'De troost dat er geen troost is'

'NAAR MIJN hart schrijft over poëzie Herman de Coninck/ Zo moet het', schreef de dichter Tonnus Oosterhoff in zijn laatste bundel....

Dezelfde De Wispelaere bezorgde een uitgave van twee indrukwekkende delen proza van Herman De Coninck, Het proza geheten. Dat proza gaat over poëzie. Weliswaar schrijft De Coninck soms over reclame, poire Williams, blindheid, Amerikaanse auto's of racisme, maar ook dan dient de poëzie zich aan. De gedichten liggen bij De Coninck op straat, op de keukentafel, op het dashboard van de auto, in bed of in de reistas.

Poëzie is niet heilig voor De Coninck en zo spreekt hij er ook over. Omgekeerd verlangt hij van de poëzie dat ze niet nodeloos ingewikkeld doet. Dat brengt hem soms in moeilijkheden, bijvoorbeeld bij de poëzie van Tonnus Oosterhoff. In het stuk 'Ontsnapte fragmenten' zegt hij dat hij de gedichten van Oosterhoff aanvankelijk vreemd vond, niet dwingend of geheimzinnig, maar te vaag: 'suggestiviteit in het luchtledige'. Maar bij een volgende bundel waagde hij een nieuwe poging. Hij haalt de biografie erbij, bespreekt kalm een paar van de gedichten, die hem opnieuw voor raadsels plaatsen - 'Hoe geheimzinnig mag het worden, voor het onzinnig wordt?' - en concludeert ten slotte: 'Ik begrijp hem niet. Ik begrijp mezelf niet.'

Dat is de enige manier waarop een gedicht voor De Coninck onbegrijpelijk mag zijn: als het daarmee tot uitdrukking brengt dat de wereld zélf onbegrijpelijk is. Alleen om die reden kan hij later Lucebert diens 'nodeloze onbegrijpelijkheid' vergeven: 'Ik ben langzamerhand gaan geloven dat die bij Lucebert nou juist de essentie is, dat is nou precies zijn absurditeit: van het leven is ook maar af en toe wat te begrijpen, de dood valt niet te begrijpen, etc.'

Afgezien van een enkele schimpscheut aan het adres van hem al te ingewikkelde dichters, beperkt De Coninck zich tot de poëzie die hij wél mooi vindt. Dat is in de eerste plaats poëzie die lijkt op zijn eigen gedichten: nostalgisch en niet wars van wat werkelijkheid en wat autobiografie. Dus schrijft hij veel over Rutger Kopland, Willem van Toorn en Eva Gerlach. Zijn lievelingspoëzie biedt 'de troost dat er geen troost is, de zingeving dat er geen zin is'. Het is poëzie met doodsverachting: 'Poëzie: de kunst om ook te kunnen niet leven.'

Men moet bij De Coninck niet al te veel gewicht aan zulke uitspraken hechten. Hij geeft in haast elk stuk wel een definitie van de dichtkunst, om in het volgende stuk weer het tegenovergestelde te beweren. Hij valt, twee dikke delen lang, nooit op een consistent idee over poëzie te betrappen. Meteen al in zijn eerste, programmatische stuk, 'Over de troost van pessimisme', zegt hij dat poëzie nergens toe dient, om dat onmiddellijk terug te nemen en te poneren dat poëzie wel degelijk ergens toe dient.

De Coninck tracht zijn wispelturigheid niet te maskeren, maar verheft die tot program: 'Ik héb geen definitie van de poëzie. Ik heb er een twintigtal en hoop dat ze elkaar tegenspreken en aan de praat houden. Mijn eenentwintigste definitie zou dan zijn dat poëzie bij uitstek het genre is dat voortdurend zichzelf wil definiëren.'

Niettemin blijft één ding steeds hetzelfde bij De Coninck: de poëzie staat in de wereld en heeft het daar maar mee te doen, 'poëzie is de realiteit dienstbaar, niet omgekeerd'. De houding van De Coninck zou je kunnen omschrijven met de eis die Kopland aan een goede dichter stelt: 'genegenheid voor de werkelijkheid'. In een lang stuk 'Over Marieke van de bakker' legt De Coninck nog eens uit dat hij de 'linguïstische poëzie' afwijst, zeg maar de naar zijn smaak te academische Nederlandse poëzie met te veel Faverey- en Kouwenaar-epigonen: 'Hele spanningsvelden van taal, maar waar was het onderwerp ook alweer?'

Voor De Coninck mag de poëzie betrekking hebben op zaken als 'psychiatrie, Nicaragua, vrouwenpraatgroepen, en wat mij betreft voetbal' - als het maar ergens over gaat. De Willem Wilminks van deze wereld worden te weinig gewaardeerd, omdat de critici geen smartlap-effecten willen. Zelf heeft de Coninck er niets op tegen om kippenvel te krijgen van een gedicht.

Hoe prettig het ook is dat De Coninck niet al te moeilijk doet over poëzie, het blijft jammer dat hij smartlappendichters, zondagsdichters en tweederangsdichters zoveel aandacht geeft. Ook zonder een onderscheid tussen hogere en lagere literatuur aan te brengen, kun je vaststellen dat er een soort poëzie is die meer uitleg en 'begeleiding' nodig heeft dan andere. De liedjes waar De Coninck het graag over heeft, worden zo ook wel begrepen en gewaardeerd, terwijl er moeilijke poëzie is die veel baat zou hebben gehad bij zijn laconieke benadering. De Conincks mooie stuk over Faverey bewijst het, en het is eeuwig zonde dat hij niet ook zo schreef over dichters als Anneke Brassinga of Jan Kuijper.

Maar dergelijke poëzie vindt hij als snel 'nodeloos onbegrijpelijk', en ook de critici die zich ermee inlaten, kunnen zijn goedkeuring niet wegdragen. Vooral Guus Middag, die in NRC Handelsblad schrijft, moet het ontgelden. De criticus mag zich evenmin als de poëzie elitair gedragen. De Coninck veroordeelt de 'moedwillige publieksdistantie', zoals hij die waarneemt bij Huub Beurksens of F.P. Thomése. Maar niet alleen de dichters en de critici dragen schuld, zo blijkt uit het minder overtuigende 'Pleidooi voor moeite'. Daarin moppert De Coninck, net als veel van zijn generatiegenoten, over de 'infantilisering' van de samenleving, en de 'visuele flash-verslaving', en zijn zoon die alleen nog maar 'dinges' en 'allee' kan zeggen.

Omdat de televisie de ontspanningsfunctie van literatuur heeft overgenomen, redeneert De Coninck, kon de literatuur marginaler worden. Zij bestaat nog dankzij subsidies, en hoeft zich niets meer aan te trekken van de lezers. Nogal onlogisch is De Conincks volgende stap, waarin het onderwijs de schuld krijgt omdat men op school ook niet meer leert moeilijke teksten te lezen. Wat is het nu, vraagt de lezer zich af: moet de literatuur toegankelijker worden of moeten leerlingen op school beter leren lezen? En bovendien; waarop baseert De Coninck de stelling dat literatuur geen ontspanningsfunctie meer heeft en 'marginaler' wordt? Men zou ook het tegenovergestelde kunnen beweren: dat het de literatuur is die steeds infantieler wordt.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden