De toegewijde ooggetuige: JOHN LE CARRÉ

Tijdens de verfilming van The Spy Who Came in from the Cold was hij veel aanwezig op de set. Bij het uitkomen van zijn nieuwe boek A Delicate Truth kijkt thrillerschrijver John le Carré(81) voor V terug op zijn krankzinnige samenwerking in 1963 met hoofdrolspeler Richard Burton en regisseur Martin Ritt.

Iedere keer wanneer ik mezelf toesta terug te denken aan mijn eerste ontmoeting met Martin Ritt, de ervaren Amerikaanse regisseur van The Spy Who Came in from the Cold, krijg ik het schaamrood op mijn kaken als ik de belachelijke kleren die ik toen droeg, weer voor me zie.


Het was 1963. Mijn boek was nog niet uitgekomen. Ritt had de filmrechten ervan gekocht op basis van een voorlopig typoscript dat hem was toegespeeld door mijn literaire agent of uitgever, of misschien door een heldere geest achter een kopieerapparaat die iemand kende bij de Paramount-filmstudio. Later zou Ritt opscheppen dat hij de rechten had gestolen. Later zou ik dat met hem eens zijn. Indertijd zag ik hem als een grenzeloos gulhartige man die de moeite had genomen om samen met een paar bevriende geestverwanten helemaal vanuit Los Angeles naar Londen te vliegen om mij te trakteren op een lunch in het summum van edwardiaanse weelde, het Connaught Hotel, en lovende woorden te wijden aan mijn boek.


En ik was, op kosten van Hare Majesteit de Koningin, helemaal uit Bonn, de hoofdstad van West-Duitsland, gekomen. Ik was een diplomaat in actieve dienst, was 32 en had nog nooit mensen van de film ontmoet. In mijn kinderjaren was ik, net als alle jongens van mijn leeftijd, verliefd geworden op Deanna Durbin en had ik het uitgeschaterd bij de films van The Three Stooges. Tijdens de oorlog had ik in de bioscoop Duitse vliegtuigen neergeschoten die werden bestuurd door Eric Portman, en samen met Leslie Howard gezegevierd over de Gestapo. (Mijn vader was er zo stellig van overtuigd dat Portman een nazi was dat hij zei dat hij geïnterneerd moest worden.) Maar inmiddels was ik jong getrouwd, had ik kleine kinderen en heel weinig geld, en sindsdien dus nog maar weinig films gezien. Ik had een charmante literaire agent van de oude stempel in Londen die, als hij zichzelf daartoe de ruimte had gegeven, het liefst drummer in een jazzband was geworden. Zijn kennis van de filmwereld moet groter zijn geweest dan de mijne, maar ik denk niet veel groter. Niettemin had hij het filmcontract geregeld en had ik, na een copieuze lunch met hem, dat contract getekend.


Onderdeel van mijn werk als tweede secretaris op de Britse ambassade in Bonn was het begeleiden van Duitse hoogwaardigheidsbekleders die voor een bezoek aan de Britse regering en haar parlementaire oppositie waren uitgenodigd, wat de reden was dat ik naar Londen was gekomen. En dat verklaart ook waarom ik, toen ik er bij mijn officiële verplichtingen tussenuit kneep om met Martin Ritt in het Connaught te lunchen, een strak zwart jasje, een zwart vest, een zilverkleurige das en een grijs-zwart gestreepte broek droeg, een uitmonstering die de Duitsers een Stresemann noemen, naar een Pruisische staatsman die korte tijd de pech had president van de Weimarrepubliek te zijn. Het verklaart ook waarom Ritt, toen wij elkaar de hand schudden, op joviale toon luidkeels informeerde wat mij in godsnaam had bezield om me als kelner te verkleden.


