De val van een economisch kampioen

Nederland is een boom or bust-economie geworden. Het kon jarenlang niet op, en nu vallen wij extra diep. Kan de overheid daar wat aan doen?...

Het prikbord bij Albert Heijn in de Amsterdamse Pijp puilt uit met kaartjes. Natali, Oksana en Aga bieden zich aan voor schoonmaakwerk én babysitten. Klusjesman Edgar belooft: snel, goed en goedkoop!

Die royale keuze is een teken dat de welvaart in Nederland aan het afbladderen is. Tweeverdieners worden weer eenverdieners, er worden minder baby's geboren, huizen staan langer te koop en de kabinetsformatie ketst af op miljardenbezuinigingen.

De Nederlandse economie beweegt steeds heftiger. Eind jaren negentig kon de welvaart niet op, en groeide het bruto binnenlands product ruim 4 procent, ver boven het Europese gemiddelde.

Daar is niets meer van over. Dit jaar en volgend jaar zit Nederland er flink onder met een verwachte 0,5 en 1,7 procent groei. Daarmee begint de Nederlandse economie te lijken op de Amerikaanse en Britse economieën met hun boom or bust-cycles.

'We hebben ons extra rijk kunnen voelen', zegt hoogleraar economie Lans Bovenberg van de Universiteit van Tilburg. 'Maar nu komt de klap harder aan.' Hij waarschuwt dat de Nederlandse economie afhankelijker is geworden van financiële markten. Zo zijn pensioenfondsen en consumenten meer in aandelen gaan beleggen en stuwde de huizenmarkt de bestedingen op. Nu koersen en huizenprijzen zakken, zijn ook de negatieve gevolgen ingrijpender dan voorheen.

De boom or bust-economie is volgens Bovenberg riskant, zolang Nederland niet leert reserves op te bouwen in goede tijden en die op het juiste moment inzet. 'Angelsaksische landen kunnen de rente veranderen om al te heftige bewegingen te dempen, terwijl de Europese Centrale Bank voor de hele eurozone werkt. Bovendien zijn in de VS en Engeland de lonen flexibeler.'

Het lijkt inmiddels alsof Nederland - luttele jaren geleden nog bejubeld toen zelfs Bill Clinton het poldermodel kwam bestuderen - alles verkeerd doet. Te veel mensen zijn hier afhankelijk van een uitkering, de lonen zijn te hoog, Nederlandse waar is te duur en wij voegen te weinig waarde toe per arbeider en per machine.

Dat zegt de Europese Commissie, die signaleert dat Nederland het niet 'goed genoeg' meer doet. Daar gáát het imago van polderwonderland. Een mooi moment om af te rekenen met enkele mythen.

Mythe 1: Paars maakte het land rijk. De gekte op de huizenmarkt, berekende De Nederlandsche Bank vorig jaar al, was de grote drijfveer achter de zogenaamde 'topprestatie' van Nederland in Europa. De schaarste aan huizen en de lage rente voedden een zeepbel op de huizenmarkt, die in de tweede helft van de jaren negentig 28 miljard euro extra bestedingen opleverde, goed voor een procentpunt extra groei. DNB-baas Nout Wellink: 'Huizenbezitters haalden de weelde naar voren, en leefden op de pof.'

Daarnaast deint Nederland als kleine, open economie vooral mee op de golven van de wereldeconomie. Tenslotte plukte Paars de vruchten van een hogere arbeidsparticipatie van vrouwen, een trend die twintig jaar geleden werd ingezet door het Akkoord van Wassenaar. Op de huizenmarkt en in het buitenland is nu een omgekeerde beweging bezig.

Mythe 2: De overheid kan de economie sturen. 'We kunnen verdomd weinig doen', zegt directeur Coen Teulings van het Tinbergen Instituut, tevens hoogleraar arbeidseconomie aan de Erasmus Universiteit. Zijn advies: probeer liever niks. 'De overheid heeft veel ellende veroorzaakt door juist op het hoogtepunt van de conjunctuur lastenverlichting te geven.'

De overheid staat om drie redenen machteloos. Nederland is afhankelijk van het buitenland, de Europese Centrale Bank gaat tegenwoordig over de rente, en conjunctuur beïnvloeden door geld in de economie te pompen is moeilijk te timen. Wat wél kan, is de begroting laten 'meeademen': het tekort laten oplopen in slechte tijden, een overschot overhouden in goede tijden.

Dat gaat echter vaak mis. Daarom adviseren veel economen de energie te richten op de lange termijn. 'De overheid kan de kwaliteit van de groei beïnvloeden', zegt Arnoud Boot, hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam. 'Het succesverhaal van het poldermodel was vooral een kwestie van kwantiteit en niet van kwaliteit. We zijn met z'n allen harder gaan werken.' Daarbij lag de nadruk op laagwaardige activiteiten als distributie en assemblage. 'Kennisintensieve activiteiten maken minder kans naar het buitenland te verdwijnen, maar wat doet de overheid: ze bezuinigen op universiteiten en innovatie-beleid.'

Mythe 3: De werkloosheid neemt zorgwekkende vormen aan. Nergens was het tekort aan goede arbeidskrachten groter dan in Nederland. De werkloosheid kwam omlaag razen: in de periode 1991-1995 was 6,1 procent van de beroepsbevolking werkloos, in 2001 bereikte de werkloosheid met 2,4 procent een ongekend laag niveau. Terwijl volgens economen zo'n 5 procent werkloosheid nodig is om de arbeidsmarkt soepel te laten werken.

Geen kunst, stelt het Internationaal Monetair Fonds al jaren, met zo veel verborgen werklozen in de WAO, in pre-pensioenregelingen, in de VUT en in de bijstand.

Op de mensen die wel konden werken, werd een steeds groter beroep gedaan toen de economie maar bleef groeien. De lonen werden opgedreven, Nederlandse spullen werden duurder. Nederland prijsde zich uit de markt.

'Ik hoop nooit meer een periode mee te maken met zo'n lage werkloosheid', zegt Teulings. 'Dat was echt onhoudbaar.'

De krappe arbeidsmarkt is dé reden dat het zo lang heeft geduurd voordat de teruglopende groei zich vertaalde in hogere werkloosheid. Bedrijven hielden, zegt het CBS, voor de zekerheid hun personeel veel langer vast dan noodzakelijk.

Nu begint het grote lozen dan toch. Toch zal dit beperkt blijven, denken de experts. De arbeidsmarkt is structureel krap. Om het groeipotentieel te verbeteren, vindt de Europese Commissie, moet Nederland zijn inactieven de arbeidsmarkt op jagen. 'Werk moet lonend worden.'

Mythe 4. Nederland is een groot exportland. De loonexplosie leidde ertoe dat de export van Nederland in elkaar is gezakt. Zelfgemaakte spullen werden te duur voor het buitenland. Nederland ging zich storten op het doorschuiven van andermans spullen: Japanse printers komen binnen in Rotterdam, krijgen een stekker, een gebruiksaanwijzing en een nieuwe doos, en worden doorgeschoven naar een ander land.

Dat levert geld op, maar niet zo veel. Van elke euro van deze zogeheten wederexport blijft in Nederland tien eurocent hangen. Terwijl elke euro 'eigen' export 65 eurocent in Nederland oplevert.

Eén troost: boom or bust betekent nu hard naar beneden, maar dadelijk snel omhoog. Dan hangen er weer heel andere briefjes op het prikbord bij Albert Heijn.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden