De universiteit verdient meer vertrouwen

De Nederlandse universiteiten hebben geen sturing nodig om zich in de wereldtop te handhaven.

Na de opening van het academisch jaar staan ook de verkiezingen voor de deur. Alle serieuze partijen streven naar een versterking van de kenniseconomie als dé weg om ons hoge welvaartsniveau te bestendigen. De typisch Hollandse slogan 'Kennis-Kunde-Kassa' suggereert daarbij dat de universiteiten aan het begin staan van een lopende band, met aan het begin studenten en fundamenteel onderzoek en aan het eind economische groei via innovatie. Met deze 'top-down' aanpak spant de politiek echter het paard achter de wagen: zoals de geschiedenis leert, floreert innovatie juist bij een 'bottom-up' benadering.


De lopende band wordt gestuurd door middel van een afrekencultuur rond output en rendement, concreet ingevuld door voortdurende en tijdverslindende competities om onderzoeksmiddelen, scores bij visitaties, en plaatsen op internationale ranglijstjes. Het 'New Public Management', de sinds begin jaren negentig in het kielzog van het neo-liberalisme uit de Verenigde Staten en het Groot-Brittannië overgewaaide vorm van marktdenken voor de publieke sector, veronderstelt daarbij dat universiteiten zo efficiënt mogelijk meetbare en voorspelbare doelen dienen na te streven. Hetzelfde geldt voor de beoogde publiek-private samenwerking, waar vooral sinds het topsectorenbeleid van de huidige regering weinig aan het toeval wordt overgelaten.


Wat is er mis met deze 'top-down' benadering? De politiek straalt ten eerste een groot wantrouwen uit jegens het traditionele zelforganiserend en zelfreinigend vermogen van de wetenschap, die ook zonder politici, maar bijvoorbeeld via peer-review, al voortdurend wordt getoetst en gecontroleerd. De nieuwe straf- en beloningsmethodes voor hoger onderwijs van de overheid voegen niets toe aan deze interne kwaliteitscontrole.


Affaires als die rond Diederik Stapel vormen een hoge uitzondering en zelfs daar vond de ontmaskering plaats door andere wetenschappers, en niet via het huidige controlesysteem, waarin hij juist hoog scoorde. Alle Nederlandse universiteiten behoren al een eeuw lang wereldwijd tot de top-200: een unieke, langdurige topprestatie met navenante uitstraling naar onze economie en welvaart.


Ten tweede miskent de 'top-down' benadering de rol van universiteiten en wetenschappelijk onderzoek in de kenniseconomie. De geschiedenis leert dat economisch cruciale ontwikkelingen als elektriciteit, de computer en het internet voortkwamen uit juist het fundamentele onderzoek dat nu wordt wegbezuinigd. De omzetting van wetenschap in welvaart, die de basis vormt van de moderne westerse samenleving, is een onvoorspelbaar proces, dat haar uiteindelijke basis heeft in de nieuwsgierigheid, originaliteit en ambitie van individuele geesten die in het juiste klimaat zelf hun bakens uitzetten en zich niet laten leiden door 'beleid'.


Ook rond de publiek-private samenwerking, die uiteraard een onmisbaar onderdeel is van het innovatieproces, dreigt het overheidsingrijpen een averechts effect te hebben. Een directe relatie tussen input (overheidsgeld) en output (economische groei via innovatie), bijvoorbeeld via een lineaire route van onderzoek op de universiteit naar commerciële toepassing, is in het algemeen meetbaar noch verantwoordbaar. Het expliciet daarop aansturen is zelfs contraproductief, zeker als dit budgetneutraal gebeurt. Zoals eerder dit jaar al letterlijk is opgemerkt door de Europese Commissie in een brief aan de Nederlandse regering, kan het negeren van fundamenteel onderzoek en het bevorderen van toegepast onderzoek op lange termijn de groeivooruitzichten van de economie juist schaden.


Wat is dan het alternatief voor de 'top-down' aanpak? In onze ogen moet de overheid niet - met achteruitziende blik - de producten van innovatie stimuleren, maar juist het onderliggende proces. Het beleid moet gericht zijn op het onderhouden en versterken van een kennis- en innovatie-klimaat, waarin de universiteiten een centrale rol spelen. Deze rol bestaat uit het archiveren, met elkaar verbinden, en verder ontwikkelen van her en der ontstane kennis, en in nauwe samenhang daarmee het aan de volgende generatie doorgeven van dit gesynthetiseerde kennisarchief. De aldus opgeleide mensen kunnen vervolgens naar hartelust gaan innoveren, of dit nu gebeurt in een eigen bedrijfje, bij een multinational, of zonder winstoogmerk.


Kortom, universiteiten zijn niet het begin van een lopende band, maar een bijzonder knooppunt in een netwerk. Geld dat initieel in de universiteiten is geïnvesteerd hoeft allerminst in de vorm van geld terug te komen, waarbij het uiteraard ook binnen deze aanpak doodnormaal is dat verantwoording wordt afgelegd over de besteding van overheidsgeld. Publiek-private samenwerking moet daarbij niet geforceerd, maar aangemoedigd worden. De geschiedenis van de Industriële Revolutie leert dat dergelijke samenwerking spontaan ontstond, en wel op onmogelijk van tevoren te voorspellen gebieden. Slechts op een dergelijke 'bottom-up' wijze kan het chaotische proces van innovatie groeien en bloeien.


Kortom, investeer niet ten koste van de breedtesport in de bekende namen die in 2012 goud wonnen, maar versterk het proces dat de nu nog onbekende topsporters van 2028 gaat opleveren. De rest gaat vanzelf.


Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.