En wat droeg Ritt zelf dan wel, dat hij zich gerechtigd voelde me deze uitdagende vraag te stellen? In de eetzaal van het Connaught golden strikte kledingvoorschriften. Maar in de Grill Room hadden ze in 1963, zij het enigszins schoorvoetend, geleerd daar een zekere flexibiliteit in te betrachten. Weggestopt in een hoekje en geflankeerd door vier grijsharige trawanten uit de filmindustrie zat Martin Ritt, zeventien jaar en flink wat eeuwen ouder dan ik, in een zwart, tot het hoogste knoopje gesloten revolutionairshemd en een wijde, door elastiek omhooggehouden broek met pijpen die bij de enkels smal toeliepen. En het gekste van alles vond ik de platte arbeiderspet met de klep die omhoog stond, in plaats van omlaag. Nota bene ook nog binnenshuis, wat in mijn diplomatieke Engeland van die dagen ongeveer even acceptabel was als erwtjes naar je mond brengen met een mes. En dat alles rond het beerachtige torso van een oude, dik geworden voetballer, met een breed, gebronsd, midden-Europees gezicht, doorschoten met het leed van jaren en dik, achterovergeborsteld grijzend haar en pikzwarte, waakzame ogen omlijnd door een zwart brilmontuur.


'Ik had jullie toch gezegd dat het een jonkie zou zijn?', zei hij trots tegen zijn trawanten, terwijl ik stamelend uitlegde waarom ik in godsnaam als kelner verkleed was.


Dat had je, Marty, dat had je, beaamden ze, want filmregisseurs, weet ik nu, hebben altijd gelijk.


En Marty Ritt had - hoewel het een tijdje duurde voor ik dat had uitgevonden, want er was in die tijd geen Google en ik was, zoals je iedere diplomaat altijd hoort klagen, niet grondig ingelicht voor die afspraak - meer gelijk dan de meeste filmregisseurs. Hij was een regisseur die zijn sporen had verdiend, met een groot hart en een indrukwekkende levenservaring. Hij had in de Tweede Wereldoorlog bij de Amerikaanse strijdkrachten gediend. Hoewel hij geen lid was van de communistische partij, was hij wel een van haar toegewijde fellow travellers. Zijn onverbloemde bewondering voor Karl Marx had hem een plekje bezorgd op de zwarte lijst van de televisiebranche, waarin hij zijn sporen als acteur en regisseur ruimschoots had verdiend. Hij had heel wat theaterproducties geregisseerd, veelal van linkse signatuur, waaronder ook een show in Madison Square Garden ten bate van de Russische oorlogsslachtoffers. Hij had in totaal tien bioscoopfilms geregisseerd, in het bijzonder Hud, met Paul Newman, twee jaar voor onze ontmoeting. En hij maakte er, vanaf het moment dat we gingen zitten, geen geheim van dat hij in mijn boek een soort overgang zag van zijn eerdere opvattingen naar zijn huidige houding van machteloze walging van het McCarthyisme, de lafheid van te veel van zijn collega's en kameraden in de getuigenbank, de mislukking van het communisme, en de ziekmakende steriliteit van de Koude Oorlog.


En Ritt was, zoals hij je al heel snel liet weten, Joods tot in zijn vezels. Misschien had zijn familie niet rechtstreeks geleden tijdens de Holocaust - hoewel ik geloof dat dat wel zo was - hij zelf had in ieder geval geleden en bleef lijden, voor zijn gehele volk. Zijn Joodse identiteit bleef iets waarover hij altijd vol vuur en zeer genuanceerd sprak. En dat werd des te relevanter toen we in gesprek raakten over de film die hij van mijn boek wilde maken. In The Spy Who Came in from the Cold worden twee idealistische communisten, de een een onschuldige bibliothecaresse uit Londen, de ander een lid van de Oost-Duitse inlichtingendienst, meedogenloos opgeofferd ten behoeve van de goede zaak van het kapitalistische westen. Ze zijn allebei Joods.


Voor Marty Ritt zou deze film persoonlijk worden.


En ik? Welke kwalificaties van de grootse universiteit des levens had ik in ruil daarvoor te bieden? Mijn Stresemann? Een Britse kostschoolopleiding, zij het een niet voltooide? Een roman die ik bij elkaar had verzonnen uit flarden indirecte ervaring? Of het verontrustende feit, waarvan ik hem godzijdank niet op de hoogte kon stellen, dat ik een groot deel van mijn recente leven had gezwoegd in de beschutte wijngaarden van de Britse inlichtingendienst, waar ik nu juist de zaak bestreed die hij, zoals hij openhartig toegaf, zelf met zoveel verve had gesteund?


Maar dat is nog iets wat ik onderweg heb geleerd. Los van het feit dat ook ik de geriefelijke zekerheden uit mijn jeugd in twijfel was gaan trekken. Het maken van films is de noodzakelijke samensmelting van onverzoenlijke tegenpolen. En nooit was dat duidelijker dan op het moment dat Richard Burton de hoofdrol van Alec Leamas voor zijn rekening nam.


Ik ben vergeten wanneer ik precies hoorde dat die rol naar Burton zou gaan. Tijdens onze lunch in de Connaught Grill had Marty Ritt me gevraagd wie naar mijn mening Leamas zou moeten spelen en ik had Trevor Howard voorgesteld; of Peter Finch, maar dan alleen op voorwaarde dat hij een Engelsman zou spelen in plaats van een Australiër, omdat ik er sterk van overtuigd was dat dit een zeer Brits verhaal was over zeer Britse geheime aangelegenheden. Ritt, die goed kon luisteren, zei dat hij begreep waarop ik doelde en dat hij beide acteurs wel zag zitten, maar hij vreesde dat ze allebei niet beroemd genoeg waren om de begroting voor de film rond te krijgen. Een paar weken later, toen ik weer naar Londen vloog, ditmaal op kosten van Paramount, om mee te doen aan een speurtocht naar geschikte locaties, vertelde hij me dat hij Burt Lancaster de rol had aangeboden. Om een Engelsman te spelen, Marty? 'Canadees. Burt is een geweldige acteur. Hij speelt hem als een Canadees, David (Le Carré is het pseudoniem van David Cornwell, red)'.


Waarop geen zinnig antwoord mogelijk was. Lancaster was inderdaad een groot acteur, maar mijn Leamas was geen grote Canadees. Maar inmiddels was de Grote Onopgehelderde Stilte begonnen.


Bij het maken - of het niet maken - van elke film gebaseerd op mijn werk is er sprake geweest van de Eerste Roes, gevolgd door de Grote Onopgehelderde Stilte. Die kan van een paar maanden duren tot jaren en nog eens jaren of tot sint-juttemis. Is het project een doodgeboren kindje of ontwikkelt het zich voorspoedig, maar heeft niemand me dat verteld? Verborgen voor het oog van het plebs gaan enorme bedragen van hand tot hand, worden scenario's besteld, geschreven en afgekeurd en gaan agenten met elkaar op de vuist en liegen ze dat het gedrukt staat. In vergrendelde kamers steken baardeloze knapen met dassen om elkaar naar de kroon met juweeltjes van jeugdige creativiteit. Maar buiten de muren van kamp Hollywood kom je niets tastbaars te weten: om de goede reden dat, in de onsterfelijke woorden van William Goldman, niemand iets weet.


Richard Burton kwam ineens uit het niets naar voren, meer kan ik er niet van maken. Zijn komst werd niet aangekondigd door duizend violen, er was niets meer dan een eerbiedig: 'David, ik heb nieuws voor je. Richard Burton heeft getekend voor de rol van Leamas.' En het was niet Marty Ritt die me daarover belde, maar mijn Amerikaanse uitgever Jack Geoghegan, in een toestand van religieuze extase. 'En dan nog wat, David, jij gaat binnenkort zeker kennis met hem maken!' Geoghegan was een kranige boekverkoper van de oude stempel. Hij was begonnen als vertegenwoordiger in schoenleer en opgeklommen tot hoofd verkoop bij uitgeverij Doubleday. Toen hij de pensioengerechtigde leeftijd zag naderen, had hij een eigen kleine uitgeverij gekocht, Coward McCann. Het onwaarschijnlijke succes van mijn boek en de hoofdrol voor Richard Burton waren voor hem dromen die werkelijkheid werden.


We moeten het inmiddels hebben over eind 1964, want ik had ontslag genomen bij de overheid en me, eerst in Griekenland en later in Wenen, gevestigd als fulltime schrijver. Ik bereidde me voor op mijn eerste bezoek aan de Verenigde Staten en toevallig speelde Burton Hamlet op Broadway, mede onder regie van John Gielgud, die de rol van de Geest van Hamlets vader speelde. De productie werd omschreven als een generale repetitie, die zou worden uitgezonden op de voorloper van kabeltelevisie. Geoghegan zou me er mee naartoe nemen en na afloop zou hij me voorstellen aan Burton in diens kleedkamer. Als we op audiëntie bij de paus zouden zijn gegaan, was hij niet opgewondener geweest.


Burtons spel was geweldig. En we hadden de beste plaatsen. In zijn kleedkamer was hij heel charmant en zei hij dat hij mijn boek het beste vond dat hij in lange tijd had gelezen. En ik zei dat zijn Hamlet beter was dan die van Olivier - beter zelfs dan die van Gielgud, voegde ik er overmoedig aan toe, hoewel die zich best eens ergens in die kleedkamer had kunnen bevinden - beter dan wie ik maar kon verzinnen. Maar heimelijk vroeg ik me te midden van die stortvloed aan wederzijdse complimenten af: hoe past deze prachtige, bulderende, Welshe bariton en dit overweldigende alfamannelijke multitalent ooit in het personage van een uitgebluste Britse spion van middelbare leeftijd, die niet bekend staat om zijn charisma, zijn klassieke articulatie of het uiterlijk van een pokdalige Griekse god?


En hoewel ik dat toen niet wist, moet Ritt met dezelfde vraag hebben geworsteld, want een van de eerste van hun vele veldslagen in de oorlog die zou volgen, ging over de vraag hoe Burtons stem moest worden ingedamd, iets waar Burton bepaald geen oren naar had.


We zijn inmiddels aangekomen in 1965 en bij toeval ben ik erachter gekomen - ik had nog steeds geen filmagent dus ik moet ergens een spion hebben gehad - dat in het recentste scenario voor de film Alec Leamas (de rol die Burton zou moeten spelen) in plaats van - zoals hij doet in het boek - een kruidenier een stomp te geven en daarvoor achter de tralies te belanden, zou worden opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis, waaruit hij ontsnapte via een slaapkamerraam op de eerste verdieping. De Leamas uit mijn boek had nog niet in de buurt van een psychiatrische ziekenhuis willen komen als zijn leven ervan afhing, dus wat moest hij daar nou? Het antwoord leek te zijn dat in de ogen van Hollywood een psychiatrische inrichting sexyer was dan een penitentiaire.


Een paar weken later bereikte me het nieuws dat de scenarioschrijver, die evenals Ritt in zijn tijd ook op de zwarte lijst had gestaan, ziek was geworden en dat de opdracht was doorgegeven aan Paul Dehn. Ik vond het spijtig voor de schrijver, maar haalde opgelucht adem. Dehn was ook een Brit. Hij had het script voor zijn eigen film Orders to Kill geschreven, een film die ik bewonderde. Bovendien was hij een verwante geest. Tijdens de oorlog had hij geallieerde agenten getraind in geluidloos doden en deelgenomen aan geheime missies naar Frankrijk en Noorwegen.


Dehn en ik maakten kennis in Londen. Hij moest niets hebben van psychiatrische ziekenhuizen en had geen enkel bezwaar tegen het stompen van kruideniers. Hij wilde Leamas best weer in de cel zetten voor zo lang als dat nodig was. En het was Dehns scenario dat een paar maanden later op mijn deurmat lag, met een vriendelijk briefje van Ritt waarin hij vroeg wat ik ervan vond.


Ik was inmiddels naar Wenen verhuisd en worstelde, in de beste traditie van schrijvers die zijn bedolven onder onverwacht succes, met een boek dat me niet aanstond, met meer geld dan ik ooit had durven dromen en met een huwelijkscrisis die ik helemaal zelf had gecreëerd. Ik las het script, vond het goed, liet dat Ritt weten en keerde terug naar mijn nieuwe boek en mijn crisis. Een paar avonden later ging mijn telefoon. Het was Ritt. Hij belde vanuit de Ardmore Studio's in Ierland, waar de opnamen al begonnen hadden moeten zijn. In zijn stem klonk de verstikte emotie van een man die in gijzeling is genomen en nu zijn laatste bericht inspreekt.


'Richard heeft je nodig, David. Richard heeft je zo hard nodig dat hij zijn tekst niet meer uitspreekt totdat jij die hebt herschreven.


'Maar wat is er dan mis met Richards tekst, Marty, volgens mij was die toch prima?'


'Daar gaat het niet om, David. Richard heeft je nodig en hij houdt de productie op tot hij je krijgt. We betalen je reis, eerste klas, en geven je je eigen suite. Wat wil je nog meer?'


Het antwoord - als het werkelijk waar was dat Burton de productie voor mij ophield - was dat ik kon vragen wat ik maar wilde en het nog zou krijgen ook. Maar voor zover ik kan nagaan heb ik nooit ergens om gevraagd. Het is een halve eeuw geleden, ik hou geen dagboek bij en de archieven van Paramount zouden een ander verhaal kunnen vertellen, maar dat betwijfel ik. Misschien wilde ik zo graag dat mijn film werd gemaakt dat het mij niet kon schelen of dat ik niet durfde. Misschien wilde ik ontsnappen aan de puinhoop die ik in Wenen om mij heen had geschapen.


Of misschien was ik nog zo groen dat ik gewoon niet wist dat dit het soort unieke buitenkans was waarvoor een filmagent bereid zou zijn zijn eigen moeder te verkopen: een film die het groene licht had gekregen, een volledige ploeg van Paramount Pictures paraat, alleen al zestig elektriciens die rondhingen met niets anders te doen dan gratis hamburgers verorberen, en een van de meest gewilde filmsterren van het moment die weigerde zijn mond open te doen totdat het meest geminachte wezen in de gehele filmmenagerie - de schrijver van het oorspronkelijke verhaal, godnogaantoe! - wordt ingevlogen om zijn hand vast te houden.


Het enige wat ik zeker weet, is dat ik de telefoon op de haak legde en de volgende morgen naar Dublin vloog omdat Richard Mij Nodig Had.


Was dat werkelijk waar?


Of had Marty mij harder nodig?


Officieel was ik in Dublin om Burtons tekst te herschrijven, wat betekende dat er scènes moesten worden aangepast aan zijn wensen. Maar Burtons wensen waren niet altijd Ritts wensen, met als gevolg dat ik, voor deze korte periode, hun tussenpersoon werd. Ik herinner me dat Ritt en ik de koppen bij elkaar staken om een scène te bewerken en dat ik vervolgens met Richard de koppen bij elkaar stak om die opnieuw te bewerken, waarna ik me dan weer terug haastte naar Ritt. Maar ik kan me niet herinneren ooit met hen samen tegelijk te hebben overlegd. En dat proces duurde maar een paar dagen en toen had Ritt verklaard tevreden te zijn over de wijzigingen en had Burton de strijd opgegeven: in ieder geval met mij. Maar toen ik Ritt vertelde dat ik terugvloog naar Wenen, deed hij verongelijkt zoals alleen hij dat kon.


Iemand moet op Richard passen, David. Richard drinkt teveel. Richard heeft behoefte aan een vriend.


Richard heeft behoefte aan een vriend? Was hij niet net met Elizabeth Taylor getrouwd? Was zij geen vriend? Was zij niet hier bij hem, en hield zij niet iedere keer de opnamen op als zij op de filmset arriveerde in een witte Rolls Royce, omringd door andere vrienden zoals Yul Brynner en Franco Zeffirelli; zoals frequenterende agenten en advocaten: zoals de, naar men beweerde, zeventienkoppige Burton-hofhouding die een hele etage van Dublins chicste hotel bezette en, als ik het goed begreep, bestond uit hun diverse kinderen uit verscheidene huwelijken, privéleraren voor genoemde kinderen, kappers, secretaresses en, in de woorden van één oneerbiedig lid van de filmploeg, de vent die de nagels van hun papegaai knipte? Al die lui en toch zou Richard mij ook nog nodig hebben?


Natuurlijk had hij dat. Hij was nu Alec Leamas.


En als Alec Leamas was hij een ronddolende, aan lager wal geraakte eenling wiens carrière naar de knoppen was, en de enige mensen met wie hij kon praten waren vreemden zoals ik. Hoewel ik het toentertijd nauwelijks besefte, werd ik ingewijd in de werkwijze van een acteur die de duistere krochten van zijn leven afspeurt naar facetten van de rol die hij gaat spelen. En het eerste facet, als je een aftakelende Alec Leamas bent, is eenzaamheid. Wat voor Burton inhield dat zijn voltallige hofhouding zijn gezworen vijand was, zolang hij Leamas was. Als Leamas alleen was, dan moest Burton dat ook zijn. Als Leamas altijd een halve fles Haig-whisky in de zak van zijn regenjas had, dan had Burton dat ook. En hij nam er flinke slokken uit zodra de eenzaamheid hem teveel werd, zelfs al kon - zoals al snel duidelijk werd - Leamas weliswaar heel goed tegen alcohol, maar Burton absoluut niet.


Hoe dat zijn huiselijke leven beïnvloedde kan ik niet zeggen, afgezien van de mannenpraat zo nu en dan als we van onze whisky nipten: hij was uit de gratie. Elizabeth had de pest in. Maar ik had weinig vertrouwen in die bekentenissen. Burton rustte, zoals veel acteurs, niet voordat hij van wie hij ook tegenkwam subiet zijn maatje had gemaakt, zoals ik wist door naar de manier te kijken waarop hij iedereen, van de chef-technicus tot het theemeisje, wist in te pakken, tot zichtbare ergernis van onze regisseur.


Aan de andere kant kan Taylor best haar eigen redenen hebben gehad om ontstemd te zijn. Burton had Ritt proberen over te halen haar de vrouwelijke hoofdrol te geven, maar Ritt had de voorkeur gegeven aan Claire Bloom, met wie, volgens het papegaaiencircuit, Burton ooit iets had gehad. En hoewel Bloom zich, als ze niet voor de camera stond, vastberaden in haar caravan opsloot, kan de versmade Elizabeth het moeilijk leuk hebben gevonden om te zien hoe het tweetal op de set met elkaar flirtte.


Stel je nu een in het licht badend plein in Dublin voor, en de Berlijnse Muur in al zijn wanstaltige gelijkenis - opgetrokken uit B2-blokken en prikkeldraad - daar dwars overheen. De kroegen gaan dicht en heel Dublin is uitgelopen om getuige te zijn van het spektakel, en geef ze eens ongelijk! Bij uitzondering regent het eens een keertje niet, dus staat er een aantal Dublinse brandweerwagens paraat. Oswald Morris, onze regisseur fotografie, houdt van natte straten in het licht van de avond. Langs de Muur zijn decorontwerpers en technici bezig met de laatste details. Er is een plek waar ijzeren stangen een nauwelijks zichtbare ladder vormen. Oswald Morris en Ritt kijken er gespannen naar.


Elk moment kan Leamas die ladder beklimmen, het prikkeldraad opzij duwen en, schrijlings op de Muur gezeten, in afgrijzen neerkijken op het levenloze lichaam van de arme vrouw die hij heeft verraden, al was dat nooit zijn bedoeling, op de grond aan de andere kant van de Muur. In het boek heet de vrouw Liz, maar in de film heet ze, om voor iedereen onmiddellijk te begrijpen redenen, Nan. Elk moment kan een assistent-regisseur of andere functionaris de trap afdalen langs het raam van het troosteloze souterrain waar Burton en ik de afgelopen uren bij elkaar zitten opgesloten. Van daaruit zal Leamas dan in een sjofele regenjas tevoorschijn komen, zijn plaats bij de Muur innemen en op commando van Ritt aan zijn noodlottige beklimming beginnen.


Alleen doet hij dat niet. De halve fles Haig-whisky is allang leeg. En hoewel ik erin ben geslaagd het leeuwendeel op te drinken, is Leamas misschien nog best tot die klim in staat, maar Burton beslist niet.


Ondertussen is, onder luid gejuich van de talrijke toeschouwers, de witte Rolls Royce gearriveerd, bestuurd door de chauffeur, een Fransman, en Burton, die tamelijk laat op het lawaai buiten reageert, schreeuwt op schorre toon: 'Ach Jezus! Elizabeth, idioot!' en hij rent de trap naar het plein op. Gebruikmakend van de volle kracht van zijn baritonstem, die Ritt vastbesloten is te beteugelen, gaat hij tekeer tegen de chauffeur - in gebrekkig Engels, hoewel de chauffeur perfect Engels spreekt - omdat hij Elizabeth heeft uitgeleverd aan het Dublinse gepeupel: geen groot gevaar, zou je denken, als je in aanmerking neemt dat de volledige politiemacht van Dublin is uitgerukt om de pret niet te missen.


Maar Burtons theatrale woede-uitbarsting kan niet worden genegeerd. Terwijl Elizabeth door een opengedraaid raampje haar ergernis en woede kenbaar maakt, gooit de chauffeur de Rolls in zijn achteruit en keert als een haas terug naar waar hij vandaan kwam, waarbij hij Marty Ritt, die er met zijn arbeiderspet op uitziet als de eenzaamste, kwaadste man op aarde, naast de Muur achterlaat.


Zowel op dat moment als diverse keren daarna, heb ik me, wanneer ik acteurs en regisseurs bij andere films zag samenwerken, afgevraagd wat nu precies de reden was van die steeds openlijker vijandigheid tussen Burton en Ritt, en ik ben tot de conclusie gekomen dat die voorbeschikt was. Natuurlijk, er was de wrijving omdat Ritt Taylor de rol van Nan had geweigerd en die aan Bloom had gegeven. Maar volgens mij ligt de oorzaak verder in het verleden: in de dagen dat Ritt een op de zwarte lijst geplaatste, gekwetste en woedende radicaal was. Maatschappelijke betrokkenheid was niet zomaar een houding, die zat in zijn bloed.


Tijdens een van de paar steekhoudende gesprekken die ik in onze korte periode met Burton heb gevoerd, ging hij er bijna prat op hoezeer hij de showman in zichzelf verachtte; dat hij wilde dat hij 'een Paul Scofield had gedaan', waarmee hij bedoelde dat hij de grote monsterproducties en het grote geld had moeten mijden en uitsluitend rollen had moeten aanvaarden die artistiek verantwoord waren. En Ritt zou het roerend met hem eens zijn geweest.


Maar daarmee kwam Burton niet weg. In de ogen van de puriteinse, toegewijde, loyale, linkse actievoerder vertegenwoordigde Burton bijna alles wat Ritt intuïtief verfoeide. Als je uitspraken van hem opzoekt, vind je er een die aan duidelijkheid niets te wensen overlaat: 'Ik heb niet veel respect voor talent. Talent is genetisch bepaald. Het gaat erom wat je ermee doet.' Het was al erg genoeg dat je gewin boven kunst stelde, of seks boven het gezin, of pronkte met je geld en je vrouw, of je demonstratief een stuk in je kraag zoop, of als een god over de aardbodem paradeerde, terwijl de massa's schreeuwden om gerechtigheid. Maar je talent verspillen was een zonde tegen de goden en tegen de mensheid. En hoe groter het talent - en Burtons talenten waren talrijk en uitzonderlijk - hoe groter de zonde in Ritts ogen.


In 1952, het jaar waarin Ritts naam op de zwarte lijst werd geplaatst, begon Burton, het 22-jarige Welshe wonderkind aan zijn carrière in Hollywood. Het is geen toeval dat diverse leden van de cast van The Spy Who Came in from the Cold - Claire Bloom en Sam Wanamaker om er maar twee te noemen - ook op de zwarte lijst hadden gestaan. Welke naam uit die tijd je ook noemde, Ritt stelde onmiddellijk de vraag: 'Waar was hij toen we hem nodig hadden?' Hij bedoelde: heeft hij of zij het voor ons opgenomen, of ons verraden, of laf gezwegen? En het zou me verbazen als diezelfde hardnekkige vraag die altijd door Ritts achterhoofd of voorhoofd spookte, niet ook boven zijn relatie met Burton hing.


We zijn in een winderig huisje aan het strand in Scheveningen. Het is de laatste opnamedag van The Spy Who Came in from the Cold. Het is een binnenopname in een krappe ruimte. Leamas bereidt zijn eigen ondergang voor door erin toe te stemmen Oost-Duitsland binnen te gaan en kostbare geheimen aan de vijanden van zijn vaderland te verraden. Ik sta ergens achter Oswald Morris en Martin Ritt en doe mijn best niemand voor de voeten te lopen. De spanning tussen Burton en Ritt is tastbaar. Ritts opdrachten zijn kort en afgemeten. Burton reageert nauwelijks. Zoals altijd bij close-upopnamen als deze, spreken acteurs zo zacht en onnadrukkelijk dat ze bij leken de indruk wekken eerder te repeteren dan te acteren. Dus kijk ik verbaasd op als Ritt 'het staat erop' zegt en de scène voorbij is.


Maar die is niet voorbij. Er daalt een verwachtingsvolle stilte neer, alsof iedereen behalve ik weet wat er gaat gebeuren. Dan steekt Ritt, die zelf per slot ook een verdienstelijk acteur is en het een en ander weet van timing, de speech af die hij, volgens mij, tot dit eigenste moment heeft bewaard: 'Richard, dit was de laatste keer dat ik met een ouwe hoer heb genaaid, en er moest nog een spiegel aan te pas komen ook.'


Waar? Terecht?


Niet waar, helemaal niet zelfs en absoluut onterecht. Burton was een serieuze kunstenaar en een veelzijdige autodidact met deugden en ondeugden die wij op de een of andere manier allemaal delen. Hij was misschien wel een gevangene van zijn eigen zwakheid, maar het vleugje betweterig Welsh puritanisme in hem was niet zo heel verschillend van het puritanisme van Ritt. Hij was respectloos, lastig, grootmoedig maar hij moest wel manipulatief zijn. Voor de grootste beroemdheden hoort manipuleren er gewoon bij. Ik heb hem nooit gekend in voor hem rustiger tijden, maar wilde dat dat wel zo was geweest. Hij was een schitterende Alec Leamas, en in een ander jaar had hij er misschien de Oscar voor gekregen die hem zijn hele leven is onthouden. De film was somber en in zwart-wit. Dat was niet in de mode in 1965.


Als de regisseur of zijn acteur minder goed waren geweest, dan was de film waarschijnlijk ook minder goed geweest. Ik heb zo'n vermoeden dat ik het destijds eerder opnam voor de gedrongen, onverzettelijke en verbitterde Ritt dan voor de flamboyante en onvoorspelbare Burton. Een regisseur draagt de last van de hele film op zijn schouders en daartoe behoren ook de eigenaardigheden van zijn ster. Soms had ik het gevoel dat Burton zijn uiterste best deed om Ritt te kleineren, maar uiteindelijk vermoed ik dat ze behoorlijk aan elkaar gewaagd waren. En Ritt had beslist het laatste woord. Hij was een briljante en bezielde regisseur wiens terechte woede nooit kon worden gestild.


© Copyright David Cornwell 2012.


Vertaling: Rob van Moppes


DISCIPLINE

Acht boeken van auteur John le Carréwerden verfilmd, waarvan Tinker, Tailor, Soldier, Spy in 2011 als recentste. Vaak was hij aanwezig bij de opnamen. In een interview met Volkskrant-correspondent Patrick van IJzendoornvertelt Le Carré komende zaterdag over zijn belevenissen. 'Ik stond altijd versteld van de discipline van grote acteurs als Anthony Hopkins en Sean Connery. Ze zijn allebei soldaat geweest. Zou dat het zijn?'

KASSUCCES

De verfilming van The Spy Who Came in from the Cold werd een groot succes. Omgerekend werd er 5,8 miljoen euro verdiend aan de film, een toen zeer respectabel bedrag. De film won tien awards en werd genomineerd voor twee Oscars. The New York Times schreef in zijn recensie: 'Het is verfrissend om een spionnenfilm te zien, die zo realistisch is. Het doet je geloven dat het echt had kunnen gebeuren.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden