De uitzichtloosheid is officieel: in Jakarta moeten gestrande vluchtelingen hun knopen tellen

Michel Maas

Jakarta

De mannenafdeling van het 'detentiecentrum' in West-Jakarta. Voor nieuwe vluchtelingen geeft Australië geen geld meer. Beeld Eric Permana / Getty Images

Martezar is smid, Sameullah autohandelaar, en Mohammad Ali weet alles van tapijten. Thuis, in Afghanistan, waren zij iemand. Tegenwoordig zijn zij niets meer. Hier in West-Jakarta doden ze de tijd en kijken ze naar het verkeer, dat stapvoets voorbijrijdt. Indonesiërs kijken terug, nieuwsgierig als altijd, naar de honderden vreemdelingen die hier zijn neergestreken. Soms stopt een auto en komen er uit de achterklep wat doosjes met eten of flessen water. Als dat gebeurt, springt iedereen even op om ook wat te bemachtigen.

De migranten zijn neergestreken bij een ‘detentiecentrum’ van de immigratiedienst: een klein cellencomplex, dat eigenlijk is bedoeld voor mensen die het land uit worden gezet, maar nu overspoeld wordt door vluchtelingen die juist in het land willen blijven. Als je daar binnen bent, kom je namelijk automatisch in de hulpverleningsmolen van de Internationale Organisatie voor Migranten (IOM). Dan krijg je een dak boven je hoofd, te eten en zelfs zakgeld. Het enige probleem is nu, dat het detentiecentrum vol zit. Dus wachten ze hier op straat.

Ze komen uit Somalië, Soedan, Jemen, Afghanistan en Iran en zijn op de vlucht voor oorlog, vervolging en armoede in hun land. De meeste mensen die hier bivakkeren zijn al jaren in Indonesië. Ze zijn gestrand op weg naar Australië, dat geen mens meer binnenlaat. Iedereen heeft een identiteitskaartje van VN-vluchtelingenorganisatie Unhcr. Zo’n kaartje met een foto heeft iets officieels, en vluchtelingen putten er de hoop uit dat misschien, ooit, ergens een veilig land ze zal opnemen.

Tenminste zo was het tot voor kort, tot Unhcr en IOM ze de keiharde waarheid vertelden: niemand komt in aanmerking voor zo’n ‘resettlement’. Vergeet het maar: behalve Australië zijn ook de VS en Europa niet meer happig op het opnemen van vluchtelingen via het VN-programma. De vluchtelingen in Indonesië moeten zich voorbereiden op een lang, heel lang verblijf, en dan moet je denken aan vijftien tot twintig jaar, werd ze verteld. De mededeling heeft al tot zeker één zelfmoord geleid: Hayat, een 22-jarige Hazara-vluchteling uit Afghanistan, ging liever dood dan dat hij voor onbepaalde tijd het uitzichtloze leven van een vluchteling zou moeten leiden.

Het is de ongewisheid die je gek maakt, zegt Ibrahim, een vluchteling uit Soedan. ‘We wachten en wachten en we weten niet of het een dag of twee dagen gaat duren. Een week of twee weken, een of twee maanden, een of twee jaar.’ Verwachtingsvol kijkt hij naar het ijzeren hek van het detentiecentrum. Het prikkeldraad erbovenop schrikt hem niet af. ‘Het is er beter dan buiten. Als je buiten ziek wordt, ga je dood. En binnen is er eten.’

Voor de mensen aan de kant van de weg is er soms wel eten en soms niet. ‘Het is net vastentijd’, lacht Ibrahim, maar leuk is het niet. Als je erin slaagt het detentiecentrum binnen te komen, hoef je je in elk geval geen zorgen over eten meer te maken. Zo werkt het systeem, en zo werkt IOM.

Maar ook dat is vorige maand op slag veranderd. Australië, dat al sinds 2000 voor de kosten van IOM opdraait, wil niet meer betalen. Het systeem gaat op slot. Australië betaalt nog wel voor wie erin zit, maar voor nieuwe vluchtelingen geeft het geen geld meer.

Het enige alternatief dat IOM deze vluchtelingen kan bieden is: een enkeltje terug naar het land waaruit zij zijn weggevlucht. Paul Dillon, woordvoerder van IOM in Jakarta kan de mensen niet meer hoop geven. ‘Duizenden vluchtelingen komen voor een heel bittere en loodzware beslissing te staan: gaan zij terug naar hun land, of blijven ze hier en kiezen ze voor een uitzichtloos bestaan als vluchteling, in een land waar ze niet mogen werken, en waar ze hun kinderen niet naar een middelbare school kunnen sturen.’

De vluchtelingen op de stoep willen die loodzware beslissing nog even uitstellen. Zij proberen zich eerst toch maar het detentiecentrum, en het hulpcircuit binnen te wurmen. Voorlopig met weinig succes. Het centrum is overvol en niemand kan de vluchtelingen vertellen wanneer ze kunnen vertrekken.

De ontvangsthal van het detentiecentrum wordt fris opgeschilderd. De gedetineerden hebben daar niks aan, maar het ziet er voor bezoekers een stuk beter uit. Het kantoor van de directrice, Ibu Morina, is smetteloos. Een smalle trap leidt naar boven naar een traliedeur met een hangslot erop. Achter die deur zitten de mannelijke vluchtelingen.

Aan de tralies hangen plastic zakjes met de bezittingen van de mannen. Daarvoor is op de grond geen plaats, want de mannen zelf liggen als sardines op de vloer. Honderdvijftig mannen in acht cellen, een gangetje en een halletje van drie bij drie. Er kan inderdaad geen kip meer bij. Bezoek veroorzaakt een gedempte opwinding. De komst van een blanke nog meer. ‘Ben je IOM?’, vragen ze hoopvol. Alleen de mensen van IOM hebben, misschien, antwoorden op hun vragen. Of eigenlijk hebben ze maar één vraag: ‘Wanneer kan ik hier weg?’

Je kunt de frustratie voelen. Een man sist: ‘Hoor haar eens praten. Zij doet net of hier alles in orde is. Pah! Hoe kunnen we slapen? Als ze echt een hart heeft, legt ze hier een tapijt neer. En kijk hoe vol het hier is.’ Hij gaat liggen op een stuk karton, tussen twee mannen die gewillig meewerken aan de demonstratie. Ze liggen om en om, hoofden voeten hoofden voeten.

Allemaal hebben ze een verhaal. Iemand duwt de journalist een briefje in handen. Zijn naam staat erop, en een samenvatting van zijn leven als vluchteling. Het jaar dat hij uit Afghanistan vertrok, de stad waarin hij woonde, en dan de vragen. Hoe lang moet hij hier nog zitten? Ibu Morina heeft overal ogen. Terwijl zij met drie andere vluchtelingen staat te praten ziet zij het heimelijke briefje. Meteen draait zij zich naar de Afghaan en zegt: ‘Wat is dat?’ Als een betrapte schooljongen grist de man het briefje weer weg en verstopt het achter zijn rug. ‘Niks’, zegt hij. ‘Niks mevrouw.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden