De tweede jeugd van de telefoon

Een GSM-telefoon die de grens over gaat, zoekt zelf contact met een plaatselijk net en vervolgens krijgt het Nederlandse net een seintje waar de reiziger verblijft....

VOOR DE MODERNE zakenman waren de Waddeneilanden voor de zomervakantie nog taboe. Had hij net een trendy GSM-telefoontoestel gekocht waarmee hij overal in Europa kon bellen en gebeld kon worden, moest hij godbetert op Terschelling zijn toevlucht nemen tot een altijd druk bezette telefooncel. Aan die ergernis is medio juli een einde gekomen: met de plaatsing van basisstations op de vier grootste Waddeneilanden zijn ook die opgestoten in de vaart der digitaal bellende volkeren.

Voorwaarde is echter wel dat de zakenman uit zijn auto belt. Want voor de portable met zijn kleine accu is één zend/ ontvangstinstallatie per eiland onvoldoende. Wie zeker wil zijn dat hij voor zijn eigen tent interessant kan zitten bellen, moet zijn toevlucht nemen tot een 'ouderwetse' analoge zaktelefoon. Op zijn vroegst eind 1997 zijn er in Nederland voldoende zendmasten opgesteld om vrijwel overal met een GSM-zaktelefoon te kunnen bellen.

Zelden heeft een produkt zo'n snelle ontwikkeling doorgemaakt als de mobiele telefoon. Weliswaar bestond er in Nederland al voor de oorlog een systeem voor bellen uit een auto - waarbij een operator de verbinding legde - maar pas in 1980 opende de PTT een automatisch schakelend net voor Auto TeleFonie, ATF-1, later gevolgd door ATF-2 en -3. Tegen het einde van de jaren tachtig begon pas het besef door te dringen dat kleine, handige zaktelefoons de toekomst zouden hebben. Overigens, het vooroorlogse systeem, dat in zijn hoogtijdagen 2500 gebruikers kende, werd pas in 1987 ontmanteld.

De eerste draagbare telefoon kwam in 1986 op de markt. Nou ja, draagbaar. Het was een toestel waarbij de gebruiker een accu van pakweg zeven kilo moest meesjouwen. De allernieuwste zaktelefoons wegen nog geen drie ons. En de verwachting is dat het gewicht nog aanzienlijk naar beneden kan.

De laatste tijd wordt elk feestje versjteerd door opschepperij over de mogelijkheden van GSM, een afkorting die staat voor Global System for Mobile communication. Een door PTT Telecom geëxploiteerd GSM-net werd met veel tamtam op 1 juli vorig jaar in Nederland in gebruik genomen.

Dit najaar krijgt het voormalige staatsbedrijf voor het eerst concurrentie. Libertel, een onderneming van onder meer Internationale Nederlanden Groep, het Britse Vodafone en Vendex, gaat een eigen GSM-net exploiteren. Ook dat zal met de nodige publiciteit gepaard gaan. Want al worden de netten aan elkaar geschakeld opdat een Libertel-klant met een PTT-klant kan bellen, de afnemer moet straks wel kiezen bij wie hij een abonnement neemt.

In wezen is er echter weinig verschil tussen telefoneren via GSM of via de nu nog in gebruik zijnde netten van ATF-2 en ATF-3. Waar bij ATF het signaal van de mobiele telefoon naar het dichtstbijzijnde basisstation analoog met radiosignalen wordt verstuurd, gebeurt dat bij GSM digitaal: voordat verbinding wordt gemaakt, worden de analoge signalen door het toestel zelf en door het basistation omgezet in series nullen en enen. Door de ingebouwde chiptechnologie kan het GSM-toestel zelf ook nog wat kunstjes.

Bij ATF herkent het netwerk het telefoontoestel zelf. Bij GSM regelt de ingevoerde chipkaart dat het toestel een 'herkenningsmelodie' uitzendt. De chipkaart, die de gebruiker krijgt bij de aanschaf van een abonnement, kan in elk willekeurig GSM-toestel worden gebruikt. Nadeel daarvan is dat een gestolen GSM-toestel de dief goede diensten kan bewijzen. Een ATF-toestel zou eenvoudig geblokkeerd worden.

Wat GSM voor velen echter zo aantrekkelijk maakt, is het feit dat het systeem overal in Europa wordt gehanteerd - want verder dan Hongkong, Zuid-Afrika en Australië wordt de naam Global nog niet waargemaakt. Als gevolg van internationale afspraken kan de bezitter van een GSM-toestel daarmee in vrijwel heel Europa bellen en gebeld worden. Wie het betreffende 06-53-nummer intoetst, merkt niet eens dat de gesprekspartner niet gewoon thuis in Zoetermeer zit, maar in Berlijn, Genève of St Tropez. Het analoge systeem van ATF-3 daarentegen, dat de beginnummer 06-52 heeft, wordt in Europa alleen door Scandinavische landen en Zwitserland ook gebruikt.

Bijkomend voordeel van GSM is bovendien dat het nu al extra mogelijkheden biedt. Zo kan men sinds enkele weken faxen versturen via een GSM-toesel en een speciaal modem. Verder kunnen korte boodschappen ontvangen worden, die in het lcd-scherm van het toestel verschijnen. Dat varieert van standaardberichtjes over terugbellen naar een bepaald nummer of veranderde afspraken - allemaal te kiezen via een voorgeprogrammeerd menu - tot bijzondere berichten, die slechts met tussenkomst van een menselijke operator gerealiseerd kunnen worden. Wie daarvan gebruik wil maken, moet echter wel de kneepjes van de GSM-techniek kennen.

Door die digitalisering zijn GSM-gesprekken moeilijker af te luisteren. Wie een speciaal ontvangertje afstemt op de ATF-frequentie (rond de 900 megaHerz), kan na enig draaien willekeurige gesprekken in de directe omgeving afluisteren. Het ATF-signaal wordt immers analoog verzonden.

WIE AFSTEMT op de GSM-frequentie hoort een 'kettingzaag', een onverstaanbaar geratel van verschillende gesprekken dat alleen met zeer geavanceerde apparatuur ontcijferd kan worden. Wie zijn eigen gesprekken met een apart computerprogramma codeert - en er op let dat zijn gesprekspartner over hetzelfde programma beschikt - is helemaal gevrijwaard van afluisteren.

ATF-3 heeft inmiddels 280 duizend gebruikers, meer laat het netwerk nu niet toe. Wel wordt de capaciteit de komende jaren opgevoerd tot 400 duizend. GSM, dat nu al een capaciteit heeft van 300 duizend, telt na een jaar al 150 duizend gebruikers. Deskundigen verwachten dat voor 2000 ongeveer vier miljoen mensen over een draagbare telefoon zullen beschikken.

De grote doorbraak in het mobiele bellen kwam door de aanleg van een intelligent netwerk. Moest bij het vooroorlogse net gebruik worden gemaakt van een telefoniste die de verbinding tot stand bracht, bij ATF en GSM houdt het netwerk zelf bij waar de mobiele bellers zijn. Een telefoon die stand by staat, zendt een signaal uit dat - als alles goed gaat - in Nederland wordt opgevangen door een van de basisstations. Die sturen zelf ook signalen rond, die door een toestel worden opgevangen. Zo weet het netwerk voortdurend waar een telefoon zich bevindt en weet de telefoon welk basisstation de beste verbinding geeft.

Uiteraard is de kwaliteit van de verbinding mede afhankelijk van het vermogen van het telefoontoestel. Een auto-gebonden toestel heeft een vermogen van ongeveer 6 (ATF) tot 8 (GSM) watt; een zaktelefoon 1 à 2 watt. Naarmate de beller dichter bij een basisstation staat, wordt het energieverbruik lager. Een zaktelefoon kan tegenwoordig op één accu ongeveer 24 uur stand by staan. Bellen kan, afhankelijk van de verbinding, 40 tot 120 minuten. In een auto kan de accu worden opgeladen als de motor loopt.

Dank zij hun grotere vermogen kunnen autotelefoons ook met veel minder basisstations toe. Een autotelefoon kan een ontvanger op ongeveer 25 kilometer afstand bereiken; een zaktelefoon heeft een mast binnen een afstand van enkele kilometers nodig.

De drie mobiele netten van PTT Telecom, ATF-2, ATF-3 en GSM, hebben ongeveer 750 basisstations, meest gecombineerde locaties waar diverse zenders en ontvangstinstallaties staan. Volgens de kaartjes die PTT regelmatig publiceert, kan vrijwel overal in Nederland analoog uit de auto worden gebeld.

Alleen op plaatsen als de Koninklijke Houtvesterijen van boswachterij Het Loo, waar prinses Margriet en Pieter van Vollenhoven wonen, lijkt de ontvangst wat mager te zijn. Het GSM-kaartje voor autotelefoons kent iets meer 'witte plekken'.

Heel anders is het gesteld met de bedekking voor zaktelefoons. Uit de gepubliceerde ATF- en GSM-kaartjes blijkt dat de mogelijkheden in de grote steden en in het westen veruit het grootst zijn. Oost-Nederland ziet er vooral op het GSM-kaartje nogal pokdalig uit. Vervelend, want minder dan een kwart van de verkochte GSM-telefoons is autogebonden; bij ATF is dat ongeveer driekwart.

Volgens B. Bos, directeur Operations van PTT's mobiele netten, zijn er voor een optimale GSM-bedekking 3600 basisstations nodig. 'Eind 1997 zijn we een fors eind in die richting', belooft hij. Het is niet waarschijnlijk dat concurrent Libertel, die in alle stilte aan zijn netwerk bouwt, veel sneller zal zijn.

De basisstations staan allemaal met elkaar en met 11 (ATF), respectievelijk 5 (GSM; eind 1995 zijn dat er 8) centrales in verbinding, die op hun beurt allemaal zijn gekoppeld aan een home locations register (HLR). Bij een telefoontje naar een mobiel toestel wordt het nummer eerst door het HLR geïdentificeerd en vervolgens via de centrales opgespoord.

Als er gebeld wordt, kiest het toestel het beste kanaal dat voorhanden is; via een apart kanaal, het operation channel, worden gelijktijdig de bewegingen van het toestel ten opzichte van de verschillende basisstations geregistreerd en eventueel binnenkomende boodschappen doorgegeven.

Om in het buitenland te kunnen telefoneren, moet de chip in het GSM-toestel worden geprogrammeerd - zoals het ook bij de aanschaf van het abonnement op het gekozen Nederlandse netwerk is ingesteld. Wie de grens over gaat, belt, afhankelijk van de aanwezige basisstations, nog enige tijd met zijn Nederlandse operator, alvorens het toestel eigener beweging op de eerder gekozen buitenlandse operator overschakelt. Diens netwerk heeft de vreemdeling dan inmiddels al een tijdje 'in de peiling'.

Zodra een Nederlander in Denemarken zijn mobiele telefoon aanzet, gaat via het dichtstbijzijde basisstation een seintje naar het Deense visitor location register (VLR). Dat herkent een Nederlandse gebruiker en neemt contact op met het Nederlandse home location register (HLR) om de gegevens te controleren.

De gebruiker wordt vervolgens toegelaten tot het Deense net en de Nederlandse centrale weet dat hij in Denemarken zit. Als het nummer wordt gebeld, hoeft het Nederlandse HLR niet de hele wereld af te zoeken.

De bedekking van het GSM-netwerk is in het vlakke, met snelwegen doorsneden Nederland vrij behoorlijk. Alleen hoge gebouwen, smalle straatjes en dichte bossen belemmeren het radiografisch verkeer. 'Vaak bellen mensen om te melden dat hun GSM-toestel ineens minder goed functioneert', vertelt M. Broekhoven, die voor PTT Telecom door het hele land metingen uitvoert. 'Dan blijken het bijvoorbeeld mensen op de Veluwe te zijn, in april, als de bomen beginnen uit te lopen.'

OOK IN EEN LAND als Portugal kan, opmerkelijk genoeg, met een autotelefoon vrijwel overal worden gebeld. Portugal heeft de komst van GSM aangegrepen om de belabberde telefonische omstandigheden op te peppen. Datzelfde geldt voor Ierland. In Frankrijk daarentegen vallen grote delen van het Centraal Massief nog buiten het GSM-net.

De kosten voor het bellen worden zo overzichtelijk mogelijk verdeeld. Bellen met een mobiele telefoon is sowieso duurder dan met een vaste telefoon, 90 cent per minuut (45 cent 's avonds en in het weekeinde) terwijl een gewoon belletje slechts 15 cent per tweeënhalve minuut (in daluren per vijf minuten) kost.

Maar als de mobiele telefoon in het buitenland zit, betaalt de gebruiker de kosten voor het internationale gedeelte. Hij betaalt voor zijn bereikbaarheid; de opbeller weet van tevoren niet waar zijn gesprekspartner zich zal bevinden.

Niet bekend

René Bogaarts

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.