die hem niet meer loslaten. Heeft hij zijn donkere humor soms geërfd van zijn vader? Is hij net zo rustig en bedachtzaam als hij? Hoeveel kinderen heeft zijn vader? En: zou hij iets te maken willen hebben met zijn donorzoon?

Jonathan tintelt van de opwinding, maar hij weet dat hij nog weinig in handen heeft. De man die hier woont, heeft namelijk twee broers die net zo goed Jonathans vader kunnen zijn. De een is al overleden en de ander is ernstig ziek.

De voordeur zwaait open. Erachter verschijnt een vrouw. Haar blik is argwanend.

Ze zegt: ‘Ik weet precies waarvoor jullie komen.’

Biologische vader

De zoektocht van Jonathan-David Heij naar zijn biologische vader begint als hij met zijn moeder Esther en oudere zus Merel-Lotte in januari 2011 terugkeert uit Noorwegen, waar ze een tijd hebben gewoond.

Ze hebben al van alles geprobeerd om de gegevens van de donor te achterhalen. Zo heeft Esther in 1997, 2003 en in 2006 tevergeefs contact gezocht met de kliniek van Karbaat. Nu Jonathan 16 jaar is, mag hij zelf het donorpaspoort opvragen. Dus mailen Merel-Lotte en hij naar Medisch Centrum Bijdorp. De dochter van Karbaat antwoordt: ze zal hun vraag ‘zo snel mogelijk behandelen’.

Dat Merel-Lotte en Jonathan afkomstig zijn van een spermadonor, is nooit een geheim voor ze geweest. Esther heeft het ze al verteld toen ze klein waren. Ze heeft er altijd bij gezegd dat ze contact met hun vader kunnen opnemen als ze oud genoeg zouden zijn. Daarom heeft ze ook met Jan Karbaat afgesproken dat ze absoluut geen anonieme donor wilde.

Lange tijd was de donor nauwelijks onderwerp van gesprek binnen het gezin. Ze waren niet anders gewend dan dat er geen vader in huis was. Als kinderen ernaar vroegen, zei Merel-Lotte altijd dat haar vader na de geboorte van Jonathan was vertrokken. Jonathan vertelde op zijn beurt dat zijn vader Hendrik heette, in Rotterdam woonde en zeeman van beroep was. En dat hij hem daarom nooit zag.

Jonathan had zijn fantasievader opgebouwd uit waargebeurde elementen. Hendrik was de naam van de broer van zijn moeder. Het zeemansverhaal had hij gekopieerd van vriendjes in Hindeloopen en op Ameland, waar ze hadden gewoond. Veel vaders werkten er op zee. En in de buurt van Rotterdam lag de vruchtbaarheidskliniek van Karbaat waar zijn vader zich als spermadonor nuttig had gemaakt.

Hoe ouder hij werd, hoe meer Jonathan merkte dat hij behoefte had aan een vaderfiguur, iemand die aan zijn kant kon staan wanneer hij het met zijn moeder en zus oneens was. In huis was hij de denker, veel minder een flapuit dan zijn moeder en zus. Als zou blijken dat zijn vader ook zo was, zou hem dat rust geven.

Vanaf zijn 12de raakte hij steeds meer in de ban van zijn onbekende vader. Hij had niet genoeg meer aan het verhaal van Hendrik de zeeman uit Rotterdam. Om te kunnen bepalen wie hij was en welke kant hij op wilde met zijn leven, moest hij zijn vader leren kennen.

Wat hij toen nog niet wist is dat die zoektocht veertien jaar zou duren.

Donorkinderen

Verhalen van donorkinderen die alles in het werk stellen om te achterhalen wie hun vader is, volgen elkaar in sneltempo op in de media. Dat heeft alles te maken met de Wet donorgegevens kunstmatige bevruchting, die op 1 juni 2004 in werking is getreden. Kinderen die na die datum zijn verwekt, kunnen in principe vanaf hun 16de contact leggen met hun biologische vader. Anoniem doneren, decennialang de norm in de spermaklinieken, kan sindsdien niet meer.

null Beeld Jiri Büller
Beeld Jiri Büller

Toch heeft de wet niet kunnen voorkomen dat veel donorkinderen voor dichte deuren komen te staan. Ze ontdekken dat hun vader alsnog heeft gekozen voor anonimiteit, al dan niet omdat de kliniek hem op dat idee heeft gebracht vanwege de wetswijziging in 2004. De donorkinderen zitten daarom klem tussen de klinieken en de overheid, die naar elkaar wijzen en beweren dat ze de gegevens van de donor niet mogen of kunnen geven.

Daarom is bij veel donorkinderen het geduld op, merkt voorzitter Ties van der Meer van de Stichting Donorkind. Hij spreekt van ‘tikkende tijdbommetjes’, die worstelen met hun eigen identiteit en moegestreden raken van de strijd met de instanties.

Zo schakelde een 22-jarige vrouw onlangs de rechter in om te achterhalen wie haar donorvader is. De rechters konden weinig voor haar betekenen, lieten ze na acht weken delibereren weten. Ze konden geen afweging maken tussen haar belang en dat van haar vader, omdat hij niet in de rechtbank kon worden gehoord. Juist om die anonimiteit draaide de rechtszaak.

Volgens de rechtbank is de wetgever aan zet om de gaten in de wet te repareren. Demissionair minister Hugo de Jonge van Volksgezondheid heeft al laten weten het oordeel van de rechters met belangstelling te volgen. Medio maart riep hij anonieme donoren alvast op zich alsnog bekend te maken, om zo donorkinderen een slepende zoektocht naar hun vader te besparen.

Kinderwens

Voor de nu 61-jarige Esther Heij was de stap naar Karbaat al een compromis met zichzelf. Ze was tijdens een eerdere relatie twee keer zwanger geweest, maar beide keren eindigden in een miskraam. De relatie ging uit, maar haar kinderwens bleef bestaan.

Ze besloot daarom in NRC Handelsblad een advertentie voor een zaaddonor te laten plaatsen. Een klein zettertje, met de tekst: ‘Donor gezocht, co-ouderschap mogelijk.’ De krant weigerde, volgens Esther omdat het lezers zou kosten.

En dus maakte Esther uiteindelijk een afspraak bij Fiom in Dordrecht. Moeders en (lesbische) stellen konden hier onder meer terecht voor hulp en advies bij hun kinderwens.

Ze weet nog dat een medewerker haar gerust stelde. Esther hoefde niet bang te zijn dat een meneer uit de bosjes haar zou bezwangeren, vertelde hij. Ze kreeg het advies om eens langs te gaan bij de kliniek van Karbaat. Die stond volgens de Fiom-medewerker goed bekend, iedereen was er positief over.

En zo zat Esther in het voorjaar van 1992 tegenover de beroemde vruchtbaarheidsarts, die haar in zijn spreekkamer uitlegde wat ze kon verwachten van de behandelingen met donorzaad. Karbaat nam de regels uiterst serieus, vertelde hij. Zo zouden met het sperma van één donor maximaal zes kinderen worden verwekt. Donoren werden altijd gescreend op erfelijke afwijkingen. Ook kon hij met wensmoeders en -stellen afspreken dat ze een tweede kind van dezelfde donor zouden krijgen.

Mede door de warme aanbevelingen van Fiom en de positieve verhalen die ze over Karbaat had gelezen in de media, vertrouwde Esther erop dat hij zich aan die afspraken zou houden. In de kantlijn van haar contract schreef de vruchtbaarheidsarts zelfs: ‘Mevrouw wenst meerdere kinderen van dezelfde donor.’ Esther was er al blij met één.

Met de foto’s van haar broer, halfbroer en -zus die ze op zijn verzoek had meegenomen, zocht Karbaat naar een donor die het beste bij haar zou passen. Fysieke eisen stelde Esther niet, zolang hij maar hetzelfde denkniveau zou hebben en ongeveer hetzelfde in het leven stond als zij.

Ook wilde ze per se een B-donor (bekende donor), zodat haar kinderen later naar hem op zoek konden. Daarop bleven volgens Karbaat twee donoren over: de een met donker haar, de ander blond met blauwe ogen. Omdat bijna haar hele familie blond is, had deze donor Esthers voorkeur. Maar Karbaat mocht kiezen.

Negen keer had ze zonder resultaat bij de arts in de stoel gelegen voor inseminatie. Toen ze vervolgens besloot om naar Friesland te verhuizen om daar voor haar ernstig zieke te moeder te kunnen zorgen, kreeg ze van Karbaat een thermosfles mee, met daarin de drie ongebruikte rietjes zaad. Achthonderd gulden had ze voor twaalf stuks betaald.

Bij de tiende inseminatie, in ziekenhuis Nij Smellinghe in Drachten, raakte Esther eindelijk zwanger. Pas later dacht ze terug aan de geruchten dat Karbaat de wensmoeders met water insemineerde, zodat ze bleven betalen om zwanger te raken.

Op 1 februari 1994 werd Merel-Lotte geboren. Esther stuurde Karbaat een geboortekaartje, zoals hij had gevraagd, maar antwoord kreeg ze niet.

Een jaar en tien maanden later kwam Jonathan-David ter wereld. Ook hij was verwekt met het donorzaad uit de thermosfles die ze in haar eigen auto naar Friesland had gereden. En hoe graag Esther ook een derde kind wilde, na een jaar proberen en een nieuwe thermosfles met zaad van Karbaat gaf ze het op. Ze had twee gezonde kinderen gekregen. Het was goed zo.

Jonathan als kind Beeld Privécollectie familie Heij
Jonathan als kindBeeld Privécollectie familie Heij

Donorpaspoort

Voorjaar 2011. Met grote ogen staren Jonathan en moeder Esther naar het papier dat Ghislaine Karbaat zoals beloofd op de bus heeft gedaan. Het donorpaspoort moet antwoord geven op alle vragen die zich de afgelopen jaren in Jonathans hoofd hebben genesteld.

Karbaat blijkt inderdaad te hebben gekozen voor de blonde donor met de blauwe ogen, lezen ze. Hij is geboren in 1946 en was dus al 45 toen Esther zich meldde bij de kliniek. Op het moment van inschrijven was hij 1,78 meter lang, 75 kilo zwaar en ‘musculair gebouwd’. Boven aan het papier staat nog een cijfercombinatie, 004/604: de code waarmee Karbaat hem heeft geregistreerd.

De vader van Merel-Lotte en Jonathan omschrijft zichzelf als optimistisch en sportief, hij kan niet tegen oneerlijkheid. Hij houdt van de natuur, maar een café bezoekt hij ‘liever niet’. Ook vermeldt hij dat hij is getrouwd en twee kinderen heeft. Na een mbo-opleiding is hij als zelfstandige in de installatietechniek gaan werken, valt op het vel met de koffievlekken te lezen.

De papieren glimp van zijn vader doet Jonathan goed. Hij ziet al meteen een gelijkenis: een technische opleiding lijkt hem ook wel wat. Maar tot zijn schrik vermeldt de brief iets cruciaals juist niet: de contactgegevens van zijn vader. ‘Shit’, denkt Jonathan. ‘Dan moeten we zelf maar gaan zoeken.’

Al in 1997, 2003 en 2006 heeft Esther bij Karbaat de gegevens van de donor opgevraagd. Ze hoort nooit iets terug. De brief die ze in februari 2016 aan Karbaat stuurt, komt ongeopend terug. Iemand heeft op de envelop geschreven dat de kliniek is gesloten en dat alle gegevens aan het ministerie van VWS zijn gegeven. Dat oordeelt jaren later dat Karbaat een puinhoop van zijn administratie heeft gemaakt, waardoor de gegevens van donoren te onbetrouwbaar worden geacht om ze te verstrekken.

De dossiers van zowel de donoren als de wensmoeders van Karbaat zijn terechtgekomen bij het Radboudziekenhuis in Nijmegen. Maar de Stichting Donorgegevens Kunstmatige Bevruchting (SDKB) die het archief beheert, zegt de gegevens vanwege de privacy van de donor niet te kunnen geven. Het Radboud kan niet vaststellen of Esther in Nij Smellinghe echt is behandeld met semen uit de kliniek van Karbaat. En door het ontbreken van een donorcode, kan de SDKB de gegevens van Nij Smellinghe en Radboud niet tot een bruikbaar geheel samenvoegen.

Jonathan en Merel-Lotte proberen het daarom via een omweg. Ze laten zich registeren in de dna-databank van Fiom, in de hoop te worden gematcht aan andere halfbroers en -zussen. Maar dat gebeurt niet. En intussen wordt het verhaal over Jonathans identiteit alleen maar troebeler.

In 2016 barst namelijk de beerput open die Karbaat van zijn kliniek heeft gemaakt. Moeders en donorkinderen verwijten hem dat hij het zaad van donoren met elkaar heeft gemengd en dat hij donoren, ondanks zijn beloftes, helemaal niet medisch heeft gescreend. Meerdere donorkinderen blijken belast met erfelijke aandoeningen. Ook wordt na een rechtszaak duidelijk dat Karbaat zichzelf heimelijk als donor heeft opgeworpen en zodoende zeker 49 kinderen heeft verwekt.

Ook bij Esther Heij slaat daarom de twijfel toe: in Merel-Lotte denkt ze gelaatstrekken van Karbaat te herkennen. Maar na een dna-test van Karbaats wettige zoon sluit Fiom die optie uit: Jonathan en zijn zus zijn van een andere donor. Net als de veertien anderen met wie ze door Fiom na dna-onderzoek zijn gematcht.

De halfbroers en halfzussen ontmoeten elkaar in het voorjaar van 2017 op de zolder van het Fiom-kantoor in Den Bosch. Jonathan en Merel-Lotte kijken hun ogen uit: de mannen en vrouwen die een voor een binnenkomen, hebben allemaal iets van elkaar weg. Ze doen ook nog eens grotendeels hetzelfde werk: de vrouwen werken veelal in de zorg, de mannen doen iets technisch.

De ontmoeting stuwt de adrenaline op bij Jonathan, de jongste van de groep ‘halfjes’. Misschien kan hij met hulp van de anderen alsnog zijn vader achterhalen. Maar de rest blijkt net zo weinig en vaak zelfs nog minder over hun vader te weten dan hij. Het is net of sommigen zich er al bij hebben neergelegd dat ze hem nooit zullen ontmoeten.

Bij zijn halfbroers en -zussen probeert hij geld in te zamelen, zodat ze voor 1.800 dollar in de VS hun stamboom gedetailleerd kunnen laten onderzoeken. Als vwo-student heeft hij dat geld niet. Maar niemand wil meedoen.

Gedesillusioneerd besluit Jonathan zelf verder te zoeken. De volgende bijeenkomsten met de groep halfbroers en -zussen, die steeds een beetje groter wordt als er weer iemand is gematcht, laat hij schieten.

Rond Pasen tipt zijn moeder hem over een speciale aanbieding van de grote Amerikaanse dna-databank FamilyTreeDNA. Voor 60 euro krijgt Jonathan een dna-kit thuis, waarmee hij wangslijm afneemt dat hij opstuurt naar Houston, Texas. Acht weken later is zijn dna in de databank geplaatst. Maar de oogst valt tegen: Jonathan wordt, net als Merel-Lotte en Esther die de test ook hebben gedaan, aan niemand gematcht.

Er zit niets anders op dan wachten. Totdat een van de wettige kinderen van de donor zich in dezelfde dna-databank inschrijft. Of tot zijn vader zijn dna ergens achterlaat, omdat hij alsnog zijn kinderen wil ontmoeten. Jonathan verwacht er weinig van.

Verwant

De melding op FamilyTreeDNA roept in eerste instantie alleen maar meer vragen op. Jonathan blijkt een match te hebben met een zekere Johan Koolwaaij, een man die hij totaal niet kent en die qua leeftijd zelfs zijn vader zou kunnen zijn. Toch zijn Koolwaaij en hij op een bepaalde manier aan elkaar verwant, blijkt uit de speciale y-markertest die ze, zonder het van elkaar te weten, op de Amerikaanse website hebben laten doen. Voor een startbedrag van 119 dollar kan een man op die manier informatie over zijn voorvaders opvragen.

De 22 jaar oudere Koolwaaij woont in Enschede met zijn gezin. Hij groeide, anders dan Jonathan, op met een vader en een moeder. Johan is enorm bedreven in het uitbouwen van stambomen, zijn eigen website staat er vol mee. Toch snapt ook hij niets van hun link, laat hij Jonathan weten als die via Facebook contact met hem zoekt.

Wel weet Johan dat er een ‘defect’ in zijn eigen stamboom zit. Als kind hoort hij al van het mysterie in zijn familie, dat er iets met zijn opa’s opa ‘aan de hand is’. Hij ontdekt dat zijn opa’s nichten en neven niet voor de gebruikelijke 12,5 procent met hem matchen, maar slechts voor de helft daarvan. Dat maakt hen tot halfneven en halfnichten van zijn opa: ze hebben andere voorouders dan hij.

Volgens FamilyTree zitten Johan en Jonathan in hun stambomen ergens twaalf generaties hoger aan elkaar geknoopt. Johan weet door zijn ervaring met genealogie wat dit betekent. Hij zet zich schrap voor een monnikenklus. Hij kent mensen die tot het jaar 1700 terug moesten gaan om het defect in hun stamboom op te lossen.

Jonathan zoekt zijn vader, het gat in Johans stamboom zit drie generaties hoger, op het niveau van zijn betovergrootvader. Ze lijken dan ook weinig voor elkaar te kunnen betekenen. Maar Johan wil van geen opgeven weten. Hij raadpleegt bevolkingsregisters, oude telefoonboeken en vergeelde krantenknipsels, en zoekt brutaal contact met mogelijke nakomelingen van de opa’s van zijn opa, met de vraag of ze dna willen afstaan. Zo lukt het hem beetje bij beetje de losse eindjes aan elkaar te knopen.

Een cruciale rol is daarbij weggelegd voor een paardenmarkt in 1892 in het Gelderse gehucht Zoelmond. Johans opa’s opa blijkt de vrucht van een avontuurtje tijdens die paardenmarkt, tussen een succesvolle paardenhandelaar uit die tijd en de dochter van de caféhouder. Drie jaar later verandert de toenmalige vriend van de vrouw de achternaam van het kind in de zijne, waardoor de jongen – de opa van Johans opa – Koolwaaij komt te heten.

Honderden voorouders (en hun nakomelingen) van de paardenman trekt Johan na om zijn theorie te onderbouwen, en om Jonathans vader in het verhaal te kunnen inpassen. Via de vrouwelijke lijn van de stamboom stuit hij uiteindelijk op een man die zowel een voorvader van hem als van Jonathan zou kunnen zijn.

Johan noemt het zijn ‘aha-erlebenis’. Als hij de lijnen in de stamboom verder afloopt, stuit hij op drie broers die allemaal zijn geboren in Rotterdam. Een van hen zelfs in 1946, net als de donor volgens het donorpaspoort. Na 2,5 jaar zoeken, bellen en wegstrepen is er voor Johan maar één conclusie mogelijk: een van de drie broers moet de vader zijn van Jonathan.

Mogelijke vader

September 2019. Op de carpoolplaats in Leusden aan de A28 stapt Jonathan in de elektrische auto van Johan. Karin, een goede vriendin van Esther, neemt plaats op de achterbank. Ze weet hoeveel deze dag voor Jonathan betekent. Al sinds hij klein was, heeft ze hem zien worstelen met de vraag van wie hij afstamt. Jonathan heeft bewust Karin meegevraagd, hij is bang dat het met zijn moeder erbij te emotioneel wordt aan de deur bij zijn mogelijke vader.

Op weg naar het dorp nabij Rotterdam verdelen ze de rollen en taken. Karin zal proberen hun goede bedoelingen duidelijk te maken en inspelen op het moedergevoel, mocht de vrouw des huizes protesteren. Johan wil graag uitleggen hoe ze dankzij dna- en stamboomonderzoek bij de drie broers zijn uitgekomen.

En Jonathan? Die is er als zichzelf, als het donorkind dat vandaag het laatste stukje van zijn identiteit hoopt te kunnen leggen. Voor zijn twee nog levende kandidaatvaders heeft hij dezelfde brief bij zich. Die wil hij samen met een tasje vol chocoladehartjes achterlaten.

De oudste van de drie broers, die stomtoevallig net als Jonathans fantasievader Hendrik heet, blijkt al in 1998 te zijn overleden. En op Facebook hebben ze gezien dat de middelste broer, Wim, ziek is. Daarom rijden ze naar het huis van Gerrit, die net als Wim in de installatietechniek werkzaam is geweest.

Er is een kans dat zijn vader al jaren dood is, weet Jonathan na veertien jaar zoeken. Maar de twee die het ook kunnen zijn, leven nog. En als zij niet zijn vader zijn, dan heeft hij tenminste nog twee ooms gevonden.

Als Karin naar binnen kijkt bij Gerrit, ziet ze een stapel post op tafel liggen. De buurvrouw verwacht Gerrit en zijn vrouw elk moment terug van een weekendje weg. En inderdaad: als ze de straat uitrijden om verderop wat te gaan drinken om de tijd te doden, rijdt een auto met fietsen achterop hen voorbij. Jonathans hart gaat als een gek tekeer: hij herkent Gerrit meteen van de Facebookfoto’s. In een café drinken ze gespannen een kop thee, om Gerrit en zijn vrouw wat tijd te geven om de vakantiespullen uit te laden.

Weer terug aan de deur trapt Karin af. ‘Dit is geen overval’, zegt ze als Gerrits vrouw Trudy opendoet. ‘We zijn geen Jehova’s getuigen, maar we hebben een heel bijzondere vraag.’

Daarop zegt Trudy dat ze allang weet waar het om gaat. Dat heeft vast en zeker te maken met ‘die Karbaat’, zegt ze. En daar willen ze niks mee te maken hebben: ‘Want straks staan hier veertig kinderen voor de deur.’

‘Dat valt mee’, antwoordt Karin. ‘Het zijn er maar 27.’

Maar Trudy is niet te vermurwen. De zaak-Karbaat ‘stinkt’, vindt ze. En Jonathans moeder heeft er toch echt zelf voor gekozen om via een zaaddonor zwanger te worden. ‘Niet waar’, reageert Karin, Esther heeft juist voor een niet-anonieme donor gekozen om dit soort overvallen aan de deur te voorkomen.

‘Ik snap dat je het wilt weten jongen’, zegt Trudy na enige tijd tegen Jonathan. ‘Maar ik zal toch met mijn man moeten overleggen. En hij wil er ook niks van weten.’

Even later verschijnt Gerrit in de deuropening. Hij draagt een roze polo en neemt de drie bezoekers met een vriendelijke blik in zich op. Al snel besluit hij dat het geen goed idee is om zulke zaken ‘op straat te bespreken’ en gaat voor naar binnen.

Karin en Johan weten niet wat ze zien. Gerrit en Jonathan lijken als twee druppels water op elkaar. Hun loopje, de lichaamsbouw, het ietwat hoge voorhoofd en de plaats van de jukbeenderen: ze zouden vader en zoon kunnen zijn.

Aan de keukentafel blijft de sfeer zakelijk. Johan vertelt dat de drie broers allemaal de vader van Jonathan kunnen zijn. Maar hoe het precies zit, hopen ze van Gerrit te horen.

‘O’, zegt Trudy meteen, ‘dat zal vast Hendrik zijn.’ Ze vertelt er niet bij waarom ze dat denkt. En ze waarschuwt Jonathan alvast: ze wil best eens langer over Hendrik met hem praten, maar hij moet wel weten dat ‘niet alles even fijn is’ wat hij dan te horen krijgt. Wil hij dat wel?

Over Wim gaat het maar heel kort aan de keukentafel. Hij lijdt aan parkinson en is opgenomen in een verpleeghuis. Zijn leven is een aflopende zaak, zo wordt Jonathan duidelijk. Verder doorvragen heeft weinig zin. Daarvoor raakt de toestand van Wim zijn jongere broer te veel.

En wat als Gerrit de donor is? Karin stelt nog voor een dna-test te doen om dat uit te sluiten – zonder dat iemand het weet, heeft Johan er een in zijn tas zitten. Maar Gerrit veegt het aanbod van tafel.

Misschien is dit wel de laatste keer dat Jonathan zijn oom (of vader) in het echt ziet, bedenkt Karin zich als het gesprek ten einde loopt. Ze zet Gerrit en Jonathan daarom in de woonkamer naast elkaar, om een foto van ze te maken. De gelijkenissen zijn opnieuw verbluffend: ze zijn precies even lang, de blik in hun ogen is even zacht.

Dat ze de donor op het spoor zijn is wel duidelijk, concluderen Jonathan, Karin en Johan als ze terugrijden. In de auto krijgt Jonathan nog een enthousiast appje van de dochter van Gerrit. Het nieuws dat zich een halfneef (en halfbroer) heeft gemeld, verspreidt zich snel in de familie.

Botresten

Als Jonathan er zeker van wil zijn dat Hendrik zijn vader is, zal hij diens lichaam moeten laten opgraven en een verwantschapsonderzoek moeten laten uitvoeren op de botresten. En dan moet hij ook nog haast maken. Het veld op de Zuiderbegraafplaats in Rotterdam waarvan Hendriks graf deel uitmaakt, zou oorspronkelijk in juli worden geruimd. Vanwege Jonathans belang heeft de gemeente een paar maanden uitstel verleend. De opgraving vindt, met instemming van Trudy, plaats op 31 oktober 2019: de dag van Halloween. De volgende dag verdwijnt de inhoud van de 258 graven van veld 2 in een verzamelgraf.

Op een vroege ochtend halen medewerkers van de begraafplaats de restanten van Hendrik boven. Johan heeft een bevriende huisarts in ruste gevraagd aanwezig te zijn, zoals het protocol vereist. Omdat Hendrik een kunstgebit blijkt te hebben, kunnen ze geen tand of kies van hem afnemen. Maar de botten uit het bovenbeen en de bovenarm zijn genoeg materiaal voor de vaderschapstest die ze door een professioneel bedrijf laten uitvoeren.

Als de uitslag van het onderzoek drie maanden later komt, overheerst de teleurstelling. Volgens de test is het ‘0 procent waarschijnlijk’ dat Hendrik de vader van Jonathan is. Als Karin dit nieuws doorappt aan de dochter van Gerrit, blijft het een tijd stil. Omdat Hendrik de donor niet is, moet het dus wel Wim of Gerrit zijn. Hoe valt dat nieuws binnen de familie?

Een paar weken later, op 9 maart 2020 krijgt Jonathan telefoon. Trudy vertelt hem dat de familie een ‘heftig’ weekend heeft gehad. Ze zijn erachter gekomen dat niet Hendrik de vader is van Jonathan, maar Wim. Hoe, dat wil ze niet zeggen.

Bij die mededeling blijft het, hoe jammer Trudy dat ook vindt voor Jonathan. Zijn vader bezoeken of ook maar contact met hem opnemen, dat gaat niet meer. Daarvoor is Wim al te ver achteruitgegaan. ‘Hij moet rust hebben’, hoort Jonathan Trudy zeggen. ‘Ga er niet verder in wroeten, jongen.’

Jonathan wil de toestand van Wim respecteren. Tegelijk zit hij nog zo vol vragen. Nu hij eindelijk iemand heeft gevonden die hij voor zijn vader kan aanzien, snakt hij meer dan ooit naar antwoorden. Hij besluit een brief te schrijven, die hij adresseert aan Wim en zijn vrouw.

‘Lieve vader’, begint Jonathan. ‘Onze werelden staan op zijn kop. In mijn wereld is deze week na zo’n 20 jaar afvragen en een zoektocht van 14 jaar een antwoord gekomen op mijn vraag ‘wie is mijn vader?’ en dat is natuurlijk wel even schrikken voor ons beiden.’

Twee alinea’s later klinkt berusting door in Jonathans woorden: ‘Nu blijkt dat jij mijn vader bent, dat je gezondheid helaas niet goed meer is, zullen wij elkaar waarschijnlijk nooit gaan ontmoeten.’

Jonathan is niet zo’n schrijver, maar hij heeft zijn ziel en zaligheid in de brief gelegd. Hij beseft dat dit misschien wel de laatste keer is dat hij iets tegen zijn vader kan zeggen. ‘Ik ben gewoon nieuwsgierig naar hoeveel ik op jou lijk, want ik lijk niet veel op mijn moeder en waar komt dat dan vandaan? Hoe is je karakter? Wat voor humor heb je? Wat voor hobby’s heb je? Wat heb je allemaal meegemaakt in je leven?’

Jonathan benadrukt hoe ‘dankbaar’ hij is dat zijn vader zich bij Karbaat heeft aangemeld als spermadonor. En hoe graag hij ook meer over zijn vader zou horen, ‘zodat ik mijzelf beter kan begrijpen’ – hij benadrukt dat dit het laatste is dat zijn vader van hem hoort.

‘Mijn deur staat altijd voor je open’, besluit hij zijn brief. ‘Voor nu wil ik je heel veel warme groeten sturen.’

Een half jaar gaat voorbij, als Jonathan na een zware dag op zijn werk neerploft op de bank. ‘Ik denk dat ik wel een mooie brief voor je heb’, zegt zijn hoogzwangere vriendin Melanie.

Met tranen in zijn ogen leest Jonathan de brief die Trudy hem heeft geschreven. In de beschrijving van Wim herkent hij meer van zichzelf dan hij had verwacht. Zo blijkt zijn vader te hebben gesleuteld aan de Starfighter, een gevechtsvliegtuig, terwijl hij zelf luchtvaarttechniek heeft gestudeerd. En na het lezen van de brief weet hij zeker dat hij zijn galgenhumor rechtstreeks van zijn vader heeft meegekregen.

Toch volgt opnieuw een klap. Wim blijkt al in april te zijn overleden, maar dat heeft niemand Jonathan verteld. Hij begrijpt dat hij, ook vanwege corona, niet voor de rouwdienst zou zijn uitgenodigd. Maar al had iemand hem maar een linkje van de uitvaart gestuurd, dan had hij tenminste op zijn manier afscheid van zijn vader kunnen nemen.

Nu moet hij het doen met een brief van drie kantjes.

Zijn vader hield van rode wijn, staat in de brief. Om hem te herdenken, schrijft Trudy, kan Jonathan het beste zelf ook een glas inschenken.

Dna-test

Voorjaar 2021. Jonathan is sinds een halfjaar vader van een dochter. Zij neemt nu vooral zijn leven in beslag, al denkt hij nog vaak terug aan zijn vader.

Hij wil best geloven dat Wim zijn vader is, zoals diens familie hem heeft verteld. Maar zolang dat niet onomstotelijk vaststaat, zal de twijfel altijd blijven bestaan. Een dna-test van een van Wims wettelijke kinderen zou daarin verandering kunnen brengen, maar Jonathan wil het ze niet vragen. Trudy heeft hem op het hart gedrukt de familie met rust te laten, en dat respecteert hij.

Een punt achter zijn verhaal zetten is daarom moeilijk. ‘Het is meer een puntkomma’, vat Melanie samen. ‘Omdat je je vader nooit helemaal zult leren kennen. En nooit te horen krijgt wat je wilt weten.’ Jonathan: ‘Maar ik kan in elk geval zeggen dat ik die technische interesse van hem heb.’

‘Iedereen bij ons heeft er eigenlijk nu wel vrede mee’, vertelt Jonathans zus Merel-Lotte over de telefoon. ‘Misschien ook omdat we zo lang naar hem hebben gezocht. In het begin dacht ik dat elke blanke man onze vader zou kunnen zijn. Dan wil ik nu ook wel aannemen dat Wim het is.’

Geef niet op, zou Jonathan willen zeggen tegen andere donorkinderen die hun vader zoeken. Schrijf je vooral in bij de grote dna-databanken. Probeer een voet tussen de deur te krijgen bij de kliniek of het ziekenhuis waar de donor is geweest.

Hij gunt iedereen ‘een Johan’, iemand die net zo’n meester is in het uitpluizen van stambomen. Dat zal niet iedereen gegeven zijn. ‘Als Johan niet op zoek was naar zijn opa’s opa, waren we elkaar nooit tegenkomen. Ik heb echt geluk gehad.’

Reactie familie van de donorvader

De familie van de donor wil niet meewerken aan dit verhaal, laat Gerrits vrouw Trudy telefonisch weten. ‘Het is voor ons ook verschrikkelijk’, zegt ze. ‘We willen graag met rust gelaten worden en verder met ons leven.’

Om hun privacy te beschermen zijn de namen van de drie broers en die van Trudy gefingeerd.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden