De toekomst van de oorlog

Wordt oorlog ooit een anachronisme, of blijft hij van alle tijden?..

DE SNEEUW ligt erbij zoals ze gevallen is, onberoerd en zo smetteloos wit dat de ogen er pijn van doen in het scherpe licht van de laagstaande winterzon. Het rumoer van de stad is verstomd. Aanvankelijk nauwelijks herkenbaar voor het oor weerklinken in de koude lucht boven deze immense dodenakker van ongerepte sneeuw de klanken van een koor, zo ijl, zo zacht en tegelijkertijd zo indringend dat zij de stilte niet verstoren maar versterken. Alsof het de doden zijn die vanuit hun graven het koor vormen voor een eeuwige klaagzang. Uit de verte komt, op een sneeuwvrij gemaakt pad, langzaam een bejaard paar aangelopen. De 73-jarige man, Vladimir, heeft een bezoek gebracht aan het graf van zijn vader, hier op Piskariovskoje, 's werelds grootste knekelveld, waar een half miljoen slachtoffers van het beleg van St.-Petersburg begraven ligt. De vader sneuvelde bij de verdediging van de stad tegen de Duitsers, terwijl zijn zoon, een jongen nog, zich aan het front bij Moermansk bevond. Sindsdien bezoekt de zoon, een oud-officier, elk jaar het graf van de vader.

Op weg naar de uitgang worden de oude man en zijn vrouw gepasseerd door een groep vrolijk pratende jongeren, wier lachende stemmen onmiddellijk verdampen in de vorstlucht. Het zijn een bruidspaar en hun familieleden. Zij gaan bloemen leggen en foto's maken bij het beeld van Matj Rodina, Moedertje Vaderland. Op de vraag waarom ze dat doen, roepen ze in het voorbijgaan dat zij hun eer willen betuigen aan de gevallenen in de Grote Vaderlandse Oorlog.

Negenhonderd dagen werd Petersburg - toen Leningrad geheten - belegerd door Hitlers legers. Er werd honger geleden, en dat, schreef Lidia Ginzburg, lijkt niet op trek. Een verzadigd mens begrijpt honger niet. Honger verschijnt in de gedaante van melancholie, onverschilligheid, krankzinnige haast en wreedheid. Volgens sommige schattingen stierven er 800 duizend tot 1,1 miljoen mensen de hongerdood.

Nooit was een miljoenenstad zo lang belegerd. Nooit voerden twee volkeren zo'n verwoestende en wrede landoorlog. Drie miljoen Duitse militairen waren in juni 1941 de Russische grens overgestoken, voor wat Hitler omschreef als de oorlog tegen het reusachtige rijk in het oosten. In een hoog tempo had zich een ontzagwekkende krijgsmacht in oostelijke richting bewogen: tanks, pantserwagens, soldaten, kanonnen, vrachtwagens en paarden.

Na vier jaar werden de Duitsers teruggedreven; in april 1945 trok het Russische leger bij Torgau de Elbe over. Het was, schreef de Amerikaanse oorlogsverslaggeefster Martha Gellhorn, een chaotische maar onstuitbare mensenmassa, die Duitsland overstroomde als een lavastroom, met eerst mannen, daarna in dezelfde uniformen vrouwen: scherpschutters, stoer als beroepsboksers.

Ze werden gevolgd door een stoet van karren en wagens die beddengoed, kleren, potten, pannen, munitie, vee en de vrouwen van de soldaten vervoerden. Dit was niet zozeer een leger als wel een hele wereld, net een leger van een nomadenvolk. Europa beleefde een ongekende volksverhuizing, de wereld scheen te zijn teruggekeerd tot de oerchaos, waarbij dertig miljoen Europeanen rusteloos in beweging waren, in den blinde of volgens plan.

Een halve eeuw later stelt in dezelfde stad die zijn voorvaderen probeerden uit te hongeren, een bescheiden en minzame Duitser zich de vraag hoe na deze bijna epische oorlog van gisteren, die van morgen kan worden voorkomen. Hij is optimistisch en gelooft dat in Europa de voorwaarden voor duurzame, ja misschien wel eeuwige vrede zijn geschapen. De Tweede Wereldoorlog, die zes jaar duurde maar waarvan de gevolgen zestig jaar later nog steeds niet zijn verwerkt, was de grootste die Europa beleefd had en mogelijk juist daardoor ook de laatste. De oorlog was zo vernietigend, zo bloedig en zo barbaars, dat de gelouterde Europeanen hard bezig zijn door middel van integratie en samenwerking een herhaling te voorkomen, hoopt de Duitser, Christoph Bertram.

Hij spreekt op de conferentie 'De Toekomst van de Oorlog', een intrigerend onderwerp, in zijn onheilspellendheid aanlokkelijk en afstotend tegelijk.

Het raam naast Bertrams spreekgestoelte in een van de zalen van het Marmerpaleis biedt uitzicht op de bevroren Neva-rivier, met aan de overkant de Petrus- en Paulusvesting, de citadel die Petersburg door de tijden heen moest verdedigen tegen aanvallen van Zweden, Finnen, Duitsers. Bertram spreekt echter niet over het verleden, maar over de toekomst, niet over oorlog maar over vrede.

Hij, en menig andere spreker, bezigt de beschaafde taal van de rede. Het probleem is dat oorlog zich doorgaans weinig aantrekt van beschaving en ratio. Niet eenmaal valt de naam van Helmut Kohl, de man die waarschuwde dat de voortgang van de Europese integratie een zaak van oorlog en vrede in de 21ste eeuw is. Hij werd er destijds om beschimpt, nu wordt hij doodgezwegen.

Het onderwerp oorlog schrikt mensen af, boezemt hen angst in, activeert hun geestelijk afweersysteem. We voorspellen liever de vrede dan de oorlog. Zoals Ivan Bloch, ter ere van wie de conferentie wordt gehouden, en die in 1898 in St.-Petersburg het boek De Toekomst van de Oorlog publiceerde. Bloch betoogde dat door het voortschrijden van de techniek oorlogen zo verwoestend en onbeheersbaar waren geworden, dat ze de oorlogvoerenden geen enkel voordeel meer zouden opleveren en daarom beter voorkomen konden worden.

Een andere vredesprofeet, Norman Angell, beweerde een paar jaar later dat landen economisch zo afhankelijk van elkaar waren geworden, dat ze het zich niet meer konden veroorloven oorlog met elkaar te voeren. Het Europa van zijn tijd kende een hoge mate van economische en politieke verstrengeling. De cultuur was kosmopolitisch en Europa's dynastieën waren door familiebanden met elkaar verbonden.

Op een mei-ochtend in 1910 liepen er negen koningen mee in de begrafenisstoet voor Edward VII van Engeland. Vooraan, op een grijs paard, reed Wilhelm II, keizer van Duitsland, gekleed in het uniform van een Britse veldmaarschalk. 'Ik ben trots lid te zijn van deze (Britse) koninklijke familie', schreef hij in een brief naar huis.

Dit alles gaf de mensen rond 1900 een gevoel van veiligheid. De prijs van de oorlog was te hoog geworden om hem nog te kunnen voeren; bovendien dreef iedereen handel met elkaar en waren de vorsten allemaal aan elkaar geparenteerd.

Maar het gevoel en de voorspellingen waren vals: in augustus 1914 bulderden de kanonnen. Er volgde een eerste wereldoorlog en zelfs een tweede. De vermeende rationaliteit had het uiteindelijk laten afweten, en ook het aanschouwelijk onderricht dat de modderige slachtpartij in de loopgraven bij Verdun bood, bleek niet afschrikwekkend genoeg te zijn geweest.

Maar nogmaals: dit is het verleden, op het congres gaat het om de toekomst. De moeilijkheid is echter dat veel congresdeelnemers met de toekomst een moeizame relatie onderhouden. Vooral politieke wetenschappers hebben een tragisch vak: wat zij voorspellen, komt vaak niet uit; wat er gebeurt, hebben zij even vaak niet voorzien. De toekomst laat zich moeilijk voorspellen, laat staan de toekomst van de oorlog, want zoals we zagen is oorlog al even ongrijpbaar als de toekomst.

Martin van Creveld, de Israëlische krijgshistoricus, wijst erop dat een academische benadering van oorlog haar beperkingen heeft: oorlog is geen rationeel proces. 'Als dat wel zo was, hadden we er eeuwen en eeuwen geleden een einde aan gemaakt.'

Oorlog vloeit voort uit de menselijke natuur en cultuur. 'Mannen houden van krijg, vrouwen houden van krijgers. Oorlog is geworteld in trots, oorlog is geworteld in de drang zichzelf te bewijzen, oorlog is zeer diep geworteld in de menselijke ziel.'

Een dergelijke boodschap is moeilijk verteerbaar voor de mensen in de zaal en daarbuiten. Iedereen weet wat hij bedoelt, iedereen kijkt geregeld naar CNN en kan zich er iets bij voorstellen, maar de neiging is groot die waarheid te verdringen.

Het is een kant van de mens die we niet willen zien. Daar wenden wij onze ogen vanaf, zoals de Dutchbat-militairen deden in Srebrenica. 'De mens doodt om zich te voeden, hij doodt om zich te kleden, hij doodt om zich op te smukken, hij doodt om aan te vallen, hij doodt om zich te verdedigen, hij doodt om inzicht te verkrijgen, hij doodt om zich te verstrooien (...) Heel de aarde, onafgebroken van bloed doordrenkt, is slechts een uitgestrekt altaar waarop al wat leeft dient te worden geofferd, eindeloos, mateloos, rusteloos.'

Dat schreef in de 18de eeuw de Franse edelman en reactionair Joseph de Maistre in zijn boek Les Soirées de Saint-Pétersbourg. Isaiah Berlin ontdekte in hem een 'huiveringwekkend profeet van onze tijd'. De Maistres conservatieve mensbeeld is inktzwart, weerzinwekkend, maar er is geen geoefende blik voor nodig om er elk jaar weer elementen van te herkennen bij de verkiezing van de World Press Photo.

Echter, herkennen is één, zich erbij neerleggen is twee. De vooruitgangsoptimisten hopen dat via het vliegwiel van de mondialisering het vrijemarktdenken en de liberale democratie over de wereld worden verspreid en oorlog wordt uitgebannen. Maar volgens Bertram kan de mondialisering in sommige landen ook leiden tot xenofobie, revanchisme, protectionisme, politiek populisme en anti-westers fundamentalisme. En democratie is op zichzelf evenmin een waarborg voor de vrede: de strijdende partijen in de Eerste Wereldoorlog waren alle min of meer democratisch.

Europa kan volgens Bertram pas voorgoed aan zijn turbulente geschiedenis ontsnappen via de 'postmoderne staten', die bereid zijn ten behoeve van gezamenlijke welvaart en stabiliteit een deel van hun ooit zo heilige nationale soevereiniteit af te staan aan instellingen als de Europese Unie en de NAVO. Die bieden onder druk staande regeringen procedures en tijd om geschillen vreedzaam op te lossen. Als de EU en de NAVO hun zone van stabiliteit uitbreiden naar Midden- en Oost-Europa, kan het continent, na de catharsis van die rampzalige 20ste eeuw, alsnog het vredesmodel worden voor de rest van de wereld.

Het is als een voor alle Europeanen geruststellend sprookje. En Bertram is niet de enige meent dat Europa, behoudens wat rommelige Balkan-oorlogjes, op de drempel staat van een periode van langdurige vrede. Bertrams recept is dat van Kohl, maar het verschil is dat de kanselier minder vertrouwen had in de onomkeerbaarheid en de vanzelfsprekendheid van de Europese integratie. De EU en de NAVO - de steunberen van Bertrams vredesvisioen - zullen op termijn moeten bewijzen dat zij hun cohesie kunnen bewaren zonder de discliplinerende aanwezigheid van een centrale vijand.

Ook de conclusie dat met het verzwakken van de traditionele natiestaat tevens het oude statensysteem verdwijnt en daarmee het gevaar van de klassieke oorlogen tussen staten, gaat te gemakkelijk voorbij aan het feit dat het overlijden van de nationale staat al is voorspeld zolang hij bestaat, en dat hij taaier blijkt dan steeds wordt gedacht.

Maar niet getreurd - dat betekent nog niet dat we oorlogen tussen grote landen moeten blijven vrezen, want we hebben nog de kernwapens die dat onmogelijk maken. 'Nucleaire wapens zijn de werkelijke oorzaak van de vrede op deze planeet. Vrede is het kind van de terreur', zegt Van Creveld. Een nieuw voorbeeld van hoe grillig, bizar en vooral onvoorspelbaar de werkelijkheid kan zijn, want in de jaren tachtig werd die waarheid omtrent het vredestichtende effect van de verschrikkelijkste wapens die ooit zijn uitgevonden, lang niet zo gemakkelijk door iedereen aanvaard, laat staan uitgesproken.

Maar ook al worden de rijke westerse landen - de Eerste Wereld - misschien immuun voor onderlinge oorlogen, zij kunnen zich niet terugtrekken in een oorlogsvrije enclave. In de Tweede en de Derde Wereld (de voormalige communistische staten en de ontwikkelingslanden) zijn 26 oorlogen gaande. En ook al zijn die ver weg, ze zijn dichterbij dan men denkt. We willen ze van ons afhouden, maar ze dringen zich soms vanzelf aan ons op en kunnen stinkende wonden veroorzaken, zoals Nederland weet na Srebrenica.

Het gaat om de Kosovo's van deze wereld, waar de verliezers en de berooiden van deze wereld elkaar bevechten, de have-nots tegen de have-nots, zoals de Britse krijgshistoricus John Keegan het noemt. De nucleaire afschrikking werkt hier niet, kernwapens zijn nutteloos tegen vijanden op een andere berg, tegen vijanden in een ander dorp, of in een ander huis. Daar wordt gevochten met kalasjnikovs, anti-tankraketten, messen, stokken en stenen.

Generaal Michael Rose, die in Bosnië commandant was van de VN-vredesmacht Unprofor, herinnert zich hoe hij op een dag een sluipschutter zag, die zijn positie verliet terwijl hij een groot geweer met telescoop met zich meedroeg. 'Het was een knappe jongen, nog geen twintig jaar oud. Maar toen hij me aankeek, waren zijn ogen zo dood als het kind dat hij die dag zeker moet hebben vermoord. In zekere zin is hij voor mij het symbool geworden voor dat wat tegenwoordig de vrede en de veiligheid bedreigt.'

Moeten de westerse landen die dreiging negeren en hun eigen vrede koesteren? Ja, is het hardvochtige antwoord van de Amerikaan Edward Luttwak. De oorlog als proces leidt vanzelf tot vrede, tot de overwinning van de sterkere op de zwakkere. Onderbreek dat proces niet van buitenaf, want dan los je het conflict niet op, je bevriest en verlengt het alleen maar. Bovendien wil het Westen nauwelijks offers brengen voor vredesmissies. De tijd dat het Russische leger al voor het ontbijt tienduizend man kon opofferen, is voorbij in deze tijd van kleine gezinnen. De Russische moeders kwamen naar Grozny om hun zonen terug te halen toen de Tsjetsjeense oorlog een hogere tol eiste dan het Kremlin verwacht had.

Luttwaks kille logica roept emotionele reacties op, doordat zij pijnlijk illustreert hoe het Westen ondanks de hoop op vrede worstelt met het oorlogsvraagstuk. De afschuw van oorlog is zo groot dat men enerzijds de sterke morele imperatief voelt om conflicten elders een halt toe te roepen, maar anderzijds te veel angst heeft om voor dat doel een oorlog te voeren.

Als er dan toch moet worden opgetreden, dan bij voorkeur door middel van een 'oorlog zonder tranen' - snel, beslissend en schoon. Het liefst vanuit de lucht, vanaf zee, of in de woestijn, met een minimale kans op slachtoffers, zowel onder de eigen troepen als bij de burgerbevolking van de tegenpartij.

Maar de werkelijkheid laat zich niet altijd voegen naar de westerse wensen. Het potentiële operatiegebied bestaat vaak uit oerwouden, bossen, bergen of steden, waar een tegenpartij huist die als de zwakkere precies weet waar hij de sterkere opponent kan treffen. En dat is door de oorlog zo smerig en langdurig mogelijk te maken: zij plaatst militaire installaties bij woonplaatsen van burgers, legt guerrillahinderlagen voor de vijandelijke infanterie en laat terroristen bommen plaatsen in de winkelcentra, in het land van de tegenstander.

Hoe hier te handelen? Het is de keus - of sterker: het dilemma - tussen het sturen van doperwten en dekens en het uitvoeren van dagenlange bombardementen. 'Zeg niet: waarom zouden wij ons daarom moeten bekommeren?', smeekt de Afrikaan Francis Deng de westerlingen in zijn gehoor.

Van Creveld vergelijkt het Westen met een belegerd kasteel, waar de golven tegenaan beuken en waarvan er sommigen over de muren kunnen heenslaan. Ook vanuit Rusland.

Wordt oorlog ooit een anachronisme? Op het kerkhof weigert de oude Vladimir dat te beamen. 'Zoals de mensen in Rusland nu leven, zo kan het niet verder gaan.' De jonge bruidegom gelooft niet in oorlog. 'Maar het kan wel, in dit land is alles mogelijk.'

De gewone Rus is teruggeworpen op zichzelf en zijn familie, in de meeste politici heeft hij weinig vertrouwen, die zorgen vooral goed voor zichzelf. Als tolk Natasja bekent te verlangen naar een krachtige leider, wekken haar woorden verbazing bij de Nederlanders rond het tafeltje in hotel Astoria. Het is het onbegrip dat bestaat tussen twee verschillende werelden, tussen de Europeaan die aan de goede kant van de scheidslijn staat, en diegene die de pech heeft zich aan de verkeerde kant te bevinden.

De kant waarbij een van de weinige integere en democratische politici zomaar kan worden geliquideerd. De avond is al gevallen als we na een lange zoektocht aankomen bij het trappenhuis waar de schoten vielen die het parlementslid Galina Starovojtova doodden. Op de plek van de moord bevindt zich een verlepte bloem in een vaasje. Niet alle bloedvlekken zijn verwijderd. 'Galja, vergeef ons', staat op een muur geschreven. In dit Rusland met zijn talloze have-nots heerst het primaat van het geweld.

's Avonds bij ons vertrek uit een restaurant verrast de trompettist van het huis ons met het Wilhelmus. De klanken sterven langzaam weg als we de lege, besneeuwde en schaars verlichte straat in St.-Petersburg achter ons laten. In dit Rusland is alles mogelijk en weinig voorspelbaar.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden