De tijd dat een Duitse Wilders ondenkbaar was lijkt voorbij

De Pegida-marsen tegen 'de islamisten' trekken in Duitsland steeds meer deelnemers. Gevestigde partijen doen of hun neus bloedt, wat Sander van Walsum doet denken aan de jaren vóór Pim Fortuyn. Is er kans op nog een Wende?

Met een tekening over de val van de DSB-bank won Jos Collignon (64) in 2009 de Inktspotprijs. Zijn tekeningen, vooral politieke spotprenten, verschijnen drie keer per week in de Volkskrant. Beeld Jos Collignon

Afgelopen maandag, twee dagen voor de aanslag in Parijs, kwamen ze weer bijeen op een drassig veld - even buiten het centrum van Dresden: zo'n achttienduizend warm geklede mannen en vrouwen die demonstreerden tegen de veronderstelde 'islamisering van de samenleving'. Ze stonden er wat onwennig te zwaaien met Duitse vlaggen en met spandoeken die de indruk moesten wegnemen dat ze door de rechts-extreme NPD op pad waren gestuurd. Ze maakten bezwaar tegen hoge minaretten en ze spraken de vrees uit dat de inwoners van Beieren elkaar weldra niet meer met 'Grüss Gott' zouden mogen begroeten, omdat migranten daar aanstoot aan kunnen nemen. De zogenoemde 'Avondlandbetoging' in het lelieblanke Dresden, de zoveelste in een lange reeks, trok veel aandacht - ook buiten Duitsland.

'Nu is ook Duitsland aan de beurt', is een veelgehoorde reactie. In de omringende landen, zeker ook in Nederland, drukt de discussie over de islam en de multiculturele samenleving tenslotte allang een stempel op de politiek. En als Duitsers te hoop lopen tegen een culturele minderheid liggen verwijzingen naar hun beladen verleden nog steeds voor de hand. Daarvan is de organiserende beweging, Patriotische Europäer gegen die Islamisierung des Abendlandes (Pegida), zich bewust - getuige het feit dat zij niet de Duitse maar de Europese waarden zegt te verdedigen.

De tijd zal leren of Pegida ook buiten Dresden, ooit het meest DDR-getrouwe stukje Duitsland, navolging krijgt en of de façade van ietwat vrome redelijkheid bestand zal zijn tegen de druk van extreem-rechtse ressentimenten. Wie Pegida kenschetst als wegbereider van het debat over de multiculturele samenleving in Duitsland overdrijft echter haar betekenis. Het thema mag er dan minder hartstochten aan het licht hebben gebracht dan in de omringende landen, en het mag tot dusverre dan geen politieke vertaling hebben gekregen - in de vorm van een PVV-achtige partij met een noemenswaardige aanhang - het heeft de achterliggende decennia wel degelijk aandacht gekregen.

Toen Frits Bolkestein in de jaren negentig wees op het gevaar van een ongeschoolde, niet te integreren minderheid probeerde de Turks-Duitse jurist Seyran Ates - die eerder een aanslag door Turkse nationalisten ternauwernood had overleefd - de Duitsers ervan te doordringen dat het multiculturele experiment alleen zou slagen als het gastland zijn normen en waarden met overtuiging zou uitdragen. 'Het hoogste gebod van de tolerantie heeft de liberale Duitse samenleving weerloos gemaakt tegenover het religieus absolutisme. De elite heeft het belang van haar eigen cultuur vergaand gerelativeerd, terwijl zij zich buitengewoon sensitief toont voor de gevoeligheden van minderheden.'

Leitkultur

Toen Paul Scheffer in 2000 de politiek weigerachtigheid verweet om 'de voor iedereen zichtbare en vaak gesignaleerde problemen rondom etnische minderheden onder ogen te zien', ageerde Friedrich Merz - toenmalig voorzitter van de CDU/CSU-fractie in de Bondsdag - tegen het multiculturalisme. Nieuwkomers hadden zich, aldus Merz, te voegen naar de 'Duitse Leitkultur' - een begrip dat overigens was gemunt door de uit Syrië afkomstige politicoloog Bassam Tibi. In hetzelfde jaar voerde de CDU-politicus Jürgen Rüttgers bij de deelstaatverkiezingen in Noordrijn-Westfalen campagne tegen arbeidsmigratie met de leuze Kinder statt Inder (kinderen in plaats van Indiërs). Drie jaar later beloofde zijn partijgenoot Roland Koch in Hessen de kiezers de dubbele nationaliteit te zullen aanpakken.

Toen Theo van Gogh in Nederland tegen de islam ageerde, maande de Duitse publicist Henryk M. Broder zijn landgenoten tot meer daadkracht en zelfbewustzijn in de omgang met moslims. In zijn bestseller Hurra, wir kapitulieren! uitte hij de vrees dat Duitsland niet bereid was zijn culturele en maatschappelijke verworvenheden te verdedigen. Frank Schirrmacher, commentator en mede-uitgever van de Frankfurter Allgemeine Zeitung (FAZ), meende zelfs dat een haatdragende minderheid de zwijgende meerderheid terroriseerde. Ter illustratie van deze gewaagde stelling gaf hij voorbeelden van mishandeling van 'kutduitsers', 'nazi-oma's', 'hangbuikzwijnen', 'aardappelvreters' dan wel 'varkensvreters' door Turkse jongeren.

Volkskrant-lezers kennen Peter de Wit (56) van zijn Sigmund, die al sinds 1994 in de krant verschijnt. Eerder werkte hij onder meer voor het blad Eppo, waarvoor hij Gilles de Geus en de Familie Fortuin maakte. In 1999 won hij de Stripschapprijs. Beeld Peter de Wit

Gevaarlijk

Ook in Duitsland zijn de multiculturele ongemakken waargenomen en benoemd. Ook Duitsers hebben geschokt kennisgenomen van eerwraak, van de onverzoenlijkheid van haatimams en van de ontvankelijkheid van islamitische jongeren voor het jihadisme. En ook de Duitsers voelden zich ongemakkelijk bij de beelden van de moord op Theo van Gogh, van brandende banlieues in Frankrijk. 'Wij hebben door het sleutelgat naar onze eigen toekomst gekeken', schreef Seyran Ates destijds.

Deze week spraken verscheidene commentatoren de vrees uit dat de slachtpartij op de redactie van Charlie Hebdo hun voorland was. Pegida zag in de aanslag een bevestiging van het eigen gelijk. 'De islamisten, waar Pegida nu al twaalf weken voor waarschuwt, hebben in Frankrijk getoond dat zij niet tot democratie in staat zijn, maar de oplossing zoeken in dood en geweld.' Om de schijn van triomfalisme weg te nemen, voegde ze daaraan toe: 'Wij zwijgen in rouw, in deemoed, en in solidariteit met de families van de Franse redacteuren die nu de eerste slachtoffers zijn geworden.' Uit een opiniepeiling die daags na de aanslag werd afgenomen, bleek dat 57 procent van de Duitsers de islam gevaarlijk acht. De sympathie voor Pegida lijkt wijdverbreid. Inmiddels zijn op het Duitse voorbeeld geënte anti-islamdemonstraties aangekondigd in Oostenrijk en Noorwegen.

Uitzondering

De gevestigde politieke machten in Duitsland uitten in even krachtige bewoordingen hun afkeer van de aanslag in Parijs, maar voegden daar in één adem aan toe dat zij onder geen beding zaken willen doen met Pegida - en evenmin met de eurosceptische partij Alternative für Deutschland (AfD), die als de parlementaire arm van Pegida wordt aangemerkt.

De angsten in Duitsland die nu door Pegida worden vertolkt, hebben vooralsnog niet tot de opkomst van een Jean-Marie Le Pen of een Pim Fortuyn geleid. Pegida-voorman Lutz Bachmann lijkt zich, als veroordeelde drugsdelinquent, voor zo'n rol in de Duitse politiek evenmin te kwalificeren. Als verklaring van deze uitzonderingspositie is vaak routineus naar het nazi-verleden verwezen. Volgens deze enigszins sleetse zienswijze heeft Hitler het vertrouwen van veel Duitsers in de eigen waarden en normen aan het wankelen gebracht - kennelijk tot in lengte van jaren.

Volgens de oriëntalist Hans-Peter Raddatz heeft het Duitse cultuurrelativisme diepere wortels. Het zou teruggaan tot de 18de-eeuwse literatoren Goethe en Lessing - pleitbezorgers van de vreedzame coëxistentie van het humanisme en de wereldreligies. In Lessings perceptie was Spanje ten tijde van de islamitische overheersing een oase van openheid en tolerantie en was Saladin geen koppensneller maar een milde landsvader. Deze voorstelling van zaken is volgens Raddatz niet alleen pertinent onjuist, ze leidt in Duitsland - dat zo graag teruggrijpt op het onbedorven verleden waarvan Goethe en Lessing de representanten zijn - ook nog eens een buitengewoon taai leven.

Na de moord op Theo van Gogh viel in Duitsland vaak te beluisteren 'dat zoiets bij ons niet zou kunnen gebeuren' omdat Duitsland geen deel uitmaakte van de Coalition of the willing van George W. Bush. Een andere verklaring was dat het gros van de moslims een Turkse achtergrond heeft. Met Turken is, volgens die opvatting, beter samen te leven dan met Noord-Afrikaanse migranten. De FAZ merkte de samenstelling van de Duitse migrantenpopulaties destijds aan als 'het grote geluk voor Duitsland'. Daarbij verwees ze naar de omstandigheid dat Turkije nooit gekoloniseerd is geweest, ervaring had met de scheiding van kerk en staat en geen deelgenoot was van de Arabische ressentimenten. De problemen met de multiculturele samenleving waren in Duitsland, met andere woorden, minder urgent dan elders.

Politicologen en sociologen brengen het ontbreken van het multiculturalisme als politiek thema ook in verband met de Duitse kiesdrempel van 5 procent. Die zou de agendering van 'gewaagde thema's' ontmoedigen. Als gevolg daarvan voelen mensen aan de uiterste linker of rechter zijde van het politiek spectrum zich niet in de Bondsdag of de deelstaatparlementen vertegenwoordigd en zullen zij wellicht eerder hun toevlucht zoeken in buitenparlementair activisme. Dat gebeurde in de jaren zeventig, toen een linkse terreurgolf over de Bondsrepubliek spoelde, en dat zou ook kunnen als de angst voor islamisering van de Duitse samenleving op straat meer wordt gevoeld dan in de volksvertegenwoordiging.

Dat neemt niet weg dat meerdere politici hun geluk met 'het heikelste van alle thema's' hebben beproefd. Maar steeds bleven de electorale revenuen uit. Friedrich Merz oogstte storm met zijn verwijzing naar de Duitse Leitkultur en repte er nadien nooit meer over. Kinder statt Inder, de verkiezingsleuze van Jürgen Rüttgers, sloeg niet aan bij de kiezers. Roland Koch werd in Hessen wel beloond voor zijn scepsis over de zegeningen van het multiculturalisme, maar na de verkiezingen verloor ook hij zijn belangstelling voor het thema. En nu leggen de grote politieke partijen in Duitsland weinig begrip aan de dag voor de angsten en de grieven van de Pegida-aanhangers. Alleen in de - vooralsnog marginale - AfD bestaat enig animo voor een gesprek met Pegida.

Een foto van de Pegida-mars in Dresden. Beeld ap

Blunder

Zo beschouwd lijkt de Duitse conjunctuur van het debat over de multiculturele samenleving op de Nederlandse voor de opkomst van Fortuyn. In de jaren tachtig kon Hans Janmaat nog ongestraft worden gemarginaliseerd - in de Tweede Kamer, die leegliep als hij sprak, en daarbuiten: toen het hotel waarin hij congresseerde in brand werd gestoken, zag niemand hierin een aanslag op de parlementaire democratie, wat het wel was. In de jaren negentig maakte toenmalig VVD-leider Frits Bolkestein het onderwerp salonfähig. In het politiek correcte klimaat van destijds een prestatie van formaat, waarvoor de kiezers hem ruimhartig beloonden. Zijn opvolger Hans Dijkstal, het vleesgeworden consensusmodel, schoof de erfenis als een hete aardappel van het bord. Een strategische blunder, waarmee hij ruimte schiep 'op rechts' - zoals Dijkstal persoonlijk ondervond toen hij op 6 maart 2002, na de gemeenteraadsverkiezingen van die dag, op tv door winnaar Pim Fortuyn tot een sneue vertegenwoordiger van het ancien regime werd gereduceerd. Zonder Dijkstal zou er wellicht ook geen Geert Wilders zijn geweest - althans niet in de rol die hij nu vervult.

In reactie op de Avondlandbetogingen volhardt de Duitse politiek vooralsnog in haar weigering de multiculturele samenleving als een probleem aan te merken - uit angst een van de hoofdthema's van extreem-rechts te legitimeren.

Ze grijpt het criminele verleden van Pegida-voorman Lutz Bachmann aan om zijn boodschap te discrediteren. Ze herinnert aan het verleden van Dresden als Tal der Ahnungslosen - waar tijdens de Duitse deling geen ontvangst mogelijk was van de West-Duitse tv-zenders - om te suggereren dat Bachmanns aanhangers slecht geïnformeerd zijn. En ze hamert op het verwaarloosbare aandeel van migranten in de Dresdense bevolking - waarmee ze wil zeggen dat er helemaal geen problemen zijn. Daarmee draagt ze slechts bij aan de radicalisering van Pegida. Tijdens haar laatste betoging, afgelopen maandag, waren al leuzen hoorbaar tegen de machtselite die haar eigen werkelijkheid koestert. Dat is precies het sentiment dat Pim Fortuyn en Geert Wilders in Nederland zo succesvol hebben weten af te tappen.

Commentatoren van meerdere kranten, onder wie die van de Süddeutsche Zeitung en de FAZ, menen dat populisten buiten de deur kunnen worden gehouden als de middenpartijen zich niet van Pegida afwenden maar onderkennen dat veel, wellicht de meeste Duitsers het multiculturalisme als een probleem ervaren. Daarbij hebben ze in elk geval niet naar Nederland als lichtend voorbeeld kunnen verwijzen. Sinds het échec van 'de oude politiek' bij de verkiezingen van 2002 kan geen partij het zich nog veroorloven om de angst voor islamisering níét serieus te nemen. Daarmee hebben zij echter niet kunnen voorkomen dat de PVV - vooralsnog virtueel - de grootste partij is, bijna ongeacht de bedrijfsvoering van Geert Wilders. Misschien hebben de middenpartijen na het vertrek van Bolkestein hun laatste kans verspeeld om de onvrede te kanaliseren. In dat geval moet worden gevreesd dat de Duitse politiek een vergelijkbaar lot beschoren zal zijn.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden