De terugkeer van de sociale kletskoek

De sociologie is de crisis voorbij, stelt een verkennend rapport over de wetenschap van de samenleving. Maar waarom werd de Fortuyn-revolutie dan gemist?...

Jan Blokker schreef in de jaren zeventig over de 'dictatuur van de kletskoek'. Toch werd de sociologie in die jaren beoefend door eminente geleerden als Jacques van Doorn, Kees Schuyt en Anton Zijderveld. Voor de buitenwacht werd het beeld echter bepaald door neomarxistische zwatelaars, die een voor de hand liggende werkelijkheid verstopten onder een wollen deken van structuren en variabelen.

De sociologie is deze crisis te boven gekomen, stelt de verkenningscommissie die deze week haar rapport over de toestand van de Nederlandse sociologie publiceerde (zie www.knaw.nl). De studentenaantallen stijgen weer, mede dankzij de instroom van hbo'ers die een verkorte opleiding volgen.

De twee onderzoekscholen (het interuniversitaire ICS en de Amsterdam School of Social Research) zijn gunstig beoordeeld door internationale visitatiecommissies. Sociologen promoveren en publiceren meer dan ooit. En Volkskrant-columnist Jan Blokker aanvaardde in 2004 met geamuseerde mildheid een eredoctoraat in de sociale wetenschappen in Groningen.

Kortom: de sociologie heeft zich ontwikkeld tot een betrekkelijke kleine, maar stevige en professionele tak van wetenschap.

Excelleren

Misschien wel iets té professioneel, stellen de sociologen Paul Schnabel (directeur van het Sociaal en Cultureel Planbureau), Romke van der Veen (hoogleraar in Rotterdam) en sociaal-psycholoog Hans Boutellier (directeur van het Verwey-Jonkerinstituut) in het boek Balans en toekomst van de sociologie (Amsterdam University Press, ISBN 9085551412).

'Het universitair klimaat is erg gericht op excelleren, op publiceren in internationale toptijdschriften. Daardoor is er veel scientist's science. Veel tijdschriften staan vol kwantitatief-empirisch onderzoek waar verder geen haan naar kraait', zegt Boutellier.

Omvangrijke databestanden worden in theoretische modellen geperst. Vervolgens trekken sociologen met behulp van geavanceerde statistische technieken conclusies waarin de werkelijkheid van de straat niet meer te herkennen valt.

'Toch zou het een doodklap voor het gezag en de legitimiteit van het vak zijn als de academische sociologie overboord zou worden gezet', vindt Godfried Engbersen, hoogleraar in Rotterdam en voorzitter van de KNAW-verkenningscommissie.

De kwantitatief-empirische benadering is een heel belangrijke richting in de Nederlandse sociologie, stelt hij, naast de meer historisch-interpretatieve traditie en de beleidsmatige sociologie. De eerste heeft belangrijke nieuwe inzichten opgeleverd over sociale stratificatie en netwerken van moderne burgers.

Niettemin wordt door buitenstaanders, en ook door sommige sociologen zelf, de vraag gesteld waarom sociologen de 'opstand der burgers' in 2002 niet hebben zien aankomen.

'De meeste wetenschap is natuurlijk wijsheid achteraf. Voorspellen is altijd moeilijk. In elk geval is het niet waar dat er geen aandacht was voor de oude wijken', zegt Engbersen.

Stadswijken

Zelf schreef hij al begin jaren negentig met collega's over het ressentiment en onbehagen in Rotterdamse stadswijken en over immigratie als potentiële maatschappelijke splijtstof.

Engbersen: 'Maar wat ik niet verwachtte, was dat die onvrede een politieke kracht zou gaan vormen. Dat gebeurde ook pas toen Fortuyn kwam. Die kreeg een massale aanhang omdat hij de onvrede van de onderklasse wist te verbinden met de ontevredenheid van de middenklasse'.

In de jaren negentig overheerste de vrees voor 'Amerikaanse toestanden': de oude wijken dreigden te verpauperen tot getto's die zich van de samenleving zouden afkeren. In plaats daarvan kwamen zij in opstand tegen de politiek.

Hans Boutellier spreekt van een 'theoretische blokkade' bij de sociologie. In de sociologische theorievorming werd te weinig nagedacht over de vraag hoeveel verandering een samenleving eigenlijk kan verwerken. Bovendien trapte de sociologie ook in een statistische valkuil, gelooft Boutellier. Grootschalige surveys, zoals het Sociaal en Cultureel Planbureau die uitvoert, laten slechts een deel van de werkelijkheid zien.

'Ik ben helemaal niet tegen zulk onderzoek, maar je moet de beperkingen daarvan wel inzien. Er zit een soort schijnexactheid in. Mensen kunnen op ingewikkelde vragen als: Bent u tevreden over de democratie?' slechts met ja of nee antwoorden. Vaak kiezen ze dan maar voor de dominante, politiek-correcte lijn. Sluimerende gevoelens van onvrede breng je zo niet in kaart. Daarom kun je opeens ook van die snelle omslagen krijgen', stelt Boutellier.

De resultaten van surveys neigen vaak naar het gemiddelde, omdat het gros van de bevolking nu eenmaal een braaf leven leidt en gematigde ideeën heeft. Daarom zijn SCP-onderzoeken vaak relativerend van toon: met allerlei sociale problemen loopt het zo'n vaart niet, omdat de meeste mensen zich netjes gedragen.

Boutellier: 'Die relativering is ook best nuttig. Maar onderzoek dat zich op het gemiddelde richt, loopt altijd een beetje achter. De eerste tekenen van verandering zie je juist in de marge.'

Diversiteit

De kracht van de sociologie schuilt echter in de diversiteit van haar methoden, meent Engbersen. Zij gebruikt niet alleen surveys, maar ook antropologische methoden van onderzoek. Daardoor is zij, meer dan andere maatschappijwetenschappen, in staat de sociale werkelijkheid te duiden.

Hoewel de sociologie vaak bekritiseerd werd, is de samenleving sterk gesociologiseerd. Beleidsmakers maar ook gewone burgers denken vaak in sociologische concepten als individualisering of sociale cohesie.

Toch lijkt de laatste jaren sprake van een zekere vermoeidheid met de sociologische manier van denken. Sociologen wordt verweten dat zij wangedrag goedpraten door steeds te wijzen op sociale achterstanden en andere verklarende, structurele factoren.

Onder burgers en bestuurders lijkt de behoefte aan morele helderheid toe te nemen. De sociologische analyse bevredigt hen niet meer; zij willen mensen op hun eigen verantwoordelijkheid aanspreken. Deze gedachte wordt het sterkst verwoord door de Britse arts en schrijver Theodore Dalrymple, die ook in Nederland veel weerklank heeft gevonden.

'De sociale wetenschappen neigen inderdaad naar het verontschuldigen van wangedrag', vindt Boutellier. 'Criminaliteit is een morele keuze. Je hebt zelf je criminele daad gewild. Maar sociologen onderzoeken vooral de variabelen die criminaliteit verklaren, niet de vrije wil van de dader. Tot voor kort kwam een begrip als moraal niet of nauwelijks voor in de criminologie of de sociologie.'

Deze benadering stuit echter op steeds meer weerstand. Boutellier: 'Dat is ook een deel van de Fortuyn-revolutie. De erkenning van de vrije wil is teruggekeerd. Dat vind ik wel een goede zaak.'

Engbersen: 'In deze tijd van individualisering hebben burgers moeite met de socioloog die de zogenaamde vrije wil van individuen, bijvoorbeeld bij partnerkeuze, zelfmoord of criminaliteit, herleidt tot collectieve patronen. De socioloog lijkt hiermee het unieke van mensen af te pakken. Toch ligt hierin juist de grote kracht van de sociologische analyse: laten zien dat er maatschappelijke factoren ten grondslag liggen aan individueel gedrag. 'Zo is de populatie van delinquenten niet toevallig samengesteld. Sommige groepen zijn meer betrokken bij criminaliteit dan anderen.'

Verantwoordelijkheid

Bovendien kunnen sociologische analyse en eigen verantwoordelijkheid heel goed samengaan, zegt Engbersen. 'Dat blijkt ook uit sociologisch onderzoek. Als je een groep bijstandsgerechtigden met dezelfde achtergrondkenmerken neemt, komen sommigen wel uit de bijstand en anderen niet. Vooral bij therapie of begeleiding moet je de individuele maakbaarheid en verantwoordelijkheid benadrukken. Je moet natuurlijk nooit tegen mensen zeggen: omdat je een slechte jeugd hebt gehad, tolereer ik dat je je slecht gedraagt', zegt Engbersen.

Maar politici en beleidsmakers kunnen nadrukkelijk hun voordeel doen met een sociologische analyse, vinden Engbersen en Boutellier. Wie bijvoorbeeld de jeugdwerkloosheid wil bestrijden, moet niet alleen jonge werklozen op hun eigen verantwoordelijkheid wijzen, maar ook hun kansen verbeteren, door het onderwijs te verbeteren, discriminatie op de arbeidsmarkt te bestrijden en stages en banen te creëren.

De sociologie bestudeert de samenleving, een deel van de werkelijkheid dat veel gemakkelijker waarneembaar is dan het botsen van elementaire deeltjes of cognitieve processen in de hersenschors. Iedereen kan erover meepraten, net als over voetbal.

Mede daarom wordt de sociologie vaak geconfronteerd met de eis van leesbaarheid, denkt Engbersen, terwijl theoretische modellen en geavanceerde statistische modellen bij andere disciplines moeiteloos worden geaccepteerd omdat ze cruciaal zijn voor wetenschappelijke vooruitgang. De samenleving heeft nu eenmaal een haat-liefde verhouding met de sociologie, denkt Boutellier. 'Enerzijds wordt er soms laatdunkend over gedaan, anderzijds wordt ook vaak tegen sociologen gezegd: jongens, we komen er niet uit, kunnen jullie er eens naar kijken?'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden