De vader, de zoon en de heilige Miles

Als kind ontvluchtte hij de burgeroorlog in Libanon en kwam terecht in Parijs. Daar trad hij in de voetsporen van zijn trompetspelende vader. Ibrahim Maalouf vertelt hoe hij een grote ster werd in zijn tweede vaderland.

In het boekje bij een van zijn cd's staat een ontroerende en volgens hemzelf monumentale foto van de jonge Ibrahim Maalouf. Een Libanees jongetje van een jaar of 12, van enigszins onhandig want overduidelijk groeispurtend formaat, staat in een volledig stukgeschoten stadslandschap naast een armoedig, groen broodkarretje onder wapperend dekzeil. Moeizame grijns op het verder best frisse koppie.


Hij krijgt een 'kaake', een Libanees broodje met een gat erin, overhandigd door een man met een snor, en kijkt zo vrolijk mogelijk maar vooral betekenisvol de camera in. Zijn eigen camera, zo zullen we straks te weten komen, die hij voor dit belangrijke moment had gegeven aan broodjesverkoper nummer twee. Of die even een foto van hem wilde maken, op het desolate want dus vrijwel vernietigde Martelarenplein in Beiroet. Want het jochie had zojuist het licht gezien. En voorvoelde dat hij daar later graag een tastbare herinnering aan wilde hebben, een fotootje, al dan niet verfrommeld in de portemonnee.


'Beirut, 1993', staat onder de foto, die de Frans-Libanese trompettist Ibrahim Maalouf op die cd Diagnostic uit 2011 deelt met zijn publiek. En: 'Ik zal deze dag nooit vergeten.'


Twintig jaar later, op een zaterdagmiddag in april, is Ibrahim Maalouf (Beiroet, 5 december 1980) te vinden ergens in het kolossale Parijse muziektheater Salle Pleyel. Een muziekpaleis van Franse allure, met reuzenzalen, brede trapportalen, heel veel statige zuilen. Het Concertgebouw van Parijs, op z'n minst. Een dame achter een luik bij de artiesteningang wijst de weg. 'Oui oui, monsieur Maalouf. Die doet de soundcheck. Gang door, even naar rechts.'


Je verwacht nog even bij een tweede podium uit te komen, een bovenzaal van dit megalomane theatercomplex. Je zoekt tenslotte naar een jonge jazztrompettist en zijn kwintet, die dit jaar weliswaar hoog op het affiche van het North Sea Jazz Festival staat, maar wiens roem hem nog niet bepaald vooruit is gesneld.


Maar dan had je Maalouf toch niet goed ingeschat. Daar staat hij, met trompet op het uitgestrekte podium van de hoofdzaal, in makkelijke zwarte sportkleding, te midden van zijn groep: de pianist Frank Woeste, drummer Clarence Penn, bassist Ira Coleman en saxofonist Mark Turner. Topjongens uit het circuit. Maalouf blaast een paar ijle noten van zijn stuk Suspicions, van het laatste album Wind, naast de hamerende pianoakkoorden van Frank Woeste. 'Pfff, wat een geluid hier', zegt Maalouf. 'Niet te bevatten zo mooi.' Niets meer aan doen.


'Inderdaad, niet het minste zaaltje', zegt Maalouf even later bij een bak koffie, onder in het zalendoolhof bij de kleedkamers. 'Ik ben een beetje uit de pop- en jazzclubs gegroeid. En het is uitverkocht, hoorde ik. Cool. Maar ik heb hier eerder gestaan, hoor. Als solotrompettist bij het Orchestre de Paris. Wat ik speelde? Even denken, de Vijfde van Mahler geloof ik. Klonk hier ook al zo geweldig.'


Zo hebben we in drie zinnen de hele spanwijdte van Maaloufs muzikale carrière te pakken. Van supertalent in de Parijse klassieke muziek, via pop en jazz in het clubcircuit, tot nationale jazzlieveling met trouwe aanhang, die de ruim 50 euro per stoel vanavond wel weer voor hem over heeft.


'Ongelooflijk? Dan ken je de carrière van mijn vader niet. Sorry, mijn vader is belangrijk voor me. Mag ik het vertellen?' Een Libanees trompetsprookje.


Verplaatsen we ons naar het barre, bergachtige Libanese landschap, ergens eind jaren vijftig, rond een onooglijk dorpje een flink eind onder de hoofdstad. 'Mijn vader, Nassim Maalouf, was niets. Was niet eens naar school gegaan. Een boertje, in de bergen. Op een dag liep hij in een tweedehandswinkel tegen een oude trompet aan. Dat ding fascineerde hem. Een trompet werd in Libanon alleen gebruikt bij fanfares. Als er iemand begraven moest worden, werd de trompet erbij gehaald. Mijn vader kocht de trompet en probeerde er zelf op te spelen. Dat lukte hem, op zich al bijzonder.'


Maar het kon beter. Nassim Maalouf vertrok naar Beiroet, om daar eens even wat trompetles te nemen. 'En hij werd verliefd op een Duitse vrouw. Die maakte hem wijs dat hij naar Parijs moest gaan. In Beiroet zou het nooit wat worden. In Parijs woont een man, zei die vrouw, en die is heel beroemd. Hij heet Maurice André. Neem nou maar trompetles bij hem.'


Maurice André, de grote Franse trompettist, gevierde barokheld van de Parijse concertzalen. 'Mijn vader liet alles achter in Libanon. Ging naar Parijs, zonder de taal te spreken, alleen met die oude trompet, op zoek naar mijnheer André. Hij vond hem nog ook en binnen twee jaar studeerde mijn vader trompet aan het Parijse conservatorium, bij Maurice André.' Die nam hem onder zijn hoede en al na een paar jaar studie mee op concerttournee. 'Extreem getalenteerd? Ik zou eerder zeggen extreem eigenwijs.'


Want neem nu het besluit van vader Maalouf om in de jaren zeventig terug te keren naar Libanon. Getuigt toch ook van een zekere koppigheid. 'Hij wilde lesgeven in Beiroet om de klassieke muziek vooruit te helpen. Nou, dat lukte ook wel. Mijn vader vond werk en vond zijn vrouw, en ik werd geboren. Ongeveer toen de burgeroorlog in alle hevigheid losbarstte.'


Dat oorlogsleven naast jong gezinsgeluk was niet vol te houden. De familie vertrok weer naar Parijs, naar de banlieues. 'Naar een redelijk veilig deel van de banlieues, daar zorgde mijn vader wel voor. Hij wilde niet van het ene oorlogsgebied naar het andere. En daar groeide ik op, ten zuiden van Parijs.'


Op zijn kamertje, boven de muziekkamer, luisterde Ibrahim dagenlang naar die alomtegenwoordige trompet van zijn pa. 'Ik hield van het gemoffelde geluid, maar alleen als ik op mijn kamer zat. Als ik die muziekkamer in ging, vond ik het verschrikkelijk. Veel te hard. Toch wilde ik ook trompet spelen, maar eigenlijk alleen om dichter bij mijn vader te kunnen zijn. Ik was gek op die man.'


Vader vond het geen goed idee. Weet wel waar je aan begint, zei hij nog. Maar Ibrahim zette door, ook eigenwijs. En voegde zich in het ijzeren trompetregime van zijn vader. 'Vreselijk. Hij was al streng, als vader. Maar als trompetleraar was hij echt keihard. Studeren, uren en uren achter elkaar. Ik mocht wel met mijn vader mee op reis, als hij concerten ging geven. Dat had ik dan toch voor elkaar. Als twee vrienden op pad. Heerlijk. Maar als we thuiskwamen: weer studeren, superstreng. De romantiek ging er zo wel van af. Ik ging de trompet echt haten.'


Nog zo'n hardnekkig curieus trekje van de familie Maalouf, volgens zoon Ibrahim. 'Ieder jaar gingen we naar Libanon, naar Beiroet. Hartstikke onveilig, die oorlog ging maar door. Maar mijn vader en moeder móésten naar Beiroet, om de familie op te zoeken. Dat doe je toch niet, je kind meenemen naar oorlogsgebied? Zou jij dat doen? Nou, mijn vader wel. Die wilde zijn vrienden opzoeken en wij moesten mee.'


Zo sjokte Ibrahim Maalouf dus als jongen van 10, 11, 12 jaar door de straten van het kapotgeschoten Beiroet, met op de achtergrond het sonore, dreungeluid van niet aflatende bominslagen - 'vreemd hoe je als kind heel makkelijk aan de meest vreselijke dingen kunt wennen'.


Hij wandelde meestal alleen, met een rugzakje op, een cameraatje bij zich. 'En op die memorabele dag in 1993 ook met een walkman. Ik nam altijd bandjes op van de radio en die ging ik dan al lopend afluisteren. Die dag van de foto was magisch. Ik zag al die beschoten gebouwen, de gaten in de muren en bedacht dat ik architect wilde worden, om alles weer opnieuw op te bouwen. Ik werd intens gelukkig van die gedachte. En toen hoorde ik ineens dat gitaarintro van Stairway To Heaven van Led Zeppelin.'


Die bijna klassieke gitaarklanken van Jimmy Page, die in de jaren zeventig zoveel jongensharten sneller deden kloppen. 'Zeer emotioneel. Maar dat liedje, je kent het, werd steeds harder. En bij het heftig rockende einde liep ik recht tegen de ravage van een zojuist gepleegde bomaanslag aan. Chaos en paniek, en ik hoorde die gillende stem van Robert Plant: and as we wind on down the road. Wat er allemaal niet gebeurde in mijn hoofd. Ik was doodsbang, rende weg van die plek, maar ik was ook betoverd. Ik had de kracht van de muziek leren kennen, zoals ik die bij mijn klassieke studie nog niet had ervaren.'


Een moment van verlichting. Maalouf liep naar de broodkar, vroeg de broodverkoper een foto te maken en componeerde in zijn hoofd zijn eerste melodie. Een eenvoudig maar beklemmend mooi wijsje dat hij later Beiroet zou noemen. En dat nog steeds, in vele aangepaste vormen, op zijn repertoire staat. 'Ik werd daar eigenlijk muzikant', zegt Maalouf. Vandaar die foto.


Zijn carrière, terug in Parijs, verliep gladjes. Hij blonk uit in het klassieke repertoire, won de ene na de andere wedstrijd. Werd als solist gevraagd door de grote orkesten. 'Maar ik dacht nog steeds: ik wil architect worden. Dat heb ik heel lang volgehouden, gek toch? Misschien hielp het mijn carrière wel, ik voelde weinig druk. Dacht: ik word toch architect.'


Dat kwam er dus niet van. Maalouf bleef met zijn hoofd bij de popmuziek, bij de hiphop van de banlieues en MTV en bij de jazz van vooral Dizzy Gillespie en Miles Davis. 'Bij Miles Davis hoorde ik dat de trompet ook op een andere manier kon worden bespeeld. Zacht, zoals ik dat mooi vond, boven op mijn kamertje. En zoals ik van mijn docenten en mijn vader nooit mocht spelen. Op het conservatorium speelde ik weleens zo fluisterend, maar dan werd er gezegd: je klinkt als een stuk karton. Echt een belediging. Na Miles wist ik dat het mocht, en goed was.'


Maalouf dook de jazz in, dat mocht na al die jaren ook best van zijn vader. 'En ik kroop achter de piano. Ging liedjes componeren en aan het werk met mensen uit de jazz, de pop en de hiphop.'


Die muzikale switch voerde de klassieke trompet af via de zijdeur, en leverde de platentrilogie Dia op, bestaande uit de albums Diasporas (2007), Diachronism (2009) en Diagnostic (2011). 'Drie platen waarin ik mijn hele leven heb uitgevouwen. Ik heb alles gebruikt wat ik tegenkwam, waar ik me ineens voor interesseerde. De meest krankzinnige dingen. Ik mixte klezmer met fanfare, wereldmuziek en jazz, pop, hiphop en zelfs metal. Led Zeppelin, weet je nog? Ik heb zelfs gerapt, zong in een koor. En ik nam samples op van een demonstratie voor vrede in het Midden-Oosten, waar ik in meeliep.'


Hij bouwde aldus een muzikaal bovenmatig geïnteresseerd en vooral heel breed georiënteerd publiek op dat hem tegenwoordig in Frankrijk overal volgt, tot hier vanavond in de Salle Pleyel. Want nu Maalouf met zijn in Frankrijk juichend ontvangen plaat Wind echt heel dicht tegen de klassieke jazz is aangeschoven, zit de zaal nog steeds vol met jonge, nogal urban ogende fans. 'Ja, grappig hè? Die mensen zijn met mij op reis gegaan. Die vinden het niet vreemd dat ik steeds iets anders doe. Sterker nog: ze mogen mij vertellen dat ik moet stoppen met trompetspelen, als ik ooit een plaat maak die lijkt op de vorige.'


Wind is een pure Miles Davis-plaat, waarop Maalouf zijn fluistertoon laat waaien, in warme, in diepe melancholie gedrenkte stukken en in nummers als dat prachtige Suspicions waarin de opwindende spanning van de film noir voelbaar is. 'Het moge duidelijk zijn: Wind is mijn eerbetoon aan Miles Davis, aan de muziek bij de film Ascenseur pour l'échafaud. Na die trilogie Dia zat ik even op een dood spoor. Was met allerlei dingen tegelijk bezig, wist niet waar ik me echt op moest storten. En toen kreeg ik van de Cinémathèque Française ineens een droomopdracht. Of ik filmmuziek wilde schrijven bij een stille film, La proie du vent, uit 1927. Daar kon ik dus mijn eerbetoon aan Miles in kwijt, aan die trompettoon die mij de liefde voor het instrument weer had teruggegeven. Door welke ik écht van de trompet ben gaan houden. Ik kreeg gewoon een zak geld van die club. Oké, dacht ik, kom maar op, dan huur ik met dat geld de beste jazzmusici in, dank u.'


En met hen zien we Maalouf 's avonds in Salle Pleyel en volgende week op North Sea Jazz. Op stand dus en daar is Maalouf oprecht tevreden over, zegt hij. 'Maar weet je wat ook te gek is? In Libanon spelen, in Beiroet. Dat heb ik nu twee keer gedaan. Niemand kent me daar, niemand weet wat ik hier in Frankrijk uitspook, dat ik hier op tv verschijn. Niemand in Libanon weet überhaupt wat jazz eigenlijk is. Jazz in Libanon bestaat niet en daarom is het zo gaaf er te spelen. In een underground popzaal, in een danceclub. Publiek compleet verrassen, in een land dat nog alle kanten op kan. En waar ik ooit ook nog gewoon architect word.'


Lees verder op pagina V4


Syrië


Natuurlijk volgt Ibrahim Maalouf de ontwikkelingen in oorlogsgebied Syrië, nauw verbonden aan zijn geboorteland Libanon. 'Iedere dag. Het doet me denken aan mijn jeugd, de oorlogsjaren van Libanon. Iedereen dacht: dat gaat een paar maanden duren. Maar het gaat maar door, en wordt steeds verschrikkelijker. Wat ik er als artiest mee kan? Niets, eigenlijk. Het verschrikkelijk vinden en er vreselijk gedeprimeerd van raken, zoals iedereen. Ik zie voor mezelf geen rol weggelegd. Het enige dat ik kan is muziek maken, en daarmee mensen misschien het idee geven dat verschillende werelden wél op een mooie manier kunnen samenkomen.'








Vervolg van pagina V3


A Night In Tunisia


Een van de grote jazzhelden van Ibrahim Maalouf: Dizzy Gillespie. 'De trompetleraar van mijn vader Maurice André had een programma over trompet op tv, echt waar, een best bekend programma. Daarin verscheen mijn vader, naast Dizzy Gillespie. Hij bleef een held in onze familie. Dizzy, met zijn permanente, prachtige glimlach. En zijn geweldige A Night In Tunisia, voor mij een groot voorbeeld, want het toppunt van diaspora-jazz, waarin je latin en Afrikaanse muziek hoort, en zelfs iets oriëntaals.'


Ibrahim Maalouf speelt op een kwarttoontrompet, een uitvinding van zijn vader. In de jaren zestig fabriceerde Nassim Maalouf een trompet met een extra, vierde buis, waarmee hij kwarttonen kon spelen. 'Mijn vader had een droom: met een trompet de Arabische toonladders spelen, dus met veel kwarttonen. Zodat hij ook Arabische klassieke muziek kon maken. Dus ontwierp hij dat instrument, samen met een instrumentbouwer in Parijs. Uniek. Ik speel nu met die trompet, zodat ik oriëntaalse accenten kan aanbrengen in mijn jazz. En wat ik ook te gek vind: Arabische fanfaremuziek maken. Vandaar dat je die dus steeds tegenkomt op mijn platen. Luister maar eens naar het stuk Maeva In Wonderland op Diagnostic. Een eerbetoon aan mijn pa.'


kwarttoontrompet

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden