De tel kwijt

Wie handen en voeten nodig heeft om 4 en 7 op te tellen en 2 plus 2 een breinbreker vindt, lijdt aan dyscalculie....

MAARTEN EVENBLIJ

EEN JONGEMAN kwam een aantal jaar geleden terecht in het neuropsychologisch laboratorium van prof. Brian Butterworth aan het University College in Londen. Charles, die een postdoctorale opleiding psychologie volgde, was altijd slecht geweest in rekenen, maar met studeren had hij geen moeite. Butterworth liet hem een aantal testjes doen en dat was het begin van iens theorie over dyscalculie, het numerieke broertje van leesblindheid, dyslexie.

Charles bleek ongehoord slecht een willekeurig aantal stippen te kunnen tellen. Als het er niet meer dan vier zijn, doen gewone proefpersonen dat in een oogopslag. Daarna wordt het moeilijker.

Eén stip zag de onfortuinlijke psychologiestudent net zo snel als andere proefpersonen, maar met twee of meer stippen had hij veel moeite. Zelfs twee stippen telde hij één voor één. Vier seconden had Charles nodig voor acht stippen, zelfs als deze keurig in rijtjes gerangschikt stonden. Gewoonlijk kan iemand dat binnen een seconde.

En ook had Charles geen flauw benul of 6 meer is dan 3 of 8 groter dan 9. Op z'n vingers telde hij het verschil uit en boven de 25 kwam hij handen te kort om de tel bij te houden. Naarmate het verschil tussen de twee cijfers groter werd, duurde het dus langer voor hij met een juist antwoord kwam. Met het lezen van cijfers had hij geen moeite, maar wel met de grootheden.

Butterworth was in zijn neurologische praktijk al eerder patiënten tegengekomen die niet met getallen overweg konden, maar dat was dan een gevolg van beschadiging van hun hersenen op latere leeftijd, meestal door een beroerte. Met name de pariëtaalkwab in de linker hersenhelft bleek dan aangetast.

Butterworth denkt dat, hoewel dyscalculie lijkt op dyslexie, er fundamentele verschillen zijn. Afgezien nog van de definitie van dyscalculie, waartoe sommigen alleen een gestoorde omgang met cijfers rekenen, terwijl anderen er het hele veld van rekenstoornissen bij betrekken. 'Lezen en schrijven zijn veel te recent ontstaan om te hebben geleid tot de ontwikkeling van speciale circuits daarvoor in onze hersenen, terwijl het vermogen om met aantallen om te gaan juist oud is', stelt Butterworth.

Er zijn merktekens op botten en in grotten gevonden die erop wijzen dat de mens al dertigduizend jaar geleden 'de tel' bijhield; waarvan is overigens onduidelijk. Butterworth wijst erop dat dit fenomeen evolutionair gezien, veel ouder is dan lezen, want ook primaten en zelfs een aantal vogels hebben het vermogen om met aantallen om te gaan: ze herkennen aantallen tot ongeveer vier en kunnen van twee groepjes voorwerpen aangeven welk het grootste is.

Niet verwonderlijk, stelt Butterworth, want omgaan met aantallen stelt eekhoorns in staat om de tak met de meeste nootjes uit te kiezen, doet vogels besluiten om al haar jongen te voeden of er enkele op te eten en laat de leeuwin op de vlucht slaan als zij en haar groep een numeriek overwicht ontmoeten.

Butterworth: 'Dat betekent dat dit vermogen bij de geboorte al klaar ligt in onze hersenen, zonder dat we het hoeven te leren.' Onderzoek aan pasgeborenen wijst erop dat deze hetzelfde kunnen als vogels en apen, ook al zijn de bewijzen daarvoor nog niet hard.

Butterworth vreest dat er onder schoolkinderen een aantal is dat lijdt aan dyscalculie, terwijl deze leerlingen beschouwd worden als te dom of te ongeïnteresseerd.

'We gaan ervan uit dat kinderen die niet kunnen rekenen te dom zijn of dat het ze slecht is uitgelegd. Een kleine groep valt daarbuiten. Wellicht zijn dat kinderen die een fundamentele stoornis hebben, zodat ze geen positie op een getallenlijn kunnen bepalen. Een interessante gedachte die het verdient om onderzocht te worden', zegt prof. dr. Arjan van der Leij, hoogleraar speciale pedagogiek aan de Vrije Universiteit Amsterdam.

Onduidelijk is hoeveel mensen met dyscalculie er rondlopen. Vijf procent is dyslectisch en laat één op de tien daarvan dyscalculie hebben, schatten sommigen. Anderen constateren dat tien tot vijftien procent van de schoolkinderen in Nederland rekenproblemen heeft, waarvan de helft zo ernstig dat het onder een - brede - definitie van dyscalculie valt.

Veel rekenproblemen hebben te maken met het (on)vermogen van de hersenen om te automatiseren: het korte tijd onthouden en bewerken van informatie. Dat is een verschijnsel dat ook dyslectici parten speelt wanneer ze de klank van bijvoorbeeld de 'b' niet aan het teken 'b' kunnen koppelen. Veel onderzoekers geloven daarom niet, zoals Butterworth, in grote verschillen tussen dyscalculie en dyslexie.

'Er zijn ook geen aanwijzingen dat de stoornissen in een andere hersenhelft zouden zitten, hoewel dyslectici wat vaker een afwijkend elektro-encefalogram laten zien dan mensen met dyscalculi', zegt dr. Hans van Luit die bij de Universiteit Utrecht rekenstoornissen onderzoekt. 'Als ik aan een kind met een rekenstoornis vraag: hoeveel is 3 plus 5?, dan komt het er wel, maar het gaat tellen. Het is een automatiseringsprobleem, waarvoor oefenen de oplossing is.'

Toch ziet Van Luit ook dat veel van zijn klantjes geen idee hebben waar het rekenen voor staat; dat ze niet begrijpen dat 13+5 eigenlijk hetzelfde is als 3+5. Het inzicht bij rekenstoornissen ontbreekt vaak volledig, constateert ook drs. Karin Berndsen die als neuropsychologe aan de Katholieke Universiteit Brabant promotie-onderzoek doet aan dyscalculie. 'Ze geven op de vraag 13+9 niet alleen een fout antwoord van bijvoorbeeld 318, maar hebben ook geen flauw idee dat dat zelfs bij benadering niet klopt. Ze hebben vaak geen idee van maten, hoeveelheden, grootheden.'

Berndsen ziet een verband tussen dyscalculi en stoornissen in andere vaardigheden zoals klokkijken en links-rechts bepaling en ruimtelijke vaardigheden, zoals tekenen. Vaardigheden zijn dat, die vooral in de rechter hersenhelft zijn gelokaliseerd. Maar even zo vaak ontbreken zulke stoornissen.

Van dyslexie wordt vermoed dat kinderen na de fase van het beginnend lezen de overschakeling van de rechter naar de linker hersenhelft niet goed maken en dat de automatisering daardoor achterwege blijft. Wellicht is dat bij dyscalculi ook het geval. Butterworth betwijfelt het. 'Ik denk dat het omgaan met aantallen een fundamenteel ander systeem in de hersenen aanspreekt. We zijn nu begonnen met onderzoek naar het functioneren van de hersenen van dyscalculi, zodat we wellicht meer over een eventuele lokalisatie kunnen zeggen.'

Bij dyslexie wordt voorzichtig geëxperimenteerd met middelen die het korte-termijngeheugen stimuleren om zo de automatisering van het lezen te verbeteren. Voor dyscalculi gebeurt dat (nog) niet, maar wellicht dat de ideeën van Butterworth een nieuwe richting aan de ontwikkeling daarvan kunnen geven.

Berndsen ziet er wel wat in: 'Kinderen met dyscalculi zijn via de huidige methoden van vooral oefenen en inzicht verwerven, moeilijker te behandelen dan dyslectici.'

Maarten Evenblij

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden