De tragedie van Het Apeldoornse Bos

'DIT IS WAARSCHIJNLIJK de bewogenste nacht van mijn leven', schreef een jonge verpleger op 20 januari 1943 aan vrienden. 'Ik zit in de wacht op de ziekenzaal van een krankzinnigengesticht, dat gedoemd is binnen het etmaal te zijn vertrokken naar onbestemde oorden.' De hele nacht was het personeel aan het...

Het krankzinnigengesticht heette Het Apeldoornse Bos. De reden dat het die dramatische nacht in 1943 gedoemd was te verdwijnen, was dat alle patiënten joods waren.

Wie in tranen zaait. . . beschrijft de geschiedenis van Het Apeldoornse Bos en zijn opvolger, het nog steeds bestaand Sinaï-centrum. De inrichting kwam voort uit de gedachte dat joodse geesteszieken het beste in een joodse omgeving konden worden verpleegd. In het begin van de vorige eeuw meende men nog dat 'dollen' zoveel mogelijk geïsoleerd moesten worden van de wereld, dat zij alleen in afzondering beter konden worden. Maar al snel kreeg de ontluikende psychiatrische wetenschap oog voor de rol die de sociale omgeving speelde bij veroorzaken en genezen van geestesziekte. Vertrouwde gebruiken en rituelen zouden de patiënt een gevoel van geborgenheid geven.

Het ging dus niet allereerst om de religie, hoewel het Nederlands Israëlitisch Armbestuur in 1861 vaststelde dat synagogediensten heilzaam werkten. 'Aandoenlijk inderdaad was nog dezer dagen het schouwspel toen een krankzinnige een hem opgedragen kerkelijke functie met eerbied en liefde verrigtte, en een ander zeer stichtelijk een kapittel uit den Bijbel voorlas.'

Vandaar dat al in 1840 het Nederlands Israëlitisch Ziekenhuis aan de Amsterdamse Nieuwe Keizersgracht een aparte krankzinnigenafdeling opende. Deze raakte echter snel overvol, doordat de vraag naar psychiatrische zorg onder de Nederlandse joden uitzonderlijk groot bleek. Onderzoek in de jaren dertig toonde aan dat de joodse gemeenschap twee keer zoveel geesteszieken telde als de rest van de bevolking. Toen zocht men de oorzaak daarvan vooral in genetische afwijkingen, maar deze lag waarschijnlijk in de armoedige omstandigheden waaronder vele joden leefden.

Juist die armoede stond de stichting van een groot, modern krankzinnigengesticht in de weg. Terwijl de katholieken en protestanten aan het eind van de negentiende eeuw, een tijd van snelle verzuiling, hun eigen inrichtingen bouwden, gingen er vele collectes en plannen overheen, voordat in 1909 Het Apeldoornse Bos zijn deuren opende.

Het Apeldoornse Bos was, zo oordeelde een krant destijds, 'een groots gesticht in een gezonde, boschrijke omgeving op een uitgebreid terrein, doelmatig, lief, vriendelijk aanblikkend, vol licht en lucht, in deftigen eenvoud opgetrokken'. Er waren verschillende klassen, uiteenlopend van slaapzaal met gestichtskledij tot twee eigen kamers inclusief privé-verpleging en salon met biljart. De 'mannen' en 'vrouwen' van de derde klasse werden ingedeeld in rustigen, halfrustigen of onrustigen; de 'dames' en 'heren' van de eerste klasse werden geacht van nature tot de rustigen te behoren. Zij hoefden ook geen bladeren te harken of matten te maken, maar werden te werk gesteld in de boekbinderij.

Onder leiding van geneesheer-directeur Jan Kat ontwikkelde Het Apeldoornse Bos zich in de jaren twintig en dertig tot een toonaangevende instelling, waar al vroeg vernieuwingen werden geïntroduceerd zoals de open inrichting, systematische preventieve zorg en arbeidstherapie. Genezing door handwerk bleek overigens bij joden minder goed toepasbaar dan bij anderen, omdat zij door eeuwenlange uitsluiting onbekend waren met veel ambachten. Desondanks behaalde Het Apeldoornse Bos een opvallend hoog rendement; twee op de drie patiënten kon binnen vijf jaar de inrichting verlaten.

In januari 1943 kwam aan dit alles een einde. De nacht die onze dagboekschrijver meemaakte, was nog rustig vergeleken met de volgende, waarin alle patiënten, sommigen schreeuwend, anderen naakt, in de koude nacht op vrachtwagens werden geladen en afgevoerd naar station Apeldoorn, waar veertig goederenwagons klaarstonden. 'Alle Patienten', zo had Aus der Fnten gemeld, 'sind für uns transportfähig.' Zij werden bij aankomst in Auschwitz meteen vergast.

De materiële schade die Het Apeldoornse Bos in de oorlog opliep, werd na de bevrijding hersteld, maar het ziekenhuis, als de wereld waarin de weinige overlevenden terugkeerden, bleef leeg. Het heropgerichte kinderpaviljoen Benjamin moest naast acht joodse vier niet-joodse kinderen opnemen om rendabel te zijn. Meer dan vierhonderd wezen zorgden korte tijd voor nieuwe vitaliteit, tot zij in 1948 met het eerste schip naar Israël vertrokken. Dat jaar werd het grootste deel van het complex verhuurd, aan de Vereniging tot Opvoeding en Verpleging van Idioten en Achterlijke Kinderen, een gereformeerd instituut.

De joodse psychiatrische zorg vond uiteindelijk haar nieuwe plek in het Sinaï-centrum in Amersfoort, alwaar men een bijzondere expertise ontwikkelde in oorlogstrauma's - tegenwoordig worden er ook getraumatiseerden met een Indisch verleden behandeld.

Zo loopt de oorlog als een bizarre kloof door deze geschiedenis. Dit contrast wordt benadrukt door het nogal kabbelende karakter van Wie in tranen zaait. . . . Zoals veel institutionele geschiedschrijving-in-opdracht bevat het boek een overdaad aan namen en functieomschrijvingen van mensen die allemaal geprezen worden om hun grote inzet en humaniteit. Het is ook de vraag of het verstandig is zo'n boek mede te laten redigeren door een oud-geneesheer-directeur.

In de nabeschouwing maken de auteurs bovendien een denkfout door hun verhaal in verband te brengen met de massamoord op Duitse psychiatrische patiënten in de jaren 1939-1941. De tragedie van Het Apeldoornse Bos, zo menen zij, was tegen die achtergrond voorspelbaar, en moet voor ons een waarschuwing zijn 'om voorzichtig om te springen met onze door menselijkheid en mededogen opgebouwde medische en sociale voorzieningen'. Los van het feit dat in Nederland weinigen zullen hebben geweten van het Duitse 'euthanasie-programma', heeft de deportatie van de bewoners van Het Apeldoornse Bos daar ook niets mee te maken. Andere psychiatrische patiënten in Nederland werd geen haar gekrenkt. De 869 patiënten van Het Apeldoornse Bos werden vermoord, omdat zij joods waren, net als hun 52 begeleiders en meer dan 100.000 andere Nederlanders.

Bart van der Boom

R.G. Fuks-Mansfeld & A. Sunier: Wie in tranen zaait. . . - Geschiedenis van de Joodse Geestelijke Gezondheidszorg in Nederland.

Van Gorcum; 201 pagina's; ¿ 49,50.

ISBN 90 232 2994 0.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.