De tijdgeest en de doodstraf

Het recht op leven is onverenigbaar met de doodstraf, zeggen de tegenstanders van de doodstraf. Maar dat recht blijkt in de praktijk niet zo onaantastbaar....

SINDS de Stockholm-declaratie van 11 december 1977 voert Amnesty International actie voor volledige afschaffing van de doodstraf. Sindsdien staat die straf periodiek ter discussie, ook nu weer in verband met de doodstraf-praktijk in Amerika. Tegenstanders, waaronder Amnesty, achten die straf onverenigbaar met het recht op leven. Maar dat recht wordt in internationale mensenrechtenverdragen nergens precies omschreven, bij gebrek aan consensus over de juridische betekenis ervan. Die staat niet vast, maar verandert met de zich ontwikkelende inzichten daaromtrent.

Daarom is het niet verwonderlijk dat een algemene en principiële veroordeling van de doodstraf tot nu toe is uitgebleven. In zijn dissertatie Gerechtigheid zonder beul (1997) betoogt H. Abma, bestuurslid van Amnesty Nederland, niettemin dat het recht op leven een ethisch geldig argument is tegen de doodstraf. Maar hoe onaantastbaar is dat recht in de praktijk? Principiële tegenstanders van de doodstraf maken zelf vaak een uitzondering voor abortus en bepaalde militaire acties.

Doodstraf is eeuwenlang gerechtvaardigd op grond van het vergeldingsmotief. Zo werden ook de na-oorlogse doodvonnissen tegen oorlogsmisdadigers gerechtvaardigd, door onder anderen de prominente katholieke strafrechtgeleerden W. Duynstee en D. van Eck. Maar vergelding is een motief dat haaks staat op het geciviliseerde denkraam van principiële tegenstanders van de doodstraf. In dat geval moet men echter a fortiori stelling nemen tegen de vergeldingsacties die landen als de Verenigde Staten en Israël tegen respectievelijk anti-Amerikaanse en anti-Israëlische activiteiten plegen uit te voeren en waarbij burgerdoelen niet gespaard worden, met als gevolg dat tal van onschuldige burgers gedood worden.

Maar dat gebeurt niet. De legitimatie van die vergeldingsacties en dus ook van het doden van onschuldige burgers is de bescherming van de nationale veiligheid tegen de georganiseerde misdaad van het terrorisme. Als men een dergelijke legitimatie aanvaardbaar acht, hoe kan men dan redelijkerwijze bezwaar maken tegen de doodstraf ter vergelding en bestrijding van zware, al of niet georganiseerde criminaliteit die eveneens een ernstige bedreiging vormt van de openbare veiligheid? In het laatste geval gaat het om het doden van zware misdadigers na een openbaar proces waarin de verdediging van de verdachte alle kans heeft de bewijsvoering te ontkrachten. Bij de eerder genoemde vergeldingsacties worden onschuldige burgers zonder vorm van proces om het leven gebracht.

De militaire NAVO-interventie in de Kosovo-crisis is ook gerechtvaardigd ter bestrijding van het staatsterrorisme van Servische zijde in Kosovo. Daarbij zijn eveneens veel burgerslachtoffers gevallen. Men spreekt in dit verband eufemistisch over bijkomstige schade bij precisiebombardementen op militaire doelen. In Irak, waar Engels-Amerikaanse luchtaanvallen op militaire doelen ook gepaard gaan met het doden van talrijke burgerslachtoffers, pleegt men dit in dezelfde termen te rechtvaardigen.

De rechtvaardiging van de NAVO-interventie in de Kosovo-crisis is inmiddels van verschillende kanten ter discussie gesteld. Zo'n interventie, zo is opgemerkt, is alleen gerechtvaardigd als dat ook in gelijksoortige situaties geschiedt. Maar tegen het meedogenloze staats terrorisme van de Turkse staat tegen de Koerden in eigen land, waardoor duizenden burgers om het leven zijn gekomen, wordt niet opgetreden. Sterker, het wordt door NAVO-landen, ook Nederland, actief gesteund door levering van militair materieel. Tegen de doodstraf daar koestert men niettemin principiële bezwaren. Wordt hier niet met twee maten gemeten?

Het doet onwillekeurig denken aan een van de wetten van Parkinson. Tegen de doodstraf in een individueel geval na een zorgvuldig gevoerd strafproces neemt men principieel stelling. Als diezelfde staat in oorlogen of in de strijd tegen terrorisme of nationale bevrijdingsbewegingen, zoals die van de Koerden, talrijke onschuldige burgers doodt, wordt dit als bijkomstige schade zonder protest aanvaard door dezelfde personen die tegelijk de doodstraf principieel verwerpen.

Aan de Amerikaanse atoombommen op Hiroshima en Nagasaki in 1945, waardoor duizenden onschuldige burgers ter plaatse omkwamen, hebben duizenden in Japanse kampen geïnterneerden hun bevrijding te danken. Kunnen de dodelijke consequenties van die atoombommen daarmee gerechtvaardigd worden? Geïnterneerden zoals de schrijver Rudy Kousbroek hebben daar geen moeite mee.

Meten met twee maten doen trouwens ook orthodoxe gelovigen van verschillende religies, die in absolute termen stelling nemen tegen abortus en euthanasie als ontoelaatbare schending van de inherente heiligheid van menselijk leven, maar doodstraf en oorlog eeuwenlang gerechtvaardigd hebben en dat in veel gevallen nog doen.

De doodstraf bestaat nog in de meeste landen. In islamitische landen vindt zij een ultieme rechtvaardiging in het geloof. In Amerika bestaat zij nog in 38 staten. Sinds 1976 zijn daar meer dan zeshonderd executies geweest, in 1999 alleen al bijna honderd. Dit land pleegt daarmee, zo meent de Volkskrant (28 december 1999), naar West-Europese normen een ernstige inbreuk op een fundamenteel mensenrecht. Maar die straf is ook in West-Europa niet volledig uitgesloten, zoals blijkt uit het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens uit 1950. De huidige discussie over de doodstraf in Amerika gaat niet zozeer over de doodstraf op zich, maar over de vraag of de Amerikaanse rechtsgang wel eerlijk en doeltreffend is. 'It's called capital punishment, but those without the capital get the punishment', is in dit verband niet zonder cynisme opgemerkt.

In het Amerikaanse blad The New Republic van 31 juli werd de Europese kritiek op handhaving van de doodstraf in de VS gepareerd met de opmerking dat de afschaffing ervan in Europa niet zozeer de volksopinie weerspiegelt - opiniepeilingen illustreren dat telkens opnieuw -, maar veeleer het resultaat is van een consensus daarover onder de politieke en intellectuele elites. Dat in Amerika nog steeds de doodstraf bestaat, komt doordat het politieke systeem daar meer onderhevig is aan democratische invloeden dan de politieke systemen in Europa, aldus dit blad.

Chronisch delict-gevaarlijke criminelen - meestal seksuele delinquenten - worden in tal van landen, ook in Nederland, levenslang opgesloten. Is dit minder erg dan de doodstraf? Een tot levenslang veroordeelde Britse kindermoordenaar vond van niet. Vandaar dat hij voor de rechtbank het recht opeiste via een hongerstaking zijn leven te mogen beëindigen. Maar dat werd niet toegestaan.

Wat de doodstraf betreft ben ik van mening dat een staat in moreel opzicht een hoger stadium van beschaving bereikt als hij orde en veiligheid weet te handhaven zonder zijn toevlucht te moeten nemen tot het ultieme middel van de doodstraf. In Nederland valt heel wat aan te merken op de ontwikkeling van de strafrechtspleging sinds de jaren zeventig. Als reactie hierop krijgt een meer effectieve bestrijding van criminaliteit de laatste jaren van links naar rechts een veel hogere prioriteit. Maar aan de doodstraf als ultieme sanctie is zeker geen behoefte.

Als men uitgaat van een lineaire vooruitgangsgedachte, dan is de doodstraf in Nederland een gepasseerd station. De geschiedenis van de 20ste eeuw heeft die gedachte echter gefalsificeerd. Op morele progressie kan zeer wel morele regressie volgen, zoals we in de 20ste eeuw ervaren hebben. De doodstraf - in 1870 in het burgerlijk strafrecht afgeschaft - werd tijdens de Tweede Wereldoorlog, in 1943, weer ingevoerd en na 1945 in een aantal gevallen ook ter uitvoering gebracht.

Als doodstraf zonder meer uit den boze is, waarom hebben principiële tegenstanders ervan dan nooit de naoorlogse doodvonnissen van de tribunalen van Neurenberg en Tokio en van nationale rechtbanken tegen oorlogsmisdadigers ter discussie gesteld? In één geval was daar mijns inziens zeker reden voor geweest. De doodstraf tegen Max Blokzijl wegens zijn propagandapraatjes tijdens de oorlog voor de vijand lijkt me een onevenredig zware straf.

Als men die naoorlogse doodvonnissen excuseert vanwege de bijzondere stemming direct na de oorlog, waarin behoefte was aan een resolute afrekening met de vreselijke excessen van de oorlogstijd, dan gaat dat niet meer op voor het doodvonnis tegen Eichmann, dat in 1962 zonder protest van principiële tegenstanders voltrokken werd door een staat die daartoe formeel-juridisch niet eens gerechtigd was en in dat proces tegelijk als aanklager en rechter optrad. Hannah Arendt heeft dat doodvonnis krachtig verdedigd in haar boek Eichmann in Jerusalem - A report on the banality of evil (1963). Wie kan Eichmanns menselijke waardigheid nog erkennen na diens misdaden tegen de menselijkheid en hem als medemens aanvaarden, aldus Arendt.

Twee jonge juristen, H. Hoogers en A. de Hoogh, hebben vorig jaar in NRC Handelsblad een lans gebroken voor de doodstraf als ultieme sanctie van het Internationaal Hof ter berechting van misdaden tegen de vrede en veiligheid van de mensheid. Zij herinneren er daarbij aan dat het Internationaal Verdrag inzake Burgerlijke en Politieke Rechten van 1966 de doodstraf toelaatbaar acht voor de ernstigste misdrijven (art. 6 lid 2). In de Inleiding tot de Studie van het Nederlands Strafrecht (van D. Hazewinkel-Suringa, voortgezet door J. Remmelink) wordt handhaving van de doodstraf voor oorlogsmisdadigers ook bepleit.

Door de doodstraf zonder enig voorbehoud als ongeciviliseerd te veroordelen, verabsoluteert men in feite een zienswijze die tijd- en cultuurgebonden is. Dit deden ook de eerdergenoemde strafrechtgeleerden Duynstee en Van Eck, evenals de Nijmeegse jurist W. van der Grinten (in zijn dissertatie Rechtmatigheid van de doodstraf) door de rechtvaardiging van de doodstraf te verankeren in een natuurrechtelijk gefundeerde vergeldingsgedachte. Dat doen tegenwoordig op hun beurt eveneens diegenen die abortus en euthanasie vanuit een religieuze overtuiging in absolute termen afwijzen.

Ook over dit soort kwesties is de oordeelsvorming uiteindelijk in sterke mate afhankelijk van de historische context waarin zij aan de orde komen. Als historische wezens zien we de dingen zoals wij zelf zijn en dat is per se tijd- en cultuurgebonden, al is er telkens weer een diepgewortelde neiging die relativiteit te overstijgen door eigen opvattingen in absolute termen te presenteren om zo sterker te staan in de ideeënstrijd.

In de rechtsgeschiedenis is dat gebeurd door historisch bepaalde rechtsopvattingen te verankeren in transhistorische ontstaans- en geldingsbronnen als het goddelijk en het natuurrecht en ze zodoende onaantastbare status te verschaffen. Wat als normen, waarden en symbolen en dus als beschaving behoort te gelden, is een vraag die telkens opnieuw inzet is van een botsing van verschillende concepties van beschaving die om voorrang strijden.

Het antwoord op die vraag is de uitkomst van het zich ontwikkelende morele en rechtsbewustzijn en de krachten die daarop invloed hebben, met andere woorden van het beschavingsproces. Dat prominente grondleggers van de idee der mensenrechten als de filosofen Locke en Kant zich niettemin expliciet vóór de doodstraf hebben uitgesproken, evenals verlichte geesten als Montesquieu en Stuart Mill, valt alleen in het licht van die historische context te verklaren.

Zoals gezegd is in de huidige historische context van westerse landen als Nederland mijns inziens geen behoefte aan de doodstraf als ultieme sanctie. In tijden van ernstige morele regressie, zoals in oorlogsomstandigheden, kan die behoefte wel weer ontstaan zoals we in de vorige eeuw ervaren hebben.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